Samenvatting van advies over het wetsvoorstel tegengaan huwelijkse gevangenschap

Gepubliceerd op 27 november 2019

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek wijzigt, met onder andere als doel huwelijkse gevangenschap tegen te gaan.

Het wetsvoorstel is op 27 november 2019 bij de Tweede Kamer ingediend. Daarmee is ook het advies van de Afdeling advisering openbaar geworden.

Inhoud wetsvoorstel en vraag minister

De belangrijkste wijziging die in het wetsvoorstel wordt voorgesteld, zorgt er voor dat de rechter bij echtscheiding een voorziening kan treffen waardoor een echtgenoot bevolen wordt om medewerking te verlenen aan de ontbinding van een religieus huwelijk.

De minister van Rechtsbescherming heeft in zijn brief aan de Afdeling advisering gevraagd om in haar advies ook het onderzoek van de Universiteit Maastricht over huwelijkse gevangenschap uit 2018 te betrekken: ‘Niet langer geketend aan het huwelijk! Juridische instrumenten die huwelijkse gevangenschap kunnen voorkomen of oplossen’. In het onderzoek worden drie voorstellen gedaan tot aanpassing van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Achtergrond huwelijkse gevangenschap en huidige wettelijke mogelijkheden

‘Huwelijkse gevangenschap’ is een situatie waarin de (voormalige) partner weigert mee te werken aan de beëindiging van een eerder gesloten religieus huwelijk. Om een religieus huwelijk te beëindigen, kan het nodig zijn om bepaalde religieuze handelingen te verrichten, waarvoor de medewerking van beide echtgenoten nodig is. Blijft die medewerking uit, dan blijft de religieuze verbintenis in stand. Dit kan ertoe leiden dat betrokkenen, hoewel zij naar burgerlijk recht gescheiden zijn, in de ogen van hun religieuze gemeenschap nog steeds zijn gehuwd. Dat kan allerlei (verstrekkende) gevolgen hebben.

Naar huidig recht kan een persoon die gevangen zit in een religieus huwelijk een vordering uit onrechtmatige daad indienen bij de burgerlijke rechter. De rechter weegt de belangen van beide ex-partners dan tegen elkaar af. De mogelijkheid om een vordering uit onrechtmatige daad in te dienen, geldt zowel in de situatie waarin naast het religieuze huwelijk een burgerlijk huwelijk bestaat, als in de situatie waarin alleen sprake is van een religieus huwelijk. Als tussen partijen naast een religieus huwelijk ook een burgerlijk huwelijk bestaat, kan ook nu al een bevel tot medewerking aan de ontbinding van het religieuze huwelijk door de rechter worden gegeven, als ‘nevenvoorziening’ bij het uitspreken van de echtscheiding.

In de praktijk komt het voor dat de rechter die de echtscheiding behandelt, een verzoek tot het geven van een dergelijk bevel tot medewerking afwijst omdat de behandeling daarvan zal leiden tot onnodige vertraging van de echtscheidingsprocedure. De verzoekende partij is dan aangewezen op het voeren van een aparte procedure waarin hij een bevel tot medewerking aan de ontbinding van het religieuze huwelijk vordert. Dit werkt drempelverhogend. Het wetsvoorstel stelt daarom een specifieke grondslag voor om in een echtscheidingsprocedure ook een 'nevenvoorziening' te treffen om het religieus huwelijk te beëindigen.

Advies over het wetsvoorstel van de regering

De Afdeling advisering is het met de regering eens dat er een vrijheid bestaat om te scheiden en om het leven weer los van elkaar voort te zetten. Tegelijkertijd is er de vrijheid van godsdienst. Daarmee kan ook in het huwelijk invulling gegeven worden aan religieuze overtuigingen. Het wetsvoorstel is een versterking van de positie van personen die een situatie van ‘huwelijkse gevangenschap’ willen beëindigen. Met het opnemen van een specifieke grondslag voor het treffen van een nevenvoorziening is de ontvankelijkheid van een verzoek om een bevel tot medewerking aan de ontbinding van het religieuze huwelijk gegeven. Tegelijkertijd behoudt de rechter de vanuit mensenrechtelijk perspectief noodzakelijke ruimte om de verschillende grondrechten die bij een dergelijk verzoek een rol spelen, tegen elkaar af te wegen. Dit is van wezenlijk belang. Gelet hierop heeft de Afdeling advisering geen opmerkingen over het wetsvoorstel.

Beoordeling alternatieve voorstellen in onderzoek Universiteit Maastricht

Voor zover de drie voorstellen uit het rapport van de Universiteit Maastricht niet al in strijd komen met artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of de scheiding van kerk en staat, maken de voorstellen het niet mogelijk de belangen van beide partijen in het concrete geval af te wegen. De belangenafweging is met de voorstellen al uitputtend verricht, in die zin dat aan de belangen van degene die bevrijd wil worden van het religieuze huwelijk, in alle gevallen doorslaggevend gewicht toekomt. Deze 'zwart-wit benadering' waarin het recht op vrijheid van godsdienst in het concrete geval helemaal niet kan worden meegewogen, past niet bij de manier waarop moet worden omgegaan met situaties waarin sprake is van een botsing tussen grondrechten. In dat soort gevallen dient er gelet op het EVRM ruimte te zijn voor een zekere mate van belangenafweging in, waarbij rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van dat geval. De voorstellen van de Universiteit Maastricht laten voor die belangenafweging geen ruimte. Bovendien passen twee van de drie voorgestelde bepalingen ook niet bij de scheiding van kerk en staat.


Volledige tekst advies

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport (de reactie) van de minister voor Rechtsbescherming.