Europees Hof van Justitie beantwoordt vragen over Europese Rijbewijsrichtlijn

Gepubliceerd op 21 maart 2024

Het Hof van Justitie in Luxemburg heeft in een arrest van vandaag (21 maart 2024) antwoord gegeven op zogenoemde prejudiciële vragen over de uitleg van de Europese Rijbewijsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vragen aan het Europese Hof in een rechtszaak over de verlenging van een rijbewijs. Om uitspraak te kunnen in deze zaak wilde de Afdeling bestuursrechtspraak antwoord op de vraag of de minimumnormen in de Europese Rijbewijsrichtlijn over het horizontale gezichtsveld strikt moeten worden toegepast bij het verlenen of verlengen van een rijbewijs.

Achtergrond

Het gaat in het kort om een zaak waarin een beroepschauffeur om verlenging van zijn rijbewijs vroeg bij het CBR. De man heeft op heel jonge leeftijd een beperkt horizontaal gezichtsveld opgelopen. In 2007 heeft hij zijn rijbewijs gehaald voor het besturen van vrachtwagen en bus. Daarna heeft hij tien jaar zonder problemen en schadevrij gereden, maar toen hij zijn rijbewijs wilde verlengen, weigerde het CBR dat. In 2009 is in de Europese Rijbewijsrichtlijn namelijk een minimumnorm opgenomen over onder andere het horizontale gezichtsveld. Volgens het CBR voldoet de man niet aan het minimaal vereiste horizontale gezichtsveld van 160 graden. Volgens de man is dit geen strikte minimumnorm en heeft het CBR de mogelijkheid om hem een ‘verklaring van geschiktheid’ te verlenen, ook al heeft hij een beperkter gezichtsveld.

Prejudiciële vragen

De Afdeling bestuursrechtspraak vroeg in een verwijzingsuitspraak van november 2022 aan het Hof van Justitie of de norm zo moet worden uitgelegd dat ook een persoon die in medisch opzicht niet voldoet aan deze norm, maar volgens verschillende medisch deskundigen wél feitelijk geschikt is om een vrachtwagen te rijden, aan de norm kan voldoen. Mocht dit niet het geval zijn, dan wil de Afdeling bestuursrechtspraak weten of er dan ruimte bestaat voor een evenredigheidsbeoordeling in het individuele geval, ook al kent de minimumnorm geen uitzonderingsmogelijkheid voor zulke gevallen.

Arrest Hof van Justitie

Het Hof van Justitie heeft vandaag geoordeeld dat bestuurders van wie het horizontale  gezichtsveld van beide ogen minder dan 160° is, niet voldoen aan de medische vereisten om onder meer een vrachtwagen te besturen. Ook niet als verschillende medische deskundigen verklaren dat iemand daarvoor feitelijk wel geschikt is. Het Hof legt verder uit dat de Uniewetgever al een belangenafweging heeft gemaakt tussen aan de ene kant de verkeersveiligheid en aan de andere kant de belangen van mobiliteit voor iedereen en toegang tot het beroep van beroepschauffeur. Volgens het Hof is sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige minimumnorm waarvan ook in een concreet geval niet kan worden afgeweken.

Voortzetting behandeling

Met dit antwoord van het Hof van Justitie is nog geen einde gekomen aan de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij had de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van het antwoord van het Hof in Luxemburg. Nu het Europese Hof de prejudiciële vragen heeft beantwoord, zal de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling van deze zaak voortzetten en later een definitieve uitspraak doen.


vrachtwagen_europa

Lees hier de volledige tekst van het arrest van het Hof van Justitie in Luxemburg.