Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de implementatie van de Europese Confiscatierichtlijn.
- Kenmerk
- W16.26.00086/II
- Datum aanhangig
- 3 april 2026
- Datum vastgesteld
- 19 augustus 2026
- Datum advies
- 19 augustus 2026
- Datum publicatie
- 24 augustus 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Justitie en Veiligheid
- Wet
Toon inhoud
Advies over de implementatie van de Europese Confiscatierichtlijn
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 19 augustus 2026 het advies vastgesteld over het wetsvoorstel om het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering te wijzigen in verband met de implementatie van de Confiscatierichtlijn. Het advies is op 24 augustus 2026 gepubliceerd op de website van de Raad van State.
Inhoud wetsvoorstel
Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan de Europese Richtlijn over de ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen door deze richtlijn om te zetten naar Nederlandse wetgeving. In deze zogenoemde Confiscatierichtlijn is het rechtskader aangescherpt om criminele winsten te ontnemen en te confisqueren. Daarmee wordt beoogd het ontnemen en confisqueren van vermogensbestanddelen in de hele Europese Unie te vergemakkelijken en doeltreffender te maken. Als gevolg van de implementatie worden in de Nederlandse strafwetgeving onder meer twee nieuwe maatregelen opgenomen: de vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie.
Verhouding van de nationale koppen tot het recht op eigendom
De regering heeft in het wetsvoorstel gekozen om het toepassingsbereik van de twee nieuwe maatregelen uit te breiden ten opzichte van de Confiscatierichtlijn (twee ‘nationale koppen’). In de toelichting bij het wetsvoorstel heeft de regering deze uitbreiding echter niet afdoende getoetst aan de voorwaarden die de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt aan een inbreuk op het recht op eigendom. Daarbij vraagt de Afdeling advisering in het bijzonder aandacht voor de mate waarin de voorgestelde uitbreiding van het toepassingsbereik zich verhoudt tot de proportionaliteitstoets.
Nevenschikking confiscatie en strafvervolging
De Afdeling advisering maakt daarnaast een opmerking over de keuze van de wetgever om de nieuwe maatregel van confiscatie nevenschikkend te maken aan de strafvervolging. De officier van justitie kan daardoor kiezen of hij overgaat tot strafvervolging, of dat hij een voorwerp confisqueert, of voor allebei. In de toelichting bij het wetsvoorstel heeft de regering niet gemotiveerd waarom deze keuze is gemaakt. Daarnaast heeft de regering in het wetsvoorstel onvoldoende kaders opgenomen waarbinnen de officier van justitie de keuze tussen de verschillende opties kan maken. Het advies aan de regering is dan ook om de kaders en de toelichting alsnog te geven.
Ontbreken hoger beroep
Verder maakt het wetsvoorstel het niet mogelijk om in hoger beroep te gaan tegen een uitspraak van de rechtbank over de nieuwe maatregelen. Een belanghebbende kan hierdoor alleen in cassatie gaan bij de Hoge Raad. De Afdeling adviseert de regering te motiveren waarom een feitelijke beroepsinstantie wordt overgeslagen en het wetsvoorstel zo nodig op dit punt aan te passen.
Gegevensdeling
Het voorstel wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Door deze wijziging ontstaat de mogelijkheid om gegevens te delen die zijn verzameld over de tenuitvoerlegging van beslissingen die gaan over de nieuwe maatregelen, bijvoorbeeld met de reclassering of gemeenten. In het voorstel legt de regering niet uit waarom dit nodig is. Daarom adviseert de Afdeling de regering om deze toelichting alsnog te geven of anders deze mogelijkheid uit te sluiten.
Conclusie
De Afdeling advisering adviseert de regering om het wetsvoorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen, tenzij het is aangepast.
Bij Kabinetsmissive van 3 april 2026, no.2026000727, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen (PbEU 2024, L 1260), met memorie van toelichting.
Samenvatting
Inhoud wetsvoorstel
Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan de Europese Richtlijn betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen, door deze richtlijn om te zetten naar Nederlandse wetgeving. In deze zogenoemde Confiscatierichtlijn is het rechtskader aangescherpt om criminele winsten te ontnemen en te confisqueren. Daarmee wordt beoogd het ontnemen en confisqueren van vermogensbestanddelen in de hele Europese Unie te vergemakkelijken en doeltreffender te maken. Als gevolg van de implementatie worden in de Nederlandse strafwetgeving onder meer twee nieuwe maatregelen opgenomen: de vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie.
Verhouding van de nationale koppen tot het recht op eigendom
De regering heeft er in het wetsvoorstel voor gekozen om het toepassingsbereik van de twee nieuwe maatregelen uit te breiden ten opzichte van de Confiscatierichtlijn (twee ‘nationale koppen’). In de toelichting bij het wetsvoorstel heeft de regering deze uitbreiding echter niet afdoende getoetst aan de voorwaarden die de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt aan een inbreuk op het recht op eigendom. Daarbij vraagt de Afdeling advisering van de Raad van State in het bijzonder aandacht voor de mate waarin de voorgestelde uitbreiding van het toepassingsbereik zich verhoudt tot de proportionaliteitstoets.
Nevenschikking confiscatie en strafvervolging
De Afdeling maakt daarnaast een opmerking over de keuze van de wetgever om de nieuwe maatregel van confiscatie nevenschikkend te maken aan de strafvervolging. De officier van justitie kan daardoor kiezen of hij overgaat tot strafvervolging, of dat hij een voorwerp confisqueert, of voor allebei. In de toelichting bij het wetsvoorstel heeft de regering niet gemotiveerd waarom deze keuze is gemaakt. Daarnaast heeft de regering in het wetsvoorstel onvoldoende kaders opgenomen waarbinnen de officier van justitie de keuze tussen de verschillende opties kan maken. Het advies aan de regering is dan ook om de kaders en de toelichting alsnog te geven.
Ontbreken hoger beroep
Verder maakt het wetsvoorstel het niet mogelijk om in hoger beroep te gaan tegen een uitspraak van de rechtbank over de nieuwe maatregelen. Een belanghebbende kan hierdoor alleen in cassatie gaan bij de Hoge Raad. De Afdeling adviseert de regering te motiveren waarom een feitelijke beroepsinstantie wordt overgeslagen en het wetsvoorstel zo nodig op dit punt aan te passen.
Gegevensdeling
Het voorstel wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Door deze wijziging ontstaat de mogelijkheid om gegevens te delen die zijn verzameld over de tenuitvoerlegging van beslissingen die gaan over de nieuwe maatregelen, bijvoorbeeld met de reclassering of gemeenten. In het voorstel wordt niet uitgelegd waarom dit nodig is. Daarom adviseert de Afdeling de regering om deze toelichting alsnog te geven of anders deze mogelijkheid uit te sluiten.
In verband daarmee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.
1. Inhoud en achtergrond van het voorstel
Met het wetsvoorstel wordt de Richtlijn betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen (verder: Confiscatierichtlijn) geïmplementeerd. (zie noot 1) Deze richtlijn wijzigt het rechtskader voor de opsporing en identificatie, bevriezing, confiscatie en beheer van hulpmiddelen, opbrengsten of goederen. (zie noot 2) De richtlijn verbreedt daarnaast de taak van de bureaus voor ontneming van vermogensbestanddelen. (zie noot 3) Deze wijzigingen zijn volgens de Richtlijn nodig om makkelijker en doeltreffender de illegale winsten van criminele organisaties te ontnemen en hun activiteiten te verstoren. Zo kan worden voorkomen dat deze organisaties infiltreren in de legale economie, en daarmee de integriteit van de economie en samenleving bedreigen en de rechtsstaat en grondrechten uithollen. (zie noot 4)
In de Nederlandse strafwetgeving zijn de instrumenten die de Confiscatierichtlijn bevat al grotendeels aanwezig in de vorm van de bijkomende straf verbeurdverklaring en de maatregelen onttrekking aan het verkeer en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wetsvoorstel voegt hier twee nieuwe maatregelen aan toe: vervallenverklaring aan de staat (zie noot 5) en de maatregel van confiscatie. (zie noot 6) Kenmerkend aan deze nieuwe maatregelen is dat ze de mogelijkheid bieden om bepaalde voorwerpen af te pakken zonder dat er een veroordeling aan ten grondslag ligt. (zie noot 7) De maatregelen zijn dan ook niet gericht op een verdachte, maar op het voorwerp dat in verband staat tot een strafbaar feit. (zie noot 8) Naast deze twee nieuwe maatregelen bevat het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn (aanvullende) bepalingen over onder andere de opsporing en identificatie van vermogensbestanddelen.
De regering heeft eerder een civielrechtelijke mogelijkheid voorgesteld om goederen te kunnen confisqueren zonder voorafgaande strafrechtelijke veroordeling. De Afdeling adviseerde kritisch over dat voorstel, onder meer omdat de juiste balans tussen de bescherming van de fundamentele rechten en het belang om ondermijnende criminaliteit effectief te bestrijden nog niet was gevonden. (zie noot 9) In afwachting van de Confiscatierichtlijn is het voorstel vervolgens niet ingediend bij de Tweede Kamer. (zie noot 10)
Leeswijzer
In het navolgende gaat de Afdeling eerst in op de constitutionele aspecten van het recht op eigendom (punt 2). Vervolgens gaat de Afdeling in op de door de regering voorgestelde uitbreiding van de nieuwe maatregelen en bespreekt zij de verhouding van deze uitbreiding tot het recht op eigendom (punt 3). Daarna gaat de Afdeling in op de nevenschikking van procedures (punt 4), de rechtsmiddelen (punt 5) en de gegevensverwerking (punt 6).
2. Constitutionele aspecten van het recht op eigendom
De regering heeft in het wetsvoorstel met de vervallenverklaring aan de staat en de confiscatie twee maatregelen voorgesteld die voor wat betreft hun toepassingsbereik verder gaan dan de Confiscatierichtlijn voorschrijft (zie verder hiervoor punt 3.) De regering doet dit met het oog op het aanpakken van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. Dit is van wezenlijk belang, onder meer omdat daarmee de integriteit van het maatschappelijk verkeer wordt beschermd en wordt voorkomen dat de opbrengsten van crimineel handelen infiltreren in de legale economie. (zie noot 11) De Afdeling heeft begrip voor het nastreven van dit doel. Tegelijk hoort bij de democratische rechtsstaat ook dat het toepassingsbereik van de maatregelen niet breder is dan noodzakelijk, zodat de maatregelen verenigbaar zijn met de grondrechten. Deze rechten zijn vastgelegd in de Grondwet, het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU.
Bij maatregelen waarbij goederen kunnen worden ontnomen door de overheid, is in het bijzonder het recht op eigendom van belang. Dit recht wordt beschermd door artikel 17 van het EU-Grondrechtenhandvest, dat overeenstemt met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het EVRM. Deze laatste bepaling is door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in confiscatiezaken nader uitgewerkt. De Afdeling zal hierna ingaan op het juridisch kader dat het EHRM hanteert, voor zover dit voor de beoordeling van het wetsvoorstel van belang is. Dit dient als basis voor de opmerking die zij onder punt 3 zal maken over de verruiming van het toepassingsbereik van de vervallenverklaring aan de staat en maatregel van confiscatie.
Indien sprake is van een inmenging in het recht op eigendom, beoordeelt het EHRM of deze inmenging gerechtvaardigd is. Voor deze beoordeling hanteert het EHRM op basis van de tekst van artikel 1 EP EVRM drie vereisten. Het eerste vereiste is dat de inmenging gebaseerd moet zijn op een wettelijke regeling. Bij de invulling van dit vereiste bekijkt het EHRM of de beginselen van de rechtsstaat worden gerespecteerd, of er geen sprake is van willekeur en of de wettelijke grondslag voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is. (zie noot 12)
Het tweede vereiste is dat de inmenging een algemeen belang moet dienen. (zie noot 13) Het EHRM kent staten een ruime beoordelingsvrijheid toe als het gaat om de invulling van dit vereiste en toetst alleen terughoudend of een maatregel inderdaad gericht is op het realiseren van een algemeen belang. (zie noot 14)
Het derde en laatste vereiste betreft de noodzakelijkheid van een maatregel om de nagestreefde algemene belangen te realiseren. In de rechtspraak wordt dit vereiste vaak vertaald naar een algemeen vereiste van proportionaliteit. Dit betekent dat de staat met de inbreuk op het eigendomsrecht een redelijk evenwicht moet hebben gevonden tussen het nagestreefde algemene belang en het eigendomsrecht. (zie noot 15) Het EHRM betrekt verschillende factoren bij de beoordeling of aan dit criterium is voldaan, afhankelijk van het soort inmenging in het eigendomsrecht dat het voor zich heeft. (zie noot 16)
Het EHRM heeft de proportionaliteitstoets specifiek uitgewerkt in het kader van zaken over confiscatie van goederen zonder dat hieraan een veroordeling ten grondslag ligt waarin de schuld van de verdachte is vastgesteld. Het uitgangspunt in dit soort zaken is dat een dergelijke confiscatie proportioneel kan zijn als het gaat om goederen die verband hielden met het vermeend begaan van ernstige delicten waaruit ongerechtvaardigde verrijking voortvloeide. (zie noot 17) Het EHRM heeft er daarnaast op gewezen dat er gemeenschappelijke Europese en zelfs universele rechtsnormen bestaan die confiscatie van vermogen dat verband houdt met ernstige strafbare feiten aanmoedigt, zonder dat daaraan noodzakelijkerwijs een stafrechtelijke veroordeling voorafgaat. (zie noot 18)
Meer specifiek moeten in dit type confiscatiezaken volgens het EHRM de volgende factoren worden betrokken. De eerste factor betreft de aard van de gronddelicten. Daarbij gaat het in het bijzonder om de ernst daarvan en wordt de vraag onderzocht of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij wederrechtelijke inkomsten genereren. In dat verband heeft het EHRM zijn ernstige bezorgdheid geuit over nationale wetgeving die voorziet in procedures voor het opleggen van confiscatiemaatregelen bij delicten die niet bijzonder ernstig zijn en waaraan daarnaast geen strafrechtelijke veroordeling voorafgaat. (zie noot 19)
De tweede factor betreft een vaststelbaar verband tussen de te confisqueren goederen en de gronddelicten die de betrokken persoon vermoedelijk heeft gepleegd. (zie noot 20) De nationale rechter moet op basis van voldoende concrete gegevens vaststellen of de te confisqueren vermogensbestanddelen uit de gestelde criminele gedragingen zijn voortgekomen. Ook moet de nationale rechter motiveren dat de vermogensbestanddelen de opbrengst konden zijn van de aangetoonde of veronderstelde criminele gedragingen.
De derde relevante factor zijn volgens de EHRM-rechtspraak de geboden procedurele waarborgen. (zie noot 21) Het EHRM verlangt in het kader van de bewijsmaatstaf niet dat de wederrechtelijke herkomst van vermogen buiten redelijke twijfel wordt bewezen. Confiscatie zonder veroordeling is ook mogelijk als er een ‘preponderance of evidence’ (overwicht van bewijs) is. Met andere woorden: het is waarschijnlijker dat er een wederrechtelijke herkomst is dan dat de herkomst legaal is. Een andere bewijsmaatstaf die het EHRM heeft geaccepteerd is dat een hoge mate van waarschijnlijkheid bestaat over de wederrechtelijke herkomst van de goederen in combinatie met het uitblijven van een verklaring van de eigenaar over de rechtmatigheid daarvan. (zie noot 22)
Ten slotte slaat het EHRM soms acht op de periode waarbinnen geconfisqueerd wordt. Deze periode moet in duur zijn beperkt zodat wordt voorkomen dat het door tijdverloop en nieuwe gebeurtenissen voor de betrokkene buitensporig bezwarend wordt om het rechtmatige inkomen of de rechtmatige herkomst van het goed aan te tonen. (zie noot 23)
3. Toetsing van het voorstel aan het recht op eigendom
a. Uitbreiding toepassingsbereik ten opzichte van de Confiscatierichtlijn
In de Confiscatierichtlijn zijn minimumvoorschriften opgenomen. (zie noot 24) Hierdoor hebben lidstaten de mogelijkheid om strengere regels in hun nationale recht op te nemen dan de regels die in de richtlijn zijn voorgeschreven. In Nederland geldt het uitgangspunt dat bij de omzetting van Europese regelingen naar Nederlandse geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn (geen ‘nationale koppen’). (zie noot 25) In het wetsvoorstel heeft de regering ervoor gekozen om van dit uitgangspunt af te wijken. (zie noot 26)
De voorgestelde maatregelen van vervallenverklaring aan de staat en van confiscatie kennen gelet op de voorgestelde wettekst een breder toepassingsbereik dan de Confiscatierichtlijn voorschrijft. In de Confiscatierichtlijn zijn beide maatregelen beperkt tot strafbare feiten die, of strafbaar gedrag dat, direct of indirect aanzienlijk economisch voordeel kan opleveren. (zie noot 27) In het wetsvoorstel is deze beperking losgelaten aangezien de regering verwacht dat de maatregelen alleen zullen worden ingezet bij voorwerpen die zijn verkregen met strafbare feiten en aanzienlijk voordeel hebben opgeleverd. Een beperking heeft daarom volgens de regering geen meerwaarde. (zie noot 28)
Daarnaast is de maatregel van confiscatie in de richtlijn beperkt tot voorwerpen die verkregen zijn uit strafbaar gedrag in het kader van een criminele organisatie. Ook schrijft de richtlijn voor dat de maatregel van confiscatie pas kan worden ingezet als andere confiscatiemaatregelen uit de richtlijn overeenkomstig het nationale recht niet kunnen worden toegepast. (zie noot 29) Ook deze twee beperkingen zijn in het wetsvoorstel niet overgenomen.
Ten aanzien van het weglaten van het verband tussen het voorwerp en de criminele organisatie geeft de regering aan dat hiervoor is gekozen omdat dit beter aansluit bij de praktijk. Daarnaast worden bewijsproblemen voorkomen omdat regelmatig voorwerpen worden gevonden waarbij het vermoeden bestaat dat ze afkomstig zijn uit de opbrengsten van een misdrijf, maar geen verband met een criminele organisatie kan worden gelegd. (zie noot 30) Het loslaten van de tweede beperking heeft te maken met de nevenschikking van de strafvervolging en de maatregel van confiscatie, waar de Afdeling op zal ingaan onder punt 4.
b. Verenigbaarheid met het eigendomsrecht
De maatregel vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie worden in de toelichting getoetst aan het eigendomsrecht, maar deze toets is beperkt. In het bijzonder wordt niet ingegaan op het proportionaliteitsvereiste zoals hierboven in punt 2 uiteengezet.
Voor de toets zijn vooral de eerste en tweede factor die het EHRM betrekt in zijn beoordeling van de proportionaliteit van confiscaties zonder voorafgaande veroordeling relevant. Doordat in het wetsvoorstel het toepassingsbereik niet wordt beperkt tot ernstige misdrijven, bestaat het risico dat er geen verband kan worden vastgesteld tussen de ernst van het gronddelict en de vraag of op basis van dit delict redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hieruit wederrechtelijke inkomsten zijn genoten (eerste factor). Een ander risico is dat door de verruiming van het toepassingsbereik mogelijk geen verband meer kan worden gelegd tussen de te confisqueren goederen en de gronddelicten die de betrokken persoon vermoedelijk heeft gepleegd (tweede factor). Als het gronddelict een licht misdrijf betreft, lijkt het moeilijker om aan te nemen dat hieruit grote criminele winsten zijn voortgekomen.
De Afdeling adviseert om in de toelichting te motiveren of de voorgestelde uitbreiding van het toepassingsbereik van de vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie in overeenstemming zijn met de vereisten die voortvloeien uit het recht op eigendom. Indien deze motivering niet kan worden gegeven, adviseert zij het wetsvoorstel aan te passen.
4. Maatregel van confiscatie nevengeschikt aan strafvervolging
In de toelichting is aangegeven dat de maatregel van confiscatie en strafvervolging nevenschikkend kunnen worden ingezet. De officier van justitie kan dus kiezen voor een procedure tot confiscatie van een voorwerp, tot het instellen van strafvervolging, of voor allebei. (zie noot 31) Het betekent ook dat de officier van justitie beslag kan leggen op een voorwerp terwijl nog geen definitieve keuze is gemaakt over de vraag of de verdachte daadwerkelijk wordt vervolgd of dat een confiscatieprocedure wordt ingezet. (zie noot 32)
Uit de toelichting blijkt verder dat het aan de officier van justitie wordt overgelaten om af te wegen welke afhandelingsmodaliteiten worden ingezet. Hiervoor is een zorgvuldige afweging nodig, waarmee voorkomen wordt dat vergelijkbare situaties zonder toereikende rechtvaardiging verschillend worden behandeld. (zie noot 33) De officier van justitie wordt door de regering bij uitstek in staat geacht om die afweging te maken. Bij de afweging moet de officier onder meer het belang van een effectieve en daadkrachtige criminaliteitsbestrijding en rechtshandhaving en de belangen van de betrokken verdachten en de slachtoffers meewegen. Het College van procureurs-generaal heeft toegezegd beleidsregels vast te stellen waarin het kader wordt geschetst wanneer van welke afhandelingsmodaliteit gebruik wordt gemaakt. (zie noot 34)
In de toelichting is de noodzaak van de nevenschikking van de maatregel van confiscatie ten opzichte van de reguliere strafvervolging niet overtuigend toegelicht. Hoewel de maatregel van confiscatie gericht is op het voorwerp en het niet nodig is dat iemand als verdachte is aangemerkt, kan er wel iemand als verdachte in beeld zijn. De situatie kan dan ontstaan dat de officier van justitie zowel het voorwerp kan confisqueren als over kan gaan tot strafrechtelijke vervolging. Door de nevenschikking bestaat in zulke gevallen het risico dat de officier van justitie vanuit efficiëntieoverwegingen eerder kiest voor de maatregel van confiscatie, aangezien de bewijsstandaard lager ligt en de procedure (dus) sneller is. (zie noot 35) Dit terwijl een strafvervolging een belangrijke rol vervult in het kader van waarheidsvinding en indien dit uitmondt in een veroordeling daarnaast ook een functie heeft ten aanzien van vergelding, preventie en genoegdoening aan het slachtoffer.
Vanwege het opportuniteitsbeginsel is het begrijpelijk dat aan het Openbaar Ministerie wordt overgelaten te kiezen tussen verschillende afhandelingsmodaliteiten. Niettemin is het wenselijk dat de wetgever duidelijke kaders schetst waarbinnen het Openbaar Ministerie vervolgens een afweging moet maken. Deze kaders zijn in het voorstel onvoldoende aangebracht, mede in het licht van wat hierboven is geschetst over de belangrijke rol van strafvervolging. De Afdeling adviseert deze kaders daarom alsnog in het voorstel op te nemen.
De Afdeling adviseert de noodzaak van de nevenschikking van de maatregel van confiscatie ten opzichte van de strafvervolging dragend te motiveren. Indien deze motivering niet gegeven kan worden, adviseert zij het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.
5. Rechtsmiddelen
De vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie worden op vordering van de officier van justitie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing uitgesproken. De vordering wordt door de raadkamer in het openbaar behandeld. Bekende belanghebbenden worden opgeroepen voor deze behandeling en als ze bij de behandeling aanwezig zijn, worden ze in de gelegenheid gesteld om op de vordering te reageren. Tegen de beschikking van de raadkamer staat beroep in cassatie open voor de officier van justitie en voor de belanghebbende die bij de behandeling is gehoord of daarvoor is opgeroepen. Andere belanghebbenden hebben het recht van beklag. (zie noot 36) Deze belanghebbenden en het openbaar ministerie kunnen tegen de beschikking op het klaagschrift beroep in cassatie instellen. (zie noot 37)
In de toelichting is aangegeven dat met de mogelijkheid tot het instellen van cassatie aansluiting is gezocht bij de doorgaans in het Wetboek van Strafvordering geboden mogelijkheid tot het instellen van beroep in cassatie tegen beschikkingen van de raadkamer, zoals in de beklagprocedure (artikel 552a Sv) en tegen de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen bij afzonderlijke rechterlijke beschikking (artikel 552f Sv). Deze zijn voor wat betreft de vormgeving vergelijkbaar met de vervallenverklaring aan de staat en maatregel van confiscatie van een voorwerp bij afzonderlijke rechterlijke beschikking, aldus de toelichting. (zie noot 38)
Een mogelijkheid van hoger beroep waarbij de vordering helemaal opnieuw wordt beoordeeld ontbreekt voor de twee voorgestelde maatregelen. Dit terwijl voor de bewijsstandaard voor deze maatregelen is aangesloten bij de regeling van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, en tegen die maatregel staat wel hoger beroep open. (zie noot 39) Daarnaast ligt de bewijslast niet geheel bij het openbaar ministerie, maar geldt een zekere bewijslastverdeling tussen het openbaar ministerie en de belanghebbende. (zie noot 40)
Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming van de belanghebbende zou de mogelijkheid van hoger beroep in de rede liggen. De beoordeling van de herkomst van een goed (is het aannemelijk dat het direct of indirect afkomstig is uit enig misdrijf?) en de beoordeling van de positie van de belanghebbende (denk aan: is de belanghebbende hypotheekhouder te goeder trouw?) zal immers voornamelijk van feitelijke aard zijn, en in cassatie wordt niet inhoudelijk naar feiten en bewijs gekeken. Wanneer het wetsvoorstel op dit punt niet wordt gewijzigd, zal slechts in één instantie een beslissing over de feiten en het bewijs kunnen worden genomen. Dat is ongebruikelijk. Vanwege de ingrijpende aard van de maatregelen is dit daarom onvoldoende gemotiveerd.
De Afdeling adviseert om in de toelichting nader te motiveren waarom niet wordt voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep en indien nodig het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.
6. Gegevensverwerking
Het voorstel wijzigt artikel 51c eerste lid van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg), waardoor voortaan de tenuitvoerleggingsgegevens (zie noot 41) in verband met andere strafrechtelijke beslissingen dan vrijheidsbenemende straffen of maatregelen moeten worden vernietigd overeenkomstig de bewaartermijn van 5 jaar. De verruiming is volgens de toelichting noodzakelijk zodat ook de vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie onder dit regime vallen. De huidige bepaling is beperkt tot tenuitvoerleggingsgegevens van veroordeelden.
In het tweede en derde lid van artikel 51c van de Wjsg is een bevoegdheid voor de verwerkingsverantwoordelijke opgenomen om de tenuitvoerleggingsgegevens aan personen of instanties te verstrekken, bijvoorbeeld aan de reclassering of gemeenten. (zie noot 42) De verruiming in het eerste lid werkt door in het tweede en derde lid, waardoor na inwerkingtreding van het wetsvoorstel ook tenuitvoerleggingsgegevens in verband met de nieuwe maatregelen kunnen worden verstrekt.
De Afdeling maakt uit de toelichting op dat een verdergaande wijziging dan het mogelijk maken van de vernietiging van tenuitvoerleggingsgegevens over beslissingen waarbij de vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie is uitgesproken, niet door de wetgever lijkt te zijn beoogd. (zie noot 43) Gelet daarop adviseert zij in artikel 51c, tweede en derde lid, Wjsg een beperking aan te brengen waardoor de verstrekkingsmogelijkheid van deze gegevens wordt vermeden. Dit kan bijvoorbeeld door deze artikelleden te beperken tot de tenuitvoerleggingsgegevens van veroordeelden. Indien het wel de bedoeling van de wetgever is geweest om de nieuwe maatregelen onder de verstrekkingsmogelijkheid te brengen, adviseert de Afdeling om dit nader in de toelichting te motiveren.
De Afdeling adviseert in de toelichting de verstrekkingsbevoegdheid van tenuitvoerleggingsgegevens over beslissingen waarbij de vervallenverklaring aan de staat en de maatregel van confiscatie zijn uitgesproken te motiveren of het wetsvoorstel aan te passen, in die zin dat dit uitdrukkelijk wordt uitgesloten.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.
De vice-president van de Raad van State
Voetnoten
(1) Richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen. De term ‘confiscatie’ wordt in de richtlijn als verzamelbegrip gebruikt voor de definitieve ontneming van goederen, bevolen door een rechter in verband met een strafbaar feit. Zie artikel 3 onder 6 van de richtlijn.
(2) Overweging 6 en7 preambule Richtlijn (EU) 2024/1260.
(3) Overweging 7 en 15 preambule Richtlijn (EU) 2024/1260.
(4) Overwegingen 1 t/m 3 preambule Richtlijn (EU) 2024/1260.
(5) Voorgesteld artikel 36g Sr.
(6) Voorgesteld artikel 36h Sr.
(7) Dit wordt ook wel non conviction based confiscation (NCBC) genoemd.
(8) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.1 Inleiding, tweede alinea.
(9) Advies Afdeling advisering over de Wet confiscatie criminele goederen (W16.22.00186/II).
(10) Stcrt. 2024, 7988, p. 15.
(11) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 8.1 (Het recht op eigendom), zevende alinea.
(12) European Court of Human Rights, Guide on Article 1 of Protocol No. 1 - Protection of property (Updated on 28 February 2026), par. 127-129. Zie ook EHRM 13 juli 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0713JUD005070511 (Todorov en anderen tegen Bulgarije), par. 183 en EHRM 25 september 2025, ECLI:CE:ECHR:2025:0925JUD003655122 (Isaia en anderen tegen Italië), par. 61.Todorov e.a. tegen Bulgarije, 2021, par. 183 en Isaia e.a. tegen Italië, 2025, par. 61.
(13) European Court of Human Rights, Guide on Article 1 of Protocol No. 1 - Protection of property (Updated on 28 February 2026), par. 149.
(14) European Court of Human Rights, Guide on Article 1 of Protocol No. 1 - Protection of property (Updated on 28 February 2026), par. 158, 423.
(15) European Court of Human Rights, Guide on Article 1 of Protocol No. 1 - Protection of property (Updated on 28 February 2026), par. 161.
(16) European Court of Human Rights, Guide on Article 1 of Protocol No. 1 - Protection of property (Updated on 28 February 2026), par. 167.
(17) Isaia e.a. tegen Italië, para. 70.
(18) Isaia e.a. tegen Italië, para. 71.
(19) Isaia e.a. tegen Italië, para. 72.
(20) Isaia e.a. tegen Italië, para. 73.
(21) Isaia e.a. tegen Italië, para. 76.
(22) Isaia e.a. tegen Italië, para. 76.
(23) Isaia e.a. tegen Italië, para. 76.
(24) Artikel 1 van Richtlijn (EU) 2024/1260.
(25) Aanwijzing 9.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(26) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 10.3 (De wettelijke regeling voor vervallenverklaring aan de staat en confiscatie van een voorwerp), en paragrafen 4.2.2 (De wettelijke voorwaarden) en 4.3.2 (De wettelijke voorwaarden).
(27) Artikel 15, tweede lid, en artikel 16, eerste lid, Confiscatierichtlijn.
(28) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.3.2 (De wettelijke voorwaarden), vierde alinea.
(29) Artikel 16, eerste lid, Confiscatierichtlijn.
(30) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.3.2 (De wettelijke voorwaarden), derde alinea.
(31) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.6.1 Nevengeschikte procedures, vierde alinea.
(32) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.6.2 De inbeslagneming van voorwerpen en de beide strafvorderlijke procedures, derde alinea.
(33) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.6.1 Nevengeschikte procedures, vierde alinea.
(34) Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.6.1 Nevengeschikte procedures, vijfde alinea.
(35) Het criterium van ‘aannemelijkheid’ voor de bewijsstandaard is ingegeven door de behoefte aan een snelle interventieprocedure om voorwerpen met een criminele herkomst aan het maatschappelijke verkeer te kunnen onttrekken, zie Memorie van Toelichting, Algemeen Deel, paragraaf 4.6.1 Nevengeschikte procedures.
(36) Zie de voorgestelde artikelen 576 e.v. Sv over de raadkamerprocedure.
(37) Voorgestelde wijziging van artikel 552d Sv en artikelsgewijze toelichting onderdeel K (Wijziging artikel 552d).
(38) Memorie van Toelichting, Artikelsgewijze toelichting, Artikel 584 Sv.
(39) Voor de voordeelsontneming is weliswaar een veroordeling nodig, maar de maatregel kan ook worden toegepast op andere strafbare feiten dan waarvoor de persoon veroordeeld is, als er voldoende aanwijzingen zijn dat deze door de veroordeelde zijn begaan, zie artikel 36e, tweede lid, Sv.
(40) Memorie van Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 4.4.2 (De procedure op hoofdlijnen), en paragraaf 10.3 (De wettelijke regeling voor vervallenverklaring aan de staat en confiscatie van een voorwerp)
(41) Tenuitvoerleggingsgegevens zijn persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, die in een dossier of een ander gegevensbestand zijn of worden verwerkt. Zie hiervoor artikel 1, onderdeel d, Wjsg.
(42) Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 116-117.
(43) Memorie van Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 10.4 (Gegevensverwerking), laatste alinea.