Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit videoconferentie.


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 26 november 2019, no.2019002474, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit videoconferentie in verband met het schrappen van de categorale uitzonderingssituaties, met nota van toelichting.

In het Besluit videoconferentie is in artikel 2, eerste lid, een aantal gevallen opgesomd waarin geen gebruik kan worden gemaakt van videoconferentie in het strafrecht. Het ontwerpbesluit strekt ertoe deze uitzonderingen te schrappen en maakt daarmee videoconferentie in meer gevallen mogelijk.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over het schrappen van de categorale uitzondering voor minderjarigen. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting dan wel het ontwerpbesluit.

1. Uitzondering voor minderjarigen

Bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling over videoconferentie zijn op aandringen van organisaties in de strafrechtketen destijds uitzonderingen opgenomen voor het gebruik van videoconferentie in het strafrecht. (zie noot 1) Dit om een geleidelijke en zorgvuldige invoering van videoconferentie in het strafrecht te bevorderen. Nu meer ervaring is opgedaan met dit instrument acht de regering de tijd rijp om bij elke gelegenheid waarbij in het strafproces sprake is van een horen, verhoren of ondervragen dit in beginsel per videoconferentie te kunnen laten plaatsvinden. (zie noot 2) De finale beslissing over het gebruik van videoconferentie in een individueel geval blijft bij de horende (rechterlijk) ambtenaar. (zie noot 3)

De toelichting bij het ontwerpbesluit wijst er op dat er contra-indicaties kunnen bestaan die pleiten tegen gebruikmaking van videoconferentie. (zie noot 4) Indien sprake is van minderjarige verdachten, levert dit gelet op hun kwetsbaarheid een contra-indicatie op die pleit tegen gebruikmaking van videoconferentie. Tegelijkertijd zijn er wel situaties denkbaar waarin de toepassing van videoconferentie vanwege bijzondere omstandigheden juist in het belang van de minderjarige is, bijvoorbeeld indien zijn persoonlijke verschijning niet mogelijk of zeer bezwaarlijk is. Gelet hierop acht de regering het categoraal schrappen van de uitzonderingsgrond noodzakelijk.

De Afdeling merkt het volgende op. Het jeugdstrafrecht stelt vanuit het pedagogisch belang de persoonlijke verschijning van de jeugdige verdachte voorop. (zie noot 5) Gelet hierop acht de Afdeling het terecht dat indien sprake is van een jeugdige verdachte, dit een contra-indicatie oplevert die pleit tegen het gebruik van videoconferentie in het strafproces. Tegelijkertijd kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die persoonlijke verschijning van de minderjarige verdachte verhinderen. Daarvoor is horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie een goed alternatief.

De vraag rijst waarom het uitgangspunt, dat bij minderjarigen geen gebruik wordt gemaakt van videoconferentie tenzij bijzondere omstandigheden er toe leiden dat videoconferentie in het belang van de minderjarige is, niet in het Besluit videoconferentie zelf wordt vastgelegd, maar alleen in de toelichting uiteen wordt gezet.

De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De vice-president van de Raad van State



Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.19.0378/II

- In een artikel van het Besluit videoconferentie tot uitdrukking brengen dat het besluit mede berust op artikel 78a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 131a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.



Nader rapport (reactie op het advies) van 18 maart 2020

Het ontwerp heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling advisering) aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen over het schrappen van de categorale weigeringsgrond voor de toepassing van videoconferentie ten aanzien van minderjarige verdachten.

Aan de opmerkingen van de Afdeling is gevolg gegeven. In de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel A, is de toepassing van videoconferentie ten aanzien van minderjarige verdachten nader toegelicht.

Met de Afdeling advisering ben ik van mening dat de toepassing van videoconferentie in bijzondere omstandigheden een goed alternatief kan vormen voor de persoonlijke verschijning van de minderjarige verdachte, bijvoorbeeld als diens verschijning niet mogelijk of zeer bezwaarlijk is.

In het jeugdstrafrecht geldt het uitgangspunt dat een minderjarige persoonlijk, fysiek op de zitting aanwezig is. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel uit artikel 16 van de EU-richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (zie noot 6) en komt in het Nederlandse strafrecht (onder meer) tot uiting in artikel 495a Sv, dat de verplichting regelt voor minderjarige verdachten om persoonlijk op de zitting te verschijnen.

Het onderhavige besluit beoogt geen wijziging in dit uitgangspunt aan te brengen, maar bouwt hier juist op voort. Indien sprake is van een minderjarige verdachte, levert dit dan ook een contra-indicatie op die pleit tegen het gebruik van videoconferentie. Omdat voornoemd uitgangspunt reeds in de wet is neergelegd, is ervoor gekozen dit uitgangspunt niet ook (expliciet) op te nemen in het Besluit videoconferentie. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook reeds uit de artikelen 78a, tweede lid, Sr en 131a, tweede lid, Sv, volgt dat de horende (rechterlijke) ambtenaar de meningen en belangen van de procespartijen - waaronder in voorkomend geval die van de minderjarige verdachte - betrekt bij zijn beslissing om al dan niet gebruik te maken van videoconferentie. In de nota van toelichting is benadrukt dat het onderhavige besluit het uitgangspunt dat een minderjarige verdachte fysiek op de zitting verschijnt, niet beoogt te wijzigen.

Aan de redactionele bijlage bij het advies is tevens gevolg gegeven door de toevoeging van een nieuw onderdeel B aan artikel I van het ontwerpbesluit.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in artikel II van het ontwerpbesluit te bepalen dat het ontwerpbesluit in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Deze spoedige inwerkingtreding is wenselijk met het oog op de maatregelen in verband met de uitbraak van het COVID-19 virus. In verband hiermee heeft de Raad voor de rechtspraak op 15 maart 2020 besloten de rechtbanken en gerechtshoven vanaf 17 maart 2020 te sluiten en waar mogelijk urgente zaken met toepassing van videoconferentie te laten plaatsvinden. (zie noot 7) Omdat het onderhavige besluit het mogelijk maakt dat videoconferentie wordt toegepast in situaties waarin dat voorheen niet was toegestaan, is het gelet op het voorgaande wenselijk dat dit besluit zo spoedig mogelijk in werking treedt.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Justitie en Veiligheid

Voetnoten

(1) Artikel 2, eerste lid, van het Besluit videoconferentie luidt:

In de navolgende gevallen wordt geen gebruik gemaakt van videoconferentie:

a. ten aanzien van een minderjarige verdachte of veroordeelde, vanaf de fase van de inbewaringstelling;

b. ten aanzien van de verdachte indien ten aanzien van hem het vermoeden bestaat van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens;

c. ten aanzien van de verdachte van een zedenmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

d. ten aanzien van de verdachte van een strafbaar feit waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen;

e. ten aanzien van de verdachte indien het slachtoffer ter zitting gebruik maakt van het spreekrecht.

(2) Zie Artikelsgewijze toelichting artikel I, onderdeel A.

(3) Zie artikel 131a, tweede lid Sv juncto artikel 78a Sr.

(4) Zie Artikelsgewijze toelichting artikel I, onderdeel A.

(5) Zie hiervoor ook artikel 8 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn.

(6) Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PbEU 2016, L 132).

(7) Raad voor de rechtspraak 15 maart 2020, zie https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/laatste-informatie-mbt-uitbraak-coronavirus.aspx