Voorstel van wet van de leden Teeven en Weekers tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van een burger die zich beroept op noodweer.
- Kenmerk
- W03.08.0131/II
- Datum aanhangig
- 9 april 2008
- Datum vastgesteld
- 11 juni 2008
- Datum advies
- 13 juni 2008
- Datum publicatie
- 22 april 2022
- Vindplaats
- Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 31407, nr. 4
- Justitie en Veiligheid
- Initiatiefwet
Toon inhoud
Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 april 2008 heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Teeven en Weekers tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van een burger die zich beroept op noodweer, met memorie van toelichting.
Met het wetsvoorstel wordt beoogd de positie van een verdachte die beroep doet op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te versterken.
Het recht van burgers op zelfbescherming wordt volgens de toelichting op twee gebieden uitgebreid:
1. gevallen van noodweer tegen een onmiddellijke dreiging van een wederrechtelijke aanranding komen onder het eerste lid van het artikel te vallen;
2. in gevallen waarin de aanranding gepaard gaat met huisvrede- of lokaalvredebreuk, wordt met het invoegen van een nieuw tweede lid in artikel 41 Sr de tegen de aanranding gerichte verdediging verondersteld gerechtvaardigd te zijn.
Met de eerste uitbreiding is een codificatie van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad beoogd. De tweede uitbreiding beoogt het scheppen van een rechtsvermoeden van noodzakelijk noodweer voor situaties waarin de uit noodweer handelende burger bij de aanranding wordt geconfronteerd met huisvrede- of lokaalvredebreuk, als misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 138, eerste lid, Sr.
Daarnaast wordt in het voorgestelde artikel 62b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geregeld dat een aantal dwangmiddelen in beginsel niet kan worden toegepast ten aanzien van het slachtoffer dat zich tegen een aanval, gepaard gaande met huis- of lokaalvredebreuk, heeft verdedigd.
Volgens de toelichting komt het voorstel tegemoet aan een in de samenleving bestaande behoefte aan uitbreiding van het recht op zelfbescherming van burgers die het slachtoffer worden van een ernstig strafbaar feit. Met name in situaties waarin burgers in hun meest persoonlijke omgeving (hun woning, bedrijf, of het daarbij behorend erf) worden geconfronteerd met derden die hun veiligheid bedreigen, moet het, meer dan thans het geval is, mogelijk zijn dat burgers zich tegen die bedreigers beschermen. (zie noot 1) In de toelichting wordt verder opgemerkt dat onder het huidige recht een geslaagd beroep op zelfverdediging niet ondenkbaar is, maar dat degene die zich verdedigd heeft, vaak eerst zelf ook verdachte is. (zie noot 2)
1. De stelling in de toelichting dat in de samenleving behoefte bestaat aan uitbreiding van het recht op zelfbescherming van burgers wordt niet nader toegelicht. De Raad van State adviseert toe te lichten, waarom aanleiding bestaat om aan de gesignaleerde behoefte tegemoet te komen, als nu voorgesteld.
2. Het voorstel beoogt te bevorderen dat degene die zich tegen een aanranding verdedigt, niet zelf eerst als verdachte van een strafbaar feit wordt aangemerkt. (zie noot 3) Dat wordt door de voorgestelde artikelen 41, tweede lid, Sr en 62b Sv echter niet voorkomen. Deze bepalingen staan er immers niet aan in de weg dat de officier van justitie degene die zich tegen een aanranding heeft verdedigd, vervolgt. In de toelichting wordt er voorts niet op ingegaan dat de regeling (inclusief het ontnemen van de mogelijkheid tot toepassing van bepaalde dwangmiddelen) ook van toepassing zal zijn in gevallen waarin de beperking van de mogelijkheden om dwangmiddelen toe te passen minder op haar plaats kan zijn. De Raad adviseert in de toelichting daarop in te gaan.
3. In hun adviezen hebben de Adviescommissie Strafrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en het College van procureurs-generaal zich onder meer uitgelaten over het voorgestelde artikel 62b Sv. De Raad adviseert in de toelichting alsnog in te gaan op de in de adviezen gemaakte opmerkingen.
De Vice-President van de Raad van State
Reactie (op het advies) van de initiatiefnemer van 22 april 2022
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hierbij deel ik u mede dat ik dit initiatief van de uit de Kamer vertrokken leden Teeven en Weekers overneem en het wetsvoorstel intrek.
Het advies van afdeling advisering van de Raad van State wordt openbaar gemaakt door ter inzagelegging bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
Ellian
Voetnoten
(1) Memorie van toelichting, paragraaf 2.
(2) Memorie van toelichting, paragraaf 1.
(3) Memorie van toelichting, paragraaf 1.