Wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008.
- Kenmerk
- W05.20.0052/I
- Datum aanhangig
- 16 maart 2020
- Datum vastgesteld
- 6 mei 2020
- Datum advies
- 7 mei 2020
- Datum publicatie
- 16 juni 2022
- Vindplaats
- Staatscourant 2024, nr. 17921
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000518, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 in verband met de invoering van een minimum- en maximumtarief instellingscollegegeld, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit legt een grondslag in het Uitvoeringsbesluit WHW om bij ministeriële regeling de omvang en berekeningswijze van het maximum- en minimumbedrag van het instellingscollegegeld vast te stellen. De grondslag heeft tevens ook betrekking op het instellingscollegegeld voor studenten aan de Open Universiteit. Voorts wordt de wijze vastgesteld waarop de minister de bedragen indexeert.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de inhoud en vormgeving van het ontwerpbesluit. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing wenselijk is van het ontwerpbesluit en de toelichting.
De hoogte van het wettelijk collegegeld wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. (zie noot 1) Dit bedrag wordt daarna jaarlijks volgens de consumentenprijsindex geïndexeerd, op de wijze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald. (zie noot 2) De ministeriële regeling wordt vastgesteld voor 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld zal gelden. De aanpassing wordt bepaald door de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande jaar. (zie noot 3)
In het ontwerpbesluit wordt met betrekking tot het instellingscollegegeld voor een afwijkende systematiek gekozen. Het voornemen is om elke drie jaar een maximum instellingscollegegeld voor EER-studenten en een minimum instellingscollegegeld voor niet-EER-studenten opnieuw vast te stellen. In verband daarmee wordt bepaald dat de bedragen bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Tevens wordt geregeld dat de wijze van berekening van de bedragen bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Ten slotte wordt bepaald dat de bedragen jaarlijks voor 1 november bij ministeriële regeling worden geïndexeerd, evenals bij het wettelijk collegegeld het geval is. Het is de bedoeling ook de driejaarlijkse vaststelling voor 1 november te laten plaatsvinden.
a. Uit de toelichting blijkt onvoldoende waarom het noodzakelijk is de vaststelling van de omvang van het maximum respectievelijk minimum instellingscollegegeld te delegeren aan de minister, in afwijking van het wettelijk collegegeld, dat wordt vastgesteld door de regering, en waarom de delegatiegrondslag nauwelijks is begrensd. Inkomsten uit collegegelden zijn steeds belangrijker geworden voor instellingen voor hoger onderwijs. Dat geldt in het bijzonder voor het instellingscollegegeld, waarvan de hoogte van het instellingstarief tot op heden in beginsel vrij is. Instellingen zijn hierdoor volgens de Inspectie van het onderwijs financieel afhankelijk geworden van de instroom van internationale studenten. (zie noot 4) Mede tegen deze achtergrond is het van belang dat in elk geval de hoofdelementen van de berekeningswijze op het niveau van een algemene maatregel van bestuur worden geregeld. Dit biedt instellingen meer waarborgen bij de vaststelling en sluit aan bij de voor het wettelijk collegegeld gekozen systematiek.
De Afdeling adviseert daarin alsnog te voorzien.
b. In de consultatie zijn bezwaren geuit tegen de voorgenomen uiterste datum van de ministeriële vaststelling (1 november) van het instellingscollegegeld. (zie noot 5) Omdat instellingen tijdig willen kunnen starten met de werving van niet-EER-studenten en de vaststelling van de nieuwe tarieven veel tijd kost in verband met overleg met faculteiten en medezeggenschap, is gevraagd om vaststelling van de ministeriële regeling zo spoedig mogelijk na 1 april. In reactie hierop merkt de toelichting op dat indien de in de ministeriële regeling op te nemen berekeningswijze eenmaal bekend is gemaakt, instellingen al ruim voor 1 november een voorlopig tarief van het instellingscollegegeld kunnen uitrekenen en dit met een voorbehoud aan studenten kunnen meedelen.
De Afdeling merkt op dat de toelichting niet duidelijk maakt waarom de vaststelling van het minimum- en maximumtarief instellingscollegegeld niet eerder mogelijk is. Zoals de toelichting opmerkt, is het van belang dat aankomend studenten in staat gesteld worden hun keuze af te stemmen op de vraag wat, in voorkomend geval, de hoogte is van het instellingscollegegeld dat aan hen zou worden berekend. Dat geldt in nog sterkere mate voor de internationale student.
De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 mei 2024
De regering heeft het besluit genomen om de wetsvoorstel Wet taal en toegankelijkheid in te trekken na eerder het voornemen hiertoe aan beide Kamers der Staten Generaal te hebben gemeld. (zie noot 6) In het wetsvoorstel Wet taal en toegankelijkheid is de grondslag opgenomen van het hier voorliggende ontwerpbesluit. Daarom kan het ontwerpbesluit niet worden vastgesteld.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad geef ik U in overweging het hierbij gevoegde ontwerpbesluit niet te bekrachtigen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Voetnoten
(1) Artikel 7.45, eerste lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).
(2) Artikel 7.45, tweede lid, van de WHW.
(3) Artikel 2.2 van het Uitvoeringsbesluit WHW.
(4) Zie het rapport "Uitkomst van een themaonderzoek naar ontwikkeling van aantal internationale studenten en effecten daarvan voor de financiële positie van de instellingen", Inspectie van het onderwijs, juni 2019.
(5) Artikel 2.4g van de voorgestelde regeling in het Uitvoeringsbesluit WHW.
(6) Kamerstukken I 2022/23, 35 282, L.