Wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met de invoering van bijzondere procedurele bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 .


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2018, no.2018001129, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met de invoering van bijzondere procedurele bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 onder andere voor situaties waarin sprake is van een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit wijzigt de vergoeding van gefinancierde rechtsbijstand voor een tweetal procedures. Indien een vreemdeling via de procedure van ‘voorzienbare inwilliging’ daadwerkelijk een verblijfsvergunning krijgt toegekend, blijft vergoeding van rechtsbijstand voortaan achterwege (het zogenoemde ‘spoor 3’). Indien een verzoek van een vreemdeling versneld wordt afgedaan omdat de vreemdeling afkomstig is uit een zogenoemd ‘veilig land’ van herkomst, wordt de vergoeding voor gesubsidieerde rechtsbijstand verlaagd van 12 naar 4 punten (het zogenoemde ‘spoor 2’).

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft opmerkingen over het ontwerpbesluit die van dien aard zijn dat zij adviseert het besluit vast te stellen nadat daarmee rekening is gehouden. De aanpassingen van de puntenvergoeding zoals voorgesteld in het ontwerpbesluit dienen te worden betrokken bij de herziening van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand. Het gaat hier immers niet om technische maar om inhoudelijke wijzigingen waarvan niet is toegelicht dat sprake is van urgentie. De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit aan te houden totdat meer duidelijkheid is verkregen over de herziening van dit stelsel.

1. Noodzaak

Het ontwerpbesluit stelt voor om bij versnelde afdoening van een verzoek om een verblijfsvergunning van de vreemdeling die afkomstig is uit een zogenoemd ‘veilig land’ van herkomst (het zogenoemde ‘spoor 2’) de vergoeding van rechtsbijstand te verlagen van 12 naar 4 punten. De Minister heeft op vragen van de Eerste Kamer geantwoord dat de wijzigingen in het ontwerpbesluit moeten worden gezien als een technische aanpassing in verband met de invoering van de hiervoor genoemde nieuwe procedure. (zie noot 1) Omdat deze procedure sterke overeenkomsten vertoont met de procedure in Dublinzaken, wordt voor wat betreft de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener aansluiting gezocht bij die procedure, aldus de toelichting. Het ontwerpbesluit wijzigt eveneens de vergoeding voor gefinancierde rechtsbijstand bij de procedure van ‘voorzienbare inwilliging’ (het zogenoemde ‘spoor 3’). Rechtsbijstand in deze zaken komt voortaan niet meer voor financiering van overheidswege in aanmerking. Bij die procedure krijgt de vreemdeling waar hij om vraagt, namelijk internationale bescherming. Gelet hierop kan rechtsbijstand in de procedure achterwege blijven en is gefinancierde rechtsbijstand niet nodig, aldus de toelichting. (zie noot 2)

Reeds geruime tijd bestaat er een bredere discussie over de vergoeding van de gefinancierde rechtsbijstand. (zie noot 3) De Commissie Van der Meer, die de puntentoekenning in het stelsel voor rechtsbijstand in 2017 heeft geëvalueerd, concludeerde dat de huidige puntentoekenningen over vrijwel de gehele linie niet meer overeenkomen met de werkelijke tijdsbesteding door rechtsbijstandverleners die zij geacht worden uit te drukken. (zie noot 4) Volgens haar zou een extra bedrag van € 127 miljoen jaarlijks aan toevoegingssubsidies aan advocaten en mediators betaald moeten worden. In de beleidsreactie geeft de regering te kennen dat zij het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand gaat herzien binnen de bestaande budgettaire kaders. (zie noot 5) Zij wil daartoe samen met alle betrokken organisaties komen tot een gezamenlijk voorstel. Dit proces is nog niet afgerond.

Bij de voorgestelde wijziging, in ieder geval voor zaken in spoor 2, speelt de vraag hoeveel tijd door een rechtsbijstandsverlener aan een zaak wordt besteed en welke vergoeding daarom passend is. Daarmee is de voorgestelde wijziging niet slechts van technische aard, zoals ook blijkt uit hetgeen hierna wordt besproken onder punt 2. Gelet op het feit dat de regering momenteel in overleg is met het veld om te zoeken naar een duurzame oplossing voor het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand, wekt het bevreemding dat de vergoeding voor gefinancierde rechtsbijstand in het ontwerpbesluit eenzijdig wordt aangepast. De toelichting gaat ten onrechte niet in op de samenhang met de bredere discussie over het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand.

In dit kader is bovendien relevant dat de Europese Commissie onlangs een voorstel voor een Procedureverordening heeft aangenomen. Het voorstel verplicht lidstaten kosteloze rechtsbijstand te verstrekken aan vreemdelingen in de asielprocedure in eerste aanleg. (zie noot 6) Dit voorstel kent geen uitzonderingen zoals het ontwerpbesluit die introduceert. De toelichting gaat niet in op de verhouding van het ontwerpbesluit tot het voorstel voor een Procedureverordening.

Voorts blijkt uit de toelichting niet dat sprake is van urgentie wat betreft de aanpassing van de puntenvergoeding zoals voorgesteld in het ontwerpbesluit. Spoor 3 kan immers ook worden ‘aangezet’ als de rechtsbijstand conform de huidige systematiek moet worden gefinancierd. Daarmee heeft de staatssecretaris derhalve de beschikking over een voorziening om een verhoogde instroom van kansrijke vreemdelingen op te vangen. Tot op heden is ‘spoor 3’ echter niet in werking gesteld. Gezien de huidige instroom en wachttijden bestaat daar naar het oordeel van de regering op dit moment ook geen aanleiding toe. Ook bij zaken die worden afgedaan in spoor 2 is niet toegelicht dat sprake is van urgentie die er toe noopt de vergoeding nu aan te passen.

Nu niet is gebleken van urgentie en er geen sprake is van een technische maar van inhoudelijke wijzigingen dienen de aanpassingen van de puntenvergoeding zoals voorgesteld in het ontwerpbesluit te worden betrokken bij de herziening van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand. De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit aan te houden totdat meer duidelijkheid is over de herziening van dit stelsel.

Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.

2. Veilige landen

Verlaging van de vergoeding voor gefinancierde rechtsbijstand is gestoeld op de premisse dat bij een versnelde afwijzing op grond van het feit dat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van een rechtsbijstandverlener weinig inspanningen worden verwacht. Hoewel de groep mensen uit een veilig land van herkomst van wie de asielaanvragen versneld kunnen worden afgedaan aanzienlijk is, wijst de Afdeling er op dat als een vreemdeling afkomstig is uit een land dat is aangewezen als veilig land van herkomst de vreemdeling zowel die aanwijzing kan bestrijden (en ter toetsing aan de rechter voorleggen), als wel kan aanvoeren dat het land voor hém vanwege zijn persoonlijke situatie niet veilig is. In het eerste geval zal hij met algemene informatie uit objectieve bronnen op zijn minst aannemelijk moeten maken dat het rechtsvermoeden van de staatssecretaris niet klopt, dan wel dat de staatssecretaris de aanwijzing niet heeft gedaan overeenkomstig de daarvoor geldende procedure. In het tweede geval zal de rechtsbijstandverlener aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling moeten bezien hoe kan worden aangetoond dat het land voor de betreffende vreemdeling niet veilig is. Voor beide gevallen geldt dat van een rechtsbijstandverlener behoorlijke inspanningen worden gevergd.

Indien die inspanningen ertoe leiden dat de zaak inhoudelijk zal worden behandeld, is voorzien in verwijzing naar de algemene asielprocedure met bijbehorende financiering. Wordt echter niet verwezen naar de algemene asielprocedure, maar wordt de zaak versneld afgewezen, dan laat dit de inspanningen van de rechtsbijstandsverlener onverlet. Die inspanningen behoren voor een passende vergoeding in aanmerking te komen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling er zonder nadere toelichting niet van overtuigd dat versnelde afwijzingen van vreemdelingen uit een veilig land zodanig minder bewerkelijk zijn dat deze voor wat betreft de vergoeding gelijk moet worden gesteld met de vergoeding in Dublinzaken.

De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

3. Onthouden van gefinancierde rechtsbijstand bij voorzienbare inwilliging

De Afdeling wijst er op dat bij de reguliere asielprocedures standaard wordt voorzien in een rust- en voorbereidingstermijn, waarin de vreemdeling in de gelegenheid is het rapport van gehoor te bespreken met zijn raadsman. De raadsman krijgt hiervoor een toevoeging. Het bespreken van het gehoor is in het belang van zowel de vreemdeling als van Nederland, omdat het waarborgt dat de relevante gegevens in het gehoor juist zijn opgenomen. De aanwezigheid van een gefinancierde raadsman draag hier aan bij. Het ontbreken van rechtsbijstand bij het eerste gehoor in de procedure van voorzienbare inwilliging kan ertoe leiden dat er fouten in het gehoor terechtkomen. Weliswaar leidt een aanvraag via voorzienbare inwilliging op dat moment tot het gewenste resultaat, maar later kan het tot intrekking komen. Het ligt voor de hand dat de vreemdeling op een (veel) later moment bij de intrekking niet zo goed meer weet hoe eventuele omissies in het gehoor terecht zijn gekomen als direct na het gehoor. Een bespreking van het gehoor is eens te meer van belang wanneer een beroep wordt gedaan door gezinsleden om te mogen nareizen. De gegevens over bijvoorbeeld gezinsleden of pleegkinderen in de gehoren vormen namelijk de basis voor het gezinsherenigingsbeleid. Een (pleeg)kind dat in de gehoren niet is genoemd, komt ook niet voor gezinshereniging in aanmerking.

De Vreemdelingencirculaire kent een beleidsregel die er toe strekt dat wanneer de aanvraag is ingewilligd via de procedure van de voorzienbare inwilliging en de vreemdeling in die procedure niet is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, eventuele fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor, die daardoor in eerste instantie onopgemerkt zijn gebleven, niet in een vervolgprocedure (zoals intrekking of nareis) zullen worden tegengeworpen. (zie noot 7) De vreemdeling moet daarbij echter onderbouwen dat discrepanties tussen zijn verklaringen in de vervolgprocedure en het eerdere rapport van gehoor het gevolg zijn van fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor en dat daarvoor verschoonbare redenen zijn. De IND neemt minder snel aan dat sprake is van geloofwaardige verschoonbare redenen, als het aspecten betreft waarover de vreemdeling tijdens de eerdere asielprocedure uitgebreid en consistent heeft verklaard. Deze beleidsregel beoogt tegemoet te komen aan het ontbreken van rechtsbijstand in de procedure, maar het is zeer de vraag of dat afdoende is. De vreemdeling bevindt zich immers later in de procedure in een aanzienlijk nadeliger positie. De toelichting maakt niet duidelijk welk voordeel met het onthouden van gefinancierde rechtsbijstand staat tegenover dit aanzienlijke nadeel voor de vreemdeling en hoe deze tegen elkaar zijn afgewogen. Evenmin gaat de toelichting in op de vraag hoe het voorstel zich verhoudt tot het recht op een effectieve rechtsbescherming (artikel 13 EVRM, artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de EU) en het verdedigingsbeginsel.

De Afdeling adviseert de toelichting overeenkomstige het voorgaande aan te vullen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State

Nader rapport (reactie op het advies) van 10 december 2021

1. Noodzaak

Het advies van de Afdeling advisering om het ontwerpbesluit aan te houden totdat er meer duidelijkheid is over de herziening van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand, onder verwijzing naar het rapport van de commissie-Van der Meer uit 2017, is voor de regering mede aanleiding geweest het ontwerpbesluit na het uitbrengen van het advies van de Afdeling in 2018 niet op korte termijn verder in procedure te brengen. Thans is er wel aanleiding om tot vaststelling van het besluit en inwerkingtreding per 1 januari 2022 over te gaan, zoals hierna zal worden toegelicht.

In de ontwerpbegroting 2022 is € 154 mln. extra uitgetrokken voor de verbetering van de vergoedingen voor rechtsbijstandverleners in het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand, met het oog op het uitvoeren van scenario 1 van de commissie-Van der Meer per 1 januari 2022. (zie noot 8) Scenario 1 ziet op het doorvoeren van de door de commissie voorgestelde maatregelen zonder een beperking in de uitgaven. Hierbij is één punt gemiddeld één uur en wordt ervan uitgegaan dat een advocaat met 1.200 declarabele uren per jaar een redelijk inkomen moet kunnen verwerven, te weten op het niveau van schaal 12 voor rijksambtenaren. In dit scenario stijgen volgens de commissie de uitgaven met circa € 127 mln. excl. btw (€ 154 mln. incl. btw).

In zijn brief van 2 november 2021 aan de Tweede Kamer (zie noot 9) heeft het kabinet toegelicht op welke wijze scenario 1 per 1 januari 2022 zal worden uitgevoerd. Ook voor rechtsbijstand in asielzaken leidt dit tot een aanpassing van de vergoedingen over de volle breedte. Zoals aangekondigd in deze brief heeft de regering in dat kader bezien of het voorliggende ontwerpbesluit op korte termijn kan worden vastgesteld en in werking kan treden. Dat is inderdaad mogelijk en ook zeer gewenst. Nu de vergoedingen voor rechtsbijstand per 1 januari 2022 over de volle breedte worden aangepast conform scenario 1 van de commissie-Van der Meer, ligt het immers in de rede om tegelijkertijd over te gaan tot aanpassing van de vergoedingen voor rechtsbijstand aan het sporenbeleid, met als doel deze vergoeding in lijn te brengen met de daadwerkelijk aan dergelijke zaken bestede uren.

De aanpassing van de vergoeding op grond van het ontwerpbesluit is in feite niet meer dan het logische vervolg op het besluit waarbij in het Vb 2000 is voorzien in verschillende bijzondere procedures (het sporenbeleid). Dat de commissie-Van der Meer concludeerde dat de huidige puntentoekenningen over vrijwel de gehele linie niet meer overeenkomen met de werkelijke tijdsbesteding door rechtsbijstandverleners, is reden om de herziening van het stelsel voor rechtsbijstand ter hand te nemen. De aanpassing van de vergoedingen voor rechtsbijstand conform scenario 1 van de commissie-Van der Meer is daarvan een wezenlijk onderdeel. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met het feit dat in bepaalde procedures die met het sporenbeleid zijn geïntroduceerd daadwerkelijk minder werk wordt verricht en dat de huidige puntentoekenning voor die procedures daarmee niet in de juiste verhouding staat tot het geleverde werk. Gelet daarop wordt in dit ontwerpbesluit geregeld wat, gezien de kortere en efficiëntere procedures, redelijke vergoedingen voor rechtsbijstand zijn. In combinatie met de uitvoering van het rapport van de commissie-Van der Meer worden hiermee de puntentoekenningen voor asielrechtsbijstand ook meer in evenwicht gebracht. Daarbij past de kanttekening dat in het onderzoek van de commissie-Van der Meer nog niet voldoende rekening kon worden gehouden met de invoering van het sporenbeleid, omdat die invoering ten tijde van het onderzoek (2016/2017) pas kortgeleden had plaatsgevonden.

Dat de procedure bij evidente inwilliging (spoor 3) nog niet is geactiveerd, betekent niet dat met de vaststelling van het besluit nog langer kan worden gewacht. Het is immers wenselijk dat de regelgeving is aangepast indien op enig moment wordt besloten de procedure toe te passen. Voor de procedure die ziet op vreemdelingen die afkomstig zijn uit veilige landen van herkomst (spoor 2) geldt dat hier, zoals gezegd, in wezen al sinds de introductie ervan een vergoeding wordt toegekend die niet in de juiste verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden. De vergoeding voor deze procedure wordt met dit ontwerpbesluit vastgesteld op 4 punten, gelijk aan de vergoeding voor de procedure in Dublinzaken, welke procedure een vergelijkbaar tijdsbeslag van de rechtshulpverlener vraagt. Daarbij geldt dat op grond van de anticiperende beleidsregel die per 1 januari 2022 in werking zal treden (zie voor een nadere toelichting de eerdergenoemde brief van 2 november 2021) de vergoeding voor beide categorieën zaken zal worden verhoogd naar 6 punten.

Over het voorstel van de Europese Commissie voor een Procedureverordening, waarin onder meer wordt voorgesteld kosteloze rechtsbijstand te verstrekken gedurende de asielprocedure in eerste aanleg, wordt inmiddels meerdere jaren onderhandeld. In de onderhandelingen over de verordening is inmiddels gebleken dat er bij de meeste andere lidstaten weerstand is tegen dit onderdeel van het voorstel van de Europese Commissie. Nederland heeft er bij die onderhandelingen steeds op ingezet dat het aan de lidstaten zou moeten zijn om in de administratieve fase te bepalen wanneer een aanvrager recht heeft op gefinancierde rechtsbijstand. Er is momenteel geen reden vooruit te lopen op de uitkomst van de onderhandelingen.

2. Veilige landen

Inderdaad kan een vreemdeling die afkomstig is uit een land dat is aangewezen als veilig land van herkomst, zowel die aanwijzing bestrijden, als aanvoeren dat het land voor hém vanwege zijn persoonlijke situatie niet veilig is. Volgens de regering betekent dat, anders dan de Afdeling advisering veronderstelt, echter niet dat voor beide gevallen steeds geldt dat van een rechtsbijstandverlener behoorlijke inspanningen worden gevergd. Dat sprake is van een afname van het aantal contactmomenten tussen rechtsbijstandverlener en de vreemdeling is niet de enige reden dat rechtsbijstandverleners in de versnelde procedure in alle gevallen voortaan evenveel punten ontvangen als voor rechtsbijstand in een zogeheten Dublinprocedure.

De bewijslast met betrekking tot de situatie in veilige landen van herkomst ligt in eerste instantie bij de IND en in de praktijk wordt waargenomen dat rechtsbijstandverleners over veilige landen van herkomst vaak standaard standpunten innemen op de door de IND eveneens standaardmatig gebezigde motivering. Over een aanzienlijk aantal landen dat als veilig wordt aangemerkt is er een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met de strekking dat het betreffende land terecht op de lijst veilige landen staat. Daarom kan meestal worden volstaan met de beoordeling of eventuele actuele informatie tot een ander oordeel leidt.

Vanzelfsprekend moet ook worden gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, maar in gevallen waarin de aanvraag in spoor 2 kan worden afgedaan, zullen deze slechts in uitzonderingsgevallen een belangrijke rol spelen. Indien gerede twijfel bestaat over de vraag of een op zichzelf veilig land, ook voor de betreffende vreemdeling veilig is, zal worden aangenomen dat de betreffende zaak niet in de versnelde procedure kan worden afgedaan. Het valt niet goed in te zien dat het steeds veel extra inspanningen vergt om aan te tonen dat van zo’n bijzonder geval sprake is. Die beoordeling wordt in beginsel verricht aan de hand van het individuele asielrelaas zoals dat door de vreemdeling tijdens het gehoor naar voren wordt gebracht, de inbreng van de rechtsbijstandsverlener zal daarbij doorgaans van ondergeschikt belang zijn. Vanzelfsprekend kan nooit worden uitgesloten dat in bepaalde gevallen vanwege de bijzonderheden van de zaak er toch redenen zijn om uitvoeriger rechtsbijstand te verlenen. Dat zal naar verwachting echter in zo weinig zaken aan de orde zijn, dat het meerwerk dat de rechtsbijstandverlener in die gevallen moet verrichten, wordt gecompenseerd door het gegeven dat andere zaken die in spoor 2 worden afgedaan relatief eenvoudig zijn. Dit past binnen het forfaitaire systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand, dat uitgaat van onderlinge uitmiddeling van zaken waarin relatief meer of juist minder inspanningen vereist zijn.

De toelichting van het besluit is op dit punt aangevuld.

3. Onthouden van gefinancierde rechtsbijstand bij voorzienbare

De procedure bij voorzienbare inwilliging wordt momenteel niet toegepast. Voor het inwerking stellen van deze procedure is een separaat besluit nodig van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van het gevoelen van de ministerraad. Voor toepassing van deze procedure zal alleen in uitzonderlijke omstandigheden aanleiding zijn. Er zal sprake moeten zijn van een situatie waarin de instroom zodanig is dat met toepassing van de normale procedures niet op verantwoorde wijze binnen de geldende termijnen kan worden besloten.

Omdat de vreemdeling krijgt waar hij om heeft gevraagd, namelijk internationale bescherming, kan rechtsbijstand in deze procedure achterwege blijven en is gesubsidieerde rechtsbijstand dus niet nodig. Dat een dergelijk besluit tot op heden niet is genomen en daar op dit moment ook geen aanleiding voor bestaat, doet er niet aan af dat toekomstige ontwikkelingen daartoe kunnen nopen. Indien dat op enig moment het geval is, is niet alleen van belang dat deze procedure kan worden gevolgd maar dat eveneens de regels voor rechtsbijstand hieraan zijn aangepast. Zeker in zo’n situatie zal niet goed te rechtvaardigen zijn dat een vergoeding wordt gegeven voor werk dat niet hoeft te worden verricht. Dit - in de woorden van de Afdeling advisering -  ‘voordeel’ weegt op tegen de belangen van de vreemdeling, niet in de laatste plaats omdat de regering de gevolgen van de maatregel voor de vreemdeling niet zo nadelig inschat als de Afdeling advisering lijkt te doen. De maatregel staat volgens de regering dan ook niet op gespannen voet met het recht op een effectieve rechtsbescherming (artikel 13 EVRM, artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de EU) en het verdedigingsbeginsel.

Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat het doorlopen van deze procedure zonder rechtsbijstandverlener onvoldoende waarborgen biedt indien deze procedure in de toekomst zal worden toegepast. Steeds zal worden gewaarborgd dat de relevante informatie in het asieldossier wordt opgenomen. In dit verband is van belang dat iedere asielzoeker een zogeheten aanmeldformulier dient in te vullen. Op dit formulier moet ook voor eventuele nareis relevante informatie worden vermeld. Deze informatie zal worden geverifieerd in het daaropvolgende gehoor waarbij een tolk aanwezig is. Tijdens de procedure verstrekt de IND bovendien de nodige informatie over gezinshereniging. Mocht bij toepassing van de procedure blijken dat in de praktijk toch onduidelijkheden rijzen dan kan dit door een uitgebreidere informatieverstrekking zo nodig geheel  worden ondervangen.

Verder kan een asielzoeker, desgewenst na ontvangst van het inwilligend besluit, alsnog correcties en aanvullingen, nadere verklaringen of bewijsmateriaal overleggen. Dit is echter geen verplichting en het niet gebruik maken van deze mogelijkheid zal niet aan de asielzoeker worden tegengeworpen.

Verblijfsvergunningen die zijn verleend in de procedure bij voorzienbare inwilliging kunnen, net als in de normale procedure verleende asielvergunningen, worden ingetrokken. Daar kan bijvoorbeeld aanleiding voor bestaan indien de omstandigheden op grond waarvan de bescherming is geboden niet langer bestaan of zodanig gewijzigd zijn dat bescherming niet langer nodig is of openbare orde aspecten daartoe nopen. Dat sprake is van zo’n situatie zal echter niet licht worden aangenomen. De IND moet in alle gevallen een beslissing om tot intrekking van een asielvergunning over te gaan goed kunnen onderbouwen en de vreemdeling wordt in dat geval voorafgaand aan de beslissing ook steeds gehoord. De bewijslast ligt dus allereerst bij de IND en niet bij de vreemdeling. Tijdens zo’n procedure over het intrekken van een verblijfsvergunning asiel en in beroep heeft de vreemdeling recht op gesubsidieerde rechtsbijstand.

Zoals de Afdeling advisering signaleert, is naar aanleiding van een motie van de Tweede Kamerleden Gesthuizen en Sjoerdsma (zie noot 10) in de Vreemdelingencirculaire 2000 een beleidsregel opgenomen die er toe strekt dat wanneer de aanvraag is ingewilligd in de procedure voor evidente inwilligingen en de vreemdeling in die procedure niet is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, eventuele fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor, die daardoor in eerste instantie onopgemerkt zijn gebleven, niet in een vervolgprocedure (zoals intrekking of nareis) zullen worden tegengeworpen. (zie noot 11)

Inderdaad moet een vreemdeling onderbouwen dat de discrepanties het gevolg zijn van fouten, onvolkomenheden of misverstanden in het rapport van gehoor en toelichten dat daarvoor verschoonbare redenen zijn. In dit verband is van belang dat voorafgaand aan een gehoor uitdrukkelijk wordt meegedeeld dat het gehoor wordt gehouden om duidelijkheid te krijgen over de redenen waarom de betrokkene zijn land van herkomst heeft verlaten en dat mede op basis van dat gehoor een beslissing wordt genomen op de asielaanvraag. De vreemdeling wordt voorts de verzekering gegeven dat hij in vrijheid kan spreken, dat alles wat wordt besproken vertrouwelijk wordt behandeld, dat de autoriteiten van het land van herkomst nooit zal worden gemeld dat de betrokkene asiel in Nederland heeft aangevraagd en dat informatie in het dossier nimmer aan de autoriteiten van het land van herkomst of aan derden wordt verstrekt zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, tenzij dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Nederlandse wet (waaronder de Vreemdelingenwet 2000 en het houden van toezicht op vreemdelingen). Benadrukt wordt dat het belangrijk is om de waarheid te spreken, geen gegevens betreffende de asielaanvraag achter te houden en dat de asielaanvraag kan worden afgewezen wanneer de vragen niet volledig en naar waarheid worden beantwoord. Als een vreemdeling ervoor kiest om tijdens het gehoor bepaalde zaken niet, onjuist of onvolledig te melden, komen de consequenties daarvan dan ook in de eerste plaats voor zijn rekening.

Het is zeker niet de bedoeling de vreemdeling een bewijsopdracht op te leggen waaraan hij niet of slechts met moeite kan voldoen. Gelet op de waarborgen waarmee een gehoor is omgeven en hetgeen van de vreemdeling, ook indien er geen nabespreking van dat gehoor met een rechtsbijstandverlener plaatsvindt, mag worden verwacht, is het echter niet wenselijk dat de waarde van het verslag van dit gehoor in toekomstige procedures eenvoudig kan worden ondergraven. Als wordt teruggekomen op in het eerdere gehoor opgetekende expliciete verklaringen, zal minder snel aanleiding bestaan om vraagtekens te plaatsen bij het verslag van het eerdere gehoor dan wanneer - bijvoorbeeld - sprake is van relevante aspecten die bij het eerdere gehoor kennelijk niet zijn besproken. Daarom is in de betreffende beleidspassage opgenomen dat de IND minder snel zal aannemen dat sprake is van geloofwaardige verschoonbare redenen als het aspecten betreft waarover de vreemdeling tijdens de eerdere asielprocedure uitgebreid en consistent heeft verklaard.

De procedure bij voorzienbare inwilliging wordt, als gezegd, momenteel niet toegepast. De situatie waarop de beleidsregel ziet kan zich thans dan ook niet voordoen. Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat deze beleidsregel, als toepassing daarvan in de toekomst aan de orde zal zijn, onredelijk zal uitpakken. Als blijkt dat dit toch gebeurt, kan en zal het beleid vanzelfsprekend snel worden aangepast.

Voorts kan de vraag of discrepanties terecht zijn tegengeworpen uiteraard in iedere individuele zaak worden voorgelegd aan de rechter, die rekening zal houden met alle omstandigheden van het geval.

De toelichting van het besluit is op dit punt aangevuld.

In het ontwerp zijn voorts nog enkele aanvullingen, actualiseringen en redactionele verbeteringen doorgevoerd.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister voor Rechtsbescherming

Voetnoten

(1) Kamerstukken I 2016/17, 34 550 VI, S, p. 3.
(2) Toelichting, onder 4.
(3) Zie daartoe onder meer de rapporten van de commissie-Wolfsen, Herijking rechtsbijstand. Naar een duurzaam stelsel voor de gesubsidieerde rechtsbijstand’, 2015; Commissie-Barkhuysen, Duurzaam stelsel gefinancierde rechtsbijstand’, 2015; Commissie Van der Meer, Andere tijden: Evaluatie puntentoekenning in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, 2017.
(4) Commissie Evaluatie puntentoekenning in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, Andere tijden, oktober 2017.
(5) Kamerstukken II 2017/18, 31 753, nr. 143.
(6) Streven is Procedurerichtlijn 2013/32/EU  van het Europees Parlement  en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke  procedures  voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)  (PB 2013 L 180) te vervangen door een Procedureverordening. Zie het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (COM/2016/0467).
(7) Artikel 2.8.1 Vc 2000 (C).
(8) Kamerstukken II 2020/21, 31753, nr. 239.
(9) Kamerstukken II 2021/22, 31753, nr. 246.
(10) Kamerstukken II 2015/16, 19 637, nr. 2143.
(11) Zie C1/2.8.1. Vc 2000.