Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs.


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 7 juli 2022, no.2022001478, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs, de verstrekking van een tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd en de verruiming van de 1-februariregeling voor ho-studenten die zijn doorgestroomd vanuit het mbo (Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel regelt onder andere de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs en de uitbreiding van de aanvullende beurs naar studenten met ouders die een middeninkomen verdienen (tot € 70.000). Ook voorziet het voorstel in een tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel (meestal aangeduid als leenstelsel) hebben gestudeerd.

De Afdeling advisering van de Raad van State is zich bewust van maatschappelijke ontwikkelingen, het belang van studentenwelzijn en het publieke debat ten aanzien van het leenstelsel. Zij heeft er in dat licht bezien begrip voor dat de regering maatregelen wil treffen. Omdat de voorgestelde herinvoering van de basisbeurs een structurele herziening van het studiefinancieringsstelsel betreft, is echter een dragende motivering noodzakelijk. Dit moet worden beredeneerd vanuit de doelstellingen van het studiefinancieringsstelsel en bezien in het licht van de bestendigheid van het stelsel op de langere termijn.

De Afdeling begrijpt dat de regering het mislopen van de basisbeurs voor een generatie studenten wrang vindt en dat daaruit de wens voortkomt om een gebaar te maken. Zij adviseert echter om te voorzien in een dragende motivering voor de tegemoetkoming. Een onverplichte tegemoetkoming zoals hier aan de orde zal, mede met het oog op voorkoming van precedentwerking, namelijk beperkt moeten blijven tot bijzondere gevallen. Daartoe zal een toereikende motivering gegeven moeten worden, waarin het bijzondere karakter van de omstandigheden van de betreffende studenten beargumenteerd wordt.

In verband met de geconstateerde tekortkomingen ten aanzien van de motivering van de herinvoering van de basisbeurs en de tegemoetkoming dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.

1. Inhoud van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel regelt de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs met ingang van het studiejaar 2023-2024. Voorts wordt de aanvullende beurs verbreed voor middeninkomens tot € 70.000. Voor deze maatregelen is structureel € 1,17 miljard beschikbaar, op basis van de afspraken in het coalitieakkoord en de voorgenomen afschaffing van de halvering van het collegegeld. (zie noot 1)

Daarnaast wordt, bij wijze van gebaar, een tegemoetkoming verstrekt aan de generatie studenten die onder het studievoorschotstelsel heeft gestudeerd en de basisbeurs heeft moeten missen. (zie noot 2) Voor de tegemoetkoming is eenmalig € 1 miljard beschikbaar op basis van de afspraken in het coalitieakkoord. (zie noot 3)

De voorwaarden om de lening in het hoger onderwijs terug te betalen, zoals ingevoerd bij de Wet studievoorschot hoger onderwijs (het leenstelsel), blijven grotendeels gehandhaafd. Wel wordt het maximale leenbedrag verminderd met het bedrag van de basisbeurs voor uitwonende studenten. (zie noot 4)

Verder worden de studievoorschotvouchers voor studenten die in de periode van september 2015 tot en met augustus 2019 studeerden, na 1 augustus 2023 omgezet in een korting op hun schuld of een contante betaling. (zie noot 5) Ook wordt de bijverdiengrens in het mbo geschrapt en niet heringevoerd in het hoger onderwijs. (zie noot 6)

Ten slotte bevat het wetsvoorstel een verruiming van de 1-februari regeling voor mbo-gediplomeerden die doorgaan in het hoger onderwijs. Hierdoor kunnen deze studenten - in plaats van nu nog maximaal vijf maanden - maximaal twaalf maanden een opleiding in het hoger onderwijs volgen zonder dat zij bij het staken van die opleiding de ontvangen prestatiebeurs dienen terug te betalen. (zie noot 7)

2. Ratio en opzet van het studiefinancieringsstelsel

Nederland kent sinds de negentiende eeuw vormen van studiefinanciering. (zie noot 8)

Oorspronkelijk beoogde de overheid met het beschikbaar stellen van beurzen de omvang en kwaliteit van voor de staat essentiële beroepsgroepen, zoals onderwijzers in het lager onderwijs, te vergroten. Daarnaast werden er studiebeurzen verstrekt die de grootste talenten onder het volk in staat moesten stellen zich te ontwikkelen, niet gehinderd door gebrek aan financiële middelen. Die persoonlijke ontwikkeling zou niet alleen het individuele belang dienen, maar ook het algemeen belang: de hele samenleving zou later voordeel hebben van de kennis en kunde van deze talenten.

Een derde reden was het ideaal van sociale rechtvaardigheid, dat in de twintigste eeuw de grondslag vormde voor het streven naar meer gelijke toegankelijkheid tot het onderwijs. Daaraan lag ook de gedachte ten grondslag dat de maatschappij veel profijt heeft van een zo hoog mogelijk opgeleide beroepsbevolking en dat toegang tot het hoger onderwijs op basis van talent en inzet zou moeten plaatsvinden, in plaats van op afkomst, inkomen of vermogen. Bij de invoering van de basisbeurs in 1986 kwam daar nog een vierde doelstelling bij, het realiseren van (aanzienlijke) financiële onafhankelijkheid van studenten ten opzichte van hun ouders. Aldus is studiefinanciering een inkomensvoorziening voor studenten en een vorm van lastenverlichting voor hun ouders geworden, en een instrument van sociaal beleid en inkomensverdeling.

De kosten van levensonderhoud en studie worden gedragen door drie partijen: overheid, studenten en ouders. De omvang van de betreffende bijdragen, en van de specifieke modaliteiten van de bijdrage van de overheid - basisbeurs, inkomensafhankelijke aanvullende beurs, lening - wordt in sterke mate bepaald door de doelstellingen die de overheid nastreeft. Op basis van beleidswijzigingen en mede gestuurd door budgettaire ontwikkelingen verschuift de prioritering van de doelstellingen, en daarmee de verdeling in de bijdragen van de drie betrokken partijen.

3. Afschaffing en herinvoering basisbeurs

a. Wet studievoorschot hoger onderwijs
De studiefinanciering in het hoger onderwijs bestond lange tijd uit een basisbeurs voor iedere student, een aanvullende inkomensafhankelijke beurs en leenfaciliteiten. Met ingang van het studiejaar 2015-2016 is de basisbeurs door de Wet studievoorschot hoger onderwijs vervangen door een zogenoemd studievoorschot (lening), met tegelijkertijd meer leenruimte en soepeler aflossingsvoorwaarden. (zie noot 9) De aanvullende beurs voor lagere inkomens is verhoogd met ongeveer de helft van de toenmalige basisbeurs.

Aan de invoering van dit zogenoemde leenstelsel lag de volgende argumentatie ten grondslag. Geconfronteerd met de steeds hogere kosten van de basisbeurs vanwege de voortgaande toename van het aantal studenten in het hoger onderwijs en de toenmalige financiële krapte enerzijds, en de noodzaak van investeringen in de kwaliteit van dit onderwijs anderzijds, zag de wetgever zich genoodzaakt scherpe keuzes te maken.

Er is voor gekozen om meer middelen in te zetten voor de kwaliteit van het hoger onderwijs, en te korten op de studiefinanciering door het schrappen van de basisbeurs, onder behoud en verhoging van de inkomensafhankelijke aanvullende beurs. Het schrappen van de basisbeurs werd verdedigbaar geacht, vanwege het grote individuele profijt dat de student van zijn studie zou hebben. Daarmee verbonden was het argument dat de basisbeurs tot een ongewenste vorm van denivellering leidde: de samenleving als geheel, gesymboliseerd door de bakker, moest betalen voor de opleiding van de toekomstige advocaat. (zie noot 10)

b. Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs
Met de Wet studievoorschot hoger onderwijs is derhalve een deel van de lasten van de overheid naar studenten en ouders verschoven, waardoor de onafhankelijkheid van studenten ten opzichte van hun ouders is verminderd. (zie noot 11) Het wetsvoorstel maakt een omgekeerde beweging. De kern van het voorstel wordt gevormd door de terugkeer van de basisbeurs als structureel onderdeel van het stelsel van studiefinanciering en de verbreding van de aanvullende beurs tot studenten met ouders met een inkomen van maximaal € 70.000.

Daarnaast blijven leenfaciliteiten bestaan, met behoud van de huidige, bij het leenstelsel geïntroduceerde soepele aflossingsvoorwaarden. De toelichting neemt als vertrekpunt de afspraak in het coalitieakkoord voor herinvoering van een basisbeurs voor een structureel bedrag van € 1miljard, waarvan ook drie aanvullende maatregelen worden gefinancierd. (zie noot 12) De middelen die vrijvallen door de afschaffing van de halvering van het collegegeld worden ingezet om de inkomensgrens voor de aanvullende beurs te verhogen.

4. Doelstellingen en bestendigheid herinvoering basisbeurs

De Afdeling is zich bewust van maatschappelijke ontwikkelingen, het belang van studentenwelzijn en het publieke debat ten aanzien van het leenstelsel. Zij heeft er in dat licht bezien begrip voor dat de regering maatregelen wil treffen die hieraan tegemoet komen. De Afdeling kan zich vinden in de verbreding van de aanvullende beurs tot middeninkomens (tot € 70.000). (zie noot 13) Dit geldt ook voor de vergroting van de toegankelijkheid door verruiming van de 1-februari regeling, ter bevordering van de doorstroom van mbo naar hbo. (zie noot 14)

De herinvoering van de basisbeurs is echter een structurele herziening van het studiefinancieringsstelsel. Nu de regering relatief kort na het afschaffen van de basisbeurs deze opnieuw wil invoeren, acht de Afdeling een dragende motivering noodzakelijk, beredeneerd vanuit de doelstellingen van het studiefinancieringsstelsel en bezien in het licht van de bestendigheid van het stelsel op de langere termijn.

a. Doelstellingen
De toelichting stelt dat de argumenten die aan de invoering van het leenstelsel ten grondslag lagen nog steeds in grote lijnen relevant zijn en niet minder geldig zijn geworden. Zij dienen evenwel anders te worden gewogen, mede in het licht van nieuwe ontwikkelingen die bij de totstandkoming van het leenstelsel onderbelicht of niet voorzien waren. Daarbij wordt gewezen op de nadelige effecten van lenen en schulden (zoals stress gerelateerde klachten) op het welzijn en de kansen van studenten. De directe samenhang met studieschulden is evenwel moeilijk aan te tonen. (zie noot 15) Verder zou herinvoering van de basisbeurs bijdragen aan vermindering van de ongelijkheid tussen generaties en van de cumulatie van risico’s (met betrekking tot klimaat, woningmarkt, arbeidsmarkt) bij de huidige generatie studenten, aldus de toelichting. (zie noot 16) Uit de toelichting blijkt echter niet dat er een duidelijk causaal verband bestaat tussen de voorgestelde maatregel en de beoogde effecten.

Om de herinvoering van de basisbeurs, een stelselwijziging na relatief korte tijd, te motiveren dient de toelichting in te gaan op de oorspronkelijke doelstellingen van het studiefinancieringsstelsel en het verdelingsvraagstuk. In de toelichting ontbreekt echter de weging van toegankelijkheid, maatschappelijk en persoonlijk profijt, de sturing op essentiële beroepsgroepen en de zelfstandigheid van de student. Er wordt niet ingegaan op de vraag in hoeverre het maatschappelijk profijt, gezien het belang van hoger onderwijs in het algemeen en voor de arbeidsmarkt, ten opzichte van de eerdere argumentatie ten behoeve van het leenstelsel weer aan belang heeft gewonnen als grondslag voor (de herinvoering van) de basisbeurs. (zie noot 17)

Daarnaast blijft onbesproken of en zo ja hoe gewogen is de studiefinanciering al dan niet in te zetten om essentiële beroepsgroepen te stimuleren (zoals in het onderwijs, zorg, techniek en ict). (zie noot 18) Ook gaat de toelichting niet in op de financiële zelfstandigheid van studenten, als mogelijke grondslag van de studiefinanciering. (zie noot 19)

De Afdeling adviseert de herinvoering van de basisbeurs dragend te motiveren vanuit de doelstellingen van het studiefinancieringsstelsel.

b. Bestendigheid
De versoberingen van de basisbeurs in het verleden en de uiteindelijke afschaffing van de basisbeurs en invoering van het leenstelsel zijn onder meer ingegeven door de sterke stijging van het aantal studenten in het hoger onderwijs. Deze stijging gaat nog steeds door. Dat uit zich in jaarlijks terugkerende financiële tegenvallers en leidt tot steeds hogere kosten van het studiefinancieringsstelsel. Dit betreft in het bijzonder het wetenschappelijk onderwijs. (zie noot 20) Bovendien zal de inflatie volgens de huidige systematiek moeten worden doorberekend in de hoogte van de beurzen. (zie noot 21) Niet gemotiveerd is waarom is gekozen voor de hoogte van de basisbeurs zoals in het voorstel opgenomen en of deze bestendig zal blijken. Dat geldt eveneens voor de inkomensgrens en de hoogte van de aanvullende beurs.

Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de voorgestelde structurele investering in het stelsel van studiefinanciering al snel ontoereikend zal blijken te zijn, waarmee de omvang van de studiefinanciering en de verdeling binnen het stelsel tussen gerichte inkomenssteun en generieke maatregelen (basisbeurs), alsmede de verhouding tussen kwaliteitsinvesteringen en studiefinanciering, weer ter discussie kan komen te staan. Het is dan ook de vraag of en in hoeverre het voorgestelde stelsel is voorbereid op de toekomst. De toelichting gaat hier in het geheel niet op in.

Inzicht in de financiële bestendigheid is in het bijzonder van belang, omdat een doelstelling van de regering is om de onzekerheid bij de jongere generaties te verminderen. Ook de stabiliteit van het collegegeld (dat gekoppeld is aan het inflatieniveau) (zie noot 22) en van de leen- en terugbetalingsvoorwaarden, waaronder het rentepercentage (zie noot 23), moeten bij deze vraag worden betrokken. Voorkomen zou moeten worden dat opnieuw structurele wijzigingen elkaar binnen relatief korte tijd opvolgen.

De Afdeling adviseert in de toelichting de bestendigheid van de voorgestelde maatregelen en het aldus vormgegeven studiefinancieringsstelsel dragend te motiveren.

5. Tegemoetkoming

Het wetsvoorstel bevat een tegemoetkoming van € 1436 per student, op basis van een vierjarige opleiding, voor de studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en geen basisbeurs hebben ontvangen. De toelichting benadrukt dat de tegemoetkoming juridisch niet noodzakelijk en zeer ongebruikelijk is, maar dat deze moet worden gezien als een gebaar naar deze studenten. (zie noot 24)

De Afdeling begrijpt dat de regering het mislopen van de basisbeurs voor een generatie studenten wrang vindt en dat daaruit de wens voortkomt om een gebaar te maken. Zoals de toelichting tegelijkertijd onderstreept, is er evenwel geen rechtsplicht om over te gaan tot een tegemoetkoming omdat een generatie studenten geen basisbeurs heeft ontvangen en studenten in de periode daarvoor en daarna wel een basisbeurs krijgen. (zie noot 25)

De wetgever is - binnen de grenzen van hoger recht - vrij om wetten te wijzigen. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat er, wanneer een nieuw rechtsregime gunstiger is, voor degenen die onder het minder gunstige oude regime vielen aanspraak op vergoeding bestaat. Zou dat wel het geval zijn, dan wordt de drempel voor wetswijziging ook wel erg hoog, aldus de toelichting.

Een onverplichte tegemoetkoming zoals hier aan de orde zal dan ook, mede met het oog op het voorkomen van precedentwerking, beperkt moeten blijven tot bijzondere gevallen. Daartoe zal een toereikende motivering gegeven moeten worden, waarin het bijzondere karakter van de omstandigheden van de betreffende studenten beargumenteerd wordt, zoals bijvoorbeeld een buitengewone schuldenproblematiek. Die motivering ontbreekt.

De Afdeling adviseert om te voorzien in een dragende motivering voor de tegemoetkoming waaruit het bijzondere karakter van de omstandigheden van de betreffende studenten blijkt. Is dat niet mogelijk, dan adviseert de Afdeling daarvan af te zien.

6. Uitwerking basisbeurs en stelsels mbo en hoger onderwijs

Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling nog het volgende op. In het wetsvoorstel worden enkele aanpassingen voorgesteld die betrekking hebben op randvoorwaarden. De Afdeling maakt opmerkingen over de bijverdiengrens en de terugbetalingsvoorwaarden van studieleningen.

a. Bijverdiengrens
Bij de invoering van het leenstelsel is de bijverdiengrens in het hoger onderwijs geschrapt. Voorgesteld wordt thans ook de bijverdiengrens in het mbo te schrappen, om studenten niet te ontmoedigen om naast hun studie te werken of een onderneming te starten. (zie noot 26) De bijverdiengrens bedraagt thans bijna € 16.000 (peiljaar 2022). (zie noot 27) Ratio ervan is dat de wetgever het niet nodig vond studenten met een inkomen dat boven deze grens uitgaat financieel te ondersteunen, vanuit de gedachte dat inkomensondersteuning in de vorm van studiefinanciering vooral ten goede zou moeten komen aan studenten die dit nodig hebben. (zie noot 28) Indien de wetgever ervoor kiest om de bijverdiengrens in het mbo af te schaffen en niet opnieuw in het hoger onderwijs in te voeren is het van belang om deze eerdere argumenten opnieuw te wegen.

De Afdeling adviseert om de afschaffing van de bijverdiengrens in het mbo en het niet opnieuw invoeren daarvan in het hoger onderwijs nader te motiveren.

b. Terugbetalingsvoorwaarden studieleningen
Daarnaast vraagt de Afdeling naar het nut en de noodzaak van het continueren van de soepeler terugbetalingsvoorwaarden in het hoger onderwijs en het introduceren daarvan in het mbo. (zie noot 29) Deze voorwaarden waren bedoeld als tegemoetkoming voor studenten in het hoger onderwijs die geen basisbeurs meer ontvingen. (zie noot 30) Als de basisbeurs terugkeert en de aanvullende beurs wordt verbreed, rijst de vraag of deze voorwaarden niet weer aangepast dienen te worden. Daarbij verdient overweging dat de looptijd van 35 jaar voor terugbetaling van een studielening zeer lang is, de renteontwikkeling onzeker is, en de rentelasten hoger uitkomen dan bij een 15-jarige terugbetaling. Daarnaast zijn de lasten voor de overheid in een dergelijk stelsel ook hoger.

De Afdeling wijst er voorts op dat de regering in de hoofdlijnenbrief heeft gesteld dat de schulden in het mbo gemiddeld lager zijn en dat er geen signalen zijn dat de terugbetalingsvoorwaarden, waaronder de termijn van 15 jaar, over het algemeen als knellend worden ervaren. (zie noot 31)

Volgens de toelichting zijn verschillen in terugbetalingsvoorwaarden tussen het hoger onderwijs en het mbo niet goed uitlegbaar als alle studenten een basisbeurs krijgen. Uit de toelichting blijkt vervolgens niet waarom de ruimere terugbetalingsvoorwaarden moeten gaan gelden voor zowel mbo- als ho-studenten.

Bovendien brengt de (wijze van) wijziging van de terugbetalingsvoorwaarden in het mbo een complexe uitvoeringslast voor DUO mee. De huidige mbo-studenten zullen immers automatisch onder het toekomstige (ruimere) terugbetalingsregime vallen, maar op aanvraag onder het huidige (striktere) regime blijven vallen. (zie noot 32)

De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.

De vice-president van de Raad van State


Voetnoten

(1) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1 ‘Probleembeschrijving en doelstellingen’.
(2) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.3.3 ‘Tegemoetkoming’.
(3) Memorie van toelichting, paragraaf 2.3 ‘Inhoud wetsvoorstel t.a.v. tegemoetkoming’.
(4) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.4 ‘Maximale leenbedrag’.
(5) Memorie van toelichting, paragraaf 2.4 ‘Inhoud wetsvoorstel t.a.v. studievoorschotvouchers’.
(6) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.7 ‘Bijverdiengrens’.
(7) Memorie van toelichting, paragraaf 2.5 ‘Verruiming 1-februari regeling’. Zie ook het advies van 19 januari 2022, nr. W05.21.0336/I van de Afdeling over het eerder als apart ingediende wetsvoorstel betreffende deze regeling. Het advies van de Afdeling is opgevolgd om dat voorstel onder te brengen bij onderhavig wetsvoorstel.
(8) P. Slaman, Staat van de student: tweehonderd jaar politieke geschiedenis van studiefinanciering in Nederland, (diss. Universiteit Leiden) 2015; P. Slaman, W. Marchand & R. Schalk, Kansen in het Koninkrijk. Studiebeurzen 1815-2015, 2015.
(9) Zo kon worden afgelost in 35 jaar in plaats van eerder 15 jaar. Het af te lossen maandbedrag werd begrensd op 4% van het inkomen boven 100% van het wettelijke minimumloon (tegenover 12% van het inkomen boven 84% van het wettelijke minimumloon destijds). Er kwam een kwijtscheldingsregeling voor de student die uiteindelijk niet zou kunnen afbetalen.
(10) Kamerstukken II 2014/15, 34035, nr. 3; Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.1 ‘Wet studievoorschot hoger onderwijs en de argumenten daarvoor’.
(11) Nibud Studentenonderzoek 2021, Onderzoek naar de geldzaken van hbo- en wo-studenten, p. 3-4.
(12) Dit betreft (1) het terugdringen van het niet-gebruik van de aanvullende beurs in het hoger onderwijs en het mbo, (2) het afschaffen van de bijverdiengrens in het mbo en (3) het versoepelen van de terugbetaalvoorwaarden in het mbo. Zie Memorie van toelichting, paragraaf 8 ‘Gevolgen voor de Rijksbegroting’.
(13) Uit de beleidsdoorlichting is gebleken dat studenten met ouders met een middeninkomen een relatief groot deel van de studiekosten uit de ouderbijdrage bekostigen. Door de verbreding van de aanvullende beurs naar studenten met ouders die een middeninkomen tot € 70.000 hebben wordt naar het oordeel van de Afdeling voor een belangrijk deel aan deze problematiek tegemoet gekomen (ResearchNed, Beleidsdoorlichting artikel 11 Studiefinanciering, 2020, p. 117-121). Zie over de problematiek ten aanzien van de middeninkomens ook Kamerstukken II 2014/15, 34000, nr. 3, p. 8-9; Kamerstukken II 2018/19, 35000, nr. 3, p. 7 en 9.
(14) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.2.3 ‘Doorstroom mbo-ho’. Zie ook ResearchNed, Beleidsdoorlichting artikel 11 Studiefinanciering, 2020, p. 5-8, 115-130; CPB, Eerste effecten invoering Wet studievoorschot, 2020.
(15) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.2.1 ‘Effecten van lenen en schulden’: het gaat om effecten met een kleine effectgrootte. Zie nader RIVM, Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik van studenten in het hoger onderwijs 2021, Deelrapport (herziene versie, juli 2022), Hoofdstuk 6.
(16) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.2.2 ‘Ongelijkheid generaties’.
(17) Kamerstukken II 2014/15, 34035, nr. 4, p. 4-5; Kamerstukken II 2014/15, 34035, nr. 3, p. 7-9.
(18) Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 180; ROA, De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2026, 2021.
(19) Zie ook Kamerstukken II 1984/85, 19125, nr. 3; Kamerstukken II 1993/94, 23634, nr. 3.
(20) ResearchNed, Monitor Beleidsmaatregelen hoger onderwijs 2020-2021, p. 8.
(21) Artikel 11.1 van de WSF 2000 en artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000.
(22) Artikel 2.2 Uitvoeringsbesluit WHW 2008.
(23) Zie bijvoorbeeld ook het ingetrokken voorstel tot Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs, Kamerstukken 35007.(24) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.3.3 ‘Tegemoetkoming’ en paragraaf 2.3 ‘Inhoud wetsvoorstel t.a.v. tegemoetkoming’.
(25) Zie ook advies nr. W05.20.0478/I van de Afdeling over het Voorstel van wet van het lid Futselaar tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 via www.raadvanstate.nl.
(26) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.7 ‘Bijverdiengrens’.
(27) Artikel 3.17 van de WSF 2000.
(28) Kamerstukken II 1984/85, 19125, nr. 3, p. 19-22.
(29) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.6 ‘Terugbetalingsvoorwaarden ho en mbo’.
(30) Kamerstukken II 2014/15, 34035, nr. 3, p. 11-13.
(31) Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 176, p. 9.
(32) Uitvoeringstoets DUO, 11 april 2022, p. 6-7.