Ontwerpbesluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi.
- Kenmerk
- W16.19.0326/II
- Datum aanhangig
- 17 oktober 2019
- Datum vastgesteld
- 30 oktober 2019
- Datum advies
- 30 oktober 2019
- Datum publicatie
- 27 november 2019
- Vindplaats
- Staatscourant 2019, nr. 65529
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 17 oktober 2019, no.2019002206, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit bevat een uitwerking van de regeling ten aanzien van weigerende observandi die bij de Wet forensische zorg (Wfz) wordt ingevoerd. Indien een verdachte weigert mee te werken aan het pro justitia onderzoek, kan de officier van justitie op grond van deze regeling aan een multidisciplinaire commissie de last geven om medische gegevens op te vragen bij artsen en behandelaars van de verdachte. Het ontwerpbesluit voorziet in nadere regels over de werkwijze, de geheimhouding en de besluitvorming van de multidisciplinaire commissie, alsmede over de gegevens in het advies.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de verplichting van de behandelaar om een afschrift van het gehele medisch dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus aan de commissie over te dragen. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.
1. Achtergrond
Het ontwerpbesluit bevat een uitwerking van de regeling ten aanzien van weigerende observandi die bij de Wet forensische zorg (Wfz) wordt ingevoerd. (zie noot 1) Met de Wfz wordt in het Wetboek van Strafrecht (Sr) een regeling opgenomen die beoogt het probleem van de weigerende observandi terug te dringen. De hoofdlijnen van deze regeling houden het volgende in. Indien een verdachte weigert mee te werken aan het pro justitia onderzoek, kan de officier van justitie aan een multidisciplinaire commissie de last geven om medische gegevens op te vragen bij (voormalige) artsen en behandelaars van de verdachte. De commissie beoordeelt de bruikbaarheid van deze gegevens en adviseert daarover de officier van justitie. Als de officier deze gegevens wil (laten) gebruiken moet hij daartoe een machtiging vorderen bij de penitentiaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Indien de penitentiaire kamer deze machtiging verleent, worden de gegevens verstrekt aan de rapporteurs, zodat zij deze kunnen betrekken in hun oordeel over de aanwezigheid van een eventuele stoornis.
Volgens het nieuwe artikel 37a, negende lid, Sr worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de werkwijze, de geheimhouding en de besluitvorming van de multidisciplinaire commissie, alsmede over de gegevens in het advies. Het ontwerpbesluit voorziet daarin.
2. Verstrekking van het gehele medisch dossier
De behandelaar is op grond van het ontwerpbesluit verplicht om een afschrift van het gehele medisch dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus aan de multidisciplinaire commissie te verstrekken. Verschillende adviesinstanties hebben in het kader van de consultatie fundamentele kritiek geuit op deze verplichting. Zij menen dat hier sprake is van een disproportionele doorbreking van het medisch beroepsgeheim. (zie noot 2)
In de toelichting wordt uiteengezet waarom desondanks is vastgehouden aan de voorgestelde constructie. Dat de behandelaar het gehele medisch dossier dient te verstrekken, draagt volgens de toelichting bij aan een werkbare procedure met zo weinig mogelijk administratieve lasten. De doelstelling is echter primair een goede taakvervulling door de commissie en het borgen dat de rapporteurs alle gegevens ontvangen die relevant kunnen zijn voor het adviseren over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis. Doordat de commissie het gehele medisch dossier ontvangt, kan zij de gegevens zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien. Dat er geen voorselectie door de behandelaar plaatsvindt, draagt volgens de toelichting eveneens bij aan de uniformiteit en rechtsgelijkheid. (zie noot 3)
De Afdeling onderschrijft het belang van een goede taakvervulling door de commissie. Die moet ertoe leiden dat de rapporteurs op basis van alle beschikbare relevante gegevens kunnen adviseren over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij een weigerende observandus. De voorgestelde procedure is met veel waarborgen omkleed, waaronder een rechterlijke toets in twee instanties. De Afdeling onderkent voorts dat een procedure zoals voorgesteld in overeenstemming kan zijn met het EVRM. (zie noot 4)
De voorgestelde verplichting van de arts om het gehele medisch dossier aan de commissie over te dragen impliceert echter een ingrijpende inbreuk op het medisch beroepsgeheim. De Afdeling wijst erop dat bij doorbreking van het beroepsgeheim grote terughoudendheid dient te worden betracht. Voorts leidt de voorgestelde verplichting tot een inmenging in het privéleven van betrokkene in de zin van artikel 8 van het EVRM. De Afdeling mist in de toelichting een uiteenzetting over de verenigbaarheid van de voorgestelde verplichting met artikel 8 van het EVRM, in het bijzonder waar het de proportionaliteit en subsidiariteit betreft. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen dat de bescherming van medische gegevens essentieel is voor een effectief genot van het recht op eerbiediging van het privéleven. Een beperking van de vertrouwelijkheid van medische gegevens kan weliswaar gerechtvaardigd zijn door strafrechtelijke belangen, maar een dergelijke beperking is wel onderworpen aan een indringende toets. (zie noot 5)
In dit licht merkt de Afdeling nog op dat het medisch dossier van de verdachte ook gevoelige informatie over derden kan bevatten. Tot slot is hier van belang dat de penitentiaire kamer ook een machtiging voor verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs kan afgeven, wanneer de commissie van oordeel is dat het medisch dossier geen bruikbare gegevens bevat. In die uitzonderlijke situatie wordt het gehele medisch dossier niet alleen aan de commissie, maar ook aan de rapporteurs verstrekt.
De Afdeling adviseert de toelichting in verband met het voorgaande aan te vullen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 november 2019
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft opmerkingen gemaakt over de voorgestelde verplichting voor behandelaars om een afschrift van het gehele dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus aan de multidisciplinaire commissie te verstrekken. In verband daarmee wordt geadviseerd om de toelichting aan te vullen door een uiteenzetting op te nemen over de verenigbaarheid van deze verplichting met artikel 8 van het EVRM. Op deze opmerkingen zal hieronder worden ingegaan.
1. Achtergrond
2. Verstrekking van het gehele medische dossier
Met veel genoegen constateer ik dat de Afdeling het belang van een goede taakvervulling door de multidisciplinaire commissie onderschrijft. Die goede taakvervulling moet ertoe leiden dat de rapporteurs op basis van alle beschikbare relevante gegevens kunnen adviseren over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij een weigerende observandus. Ook doet het me deugd dat de Afdeling met mij van oordeel is dat de voorgestelde procedure met veel waarborgen is omkleed en dat ook de Afdeling onderkent dat een procedure zoals voorgesteld in overeenstemming kan zijn met het EVRM.
In het advies staat centraal de in het ontwerpbesluit opgenomen verplichting voor behandelaars om een afschrift van het gehele medische dossier met betrekking tot de behandeling van een weigerende observandus te verstrekken aan de multidisciplinaire commissie. Aan het advies van de Afdeling om in de nota van toelichting in te gaan op de verenigbaarheid van deze verplichting met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is gevolg gegeven. De toelichting is op dit punt aangevuld. In de aanvullend opgenomen paragraaf (3.1) wordt ook aandacht besteed aan de mogelijk in een medisch dossier opgenomen gevoelige informatie over derden en aan de uitzonderlijke situatie waarin het gehele medische dossier aan de pro Justitia-rapporteurs wordt verstrekt, de twee onderwerpen die de Afdeling in dit verband specifiek benoemt.
Van de gelegenheid is voorts gebruik gemaakt om enkele andere verduidelijkingen en aanscherpingen aan te brengen in het besluit en de toelichting, waaronder de begripsbepaling van weigerende observandus, alsmede enkele redactionele verbeteringen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister voor Rechtsbescherming
Voetnoten
(1) Wet van 24 januari 2018, Stb. 2018, 38.
(2) Zie de adviezen van GGZ-NL, KNMG/NIP/NVvP/MIND en de RSJ.
(3) Nota van toelichting, paragraaf 2.2 (Werkwijze, besluitvorming en advies van de commissie) en Artikelsgewijs bij artikel 2.3.
(4) Vergelijk EHRM 25 februari 1997, appl.no. 22009/93 (Z. tegen Finland).
(5) EHRM 25 februari 1997, appl.no. 22009/93 (Z. tegen Finland).