Uitspraak 201402689/1/A3


Volledige tekst

201402689/1/A3.
Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2014 in zaak nr. 13/9177 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de minister het verzoek van [appellant] om inlijving in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer, afgewezen.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2014 heeft de rechtbank het door
[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. K.B. Larooij, advocaat te Hillegom, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 14 moet het genot van de rechten en de vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM moet het genot van elk in de wet neergelegd recht worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de adeldom (hierna: de Woa) geschiedt de verlening van adeldom door verheffing, inlijving of erkenning.

Ingevolge artikel 3 gaat adeldom ook volgens de bestaande regelingen met betrekking tot adeldom over op buiten het huwelijk geboren kinderen.

2. [appellant] is een in 1990 geboren buitenechtelijk, erkend kind van [vader] en [moeder].

De minister heeft zijn verzoek om inlijving in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer afgewezen, omdat de Woa hiervoor geen grond biedt. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Woa volgt dat de bepaling alleen consequenties heeft voor kinderen die geboren zijn dan wel worden na inwerkingtreding van de Woa (Handelingen I, 1993/94, 27-1475 en Handelingen I, 1993/94, 30-1671) en dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 januari 2005 in zaak nr. 200404471/1 deze interpretatie van artikel 3 van de Woa heeft bevestigd. De minister heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding gezien aan artikel 3 van de Woa een andere uitleg te geven. Deze bepaling betekent weliswaar een modernisering van het instituut, maar deze modernisering is volgens de minister uitdrukkelijk beperkt gebleven tot kinderen geboren buiten het huwelijk voor zover zij geboren zijn dan wel worden na inwerkingtreding van de Woa.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door de Afdeling in haar uitspraak van 5 januari 2005 aan artikel 3 van de Woa gegeven uitleg onjuist is. Daartoe voert hij aan de gegeven uitleg niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Door het aannemen van het amendement van het lid V.A.M. van der Burg is een nieuw artikel toegevoegd (Kamerstukken II, 1992/93, 21 485, nr. 12), thans artikel 3 van de Woa, waarmee in de verkrijging van adeldom door afstamming een belangrijke wijziging is aangebracht. Volgens [appellant] heeft de wetgever daarmee het conserverende karakter van het traditionele adelsrecht aangetast en kan daarom het conserverende karakter geen reden zijn om de in artikel 3 van de Woa neergelegde mogelijkheid van verwerving van adeldom te beperken tot kinderen die na de inwerkingtreding van de Woa zijn geboren. De uitlatingen van de minister tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Eerste Kamer zijn gebaseerd op de oorspronkelijke strekking van de wet, te weten het handhaven van het traditionele adelsrecht als historisch instituut, maar in tegenspraak met de strekking van het amendement dat door de wetgever is aanvaard, aldus [appellant]. Bovendien komt wat de minister heeft opgemerkt neer op een wijziging van de voorgestelde wettelijke bepaling ten opzichte van de door de Tweede Kamer aangenomen tekst, hetgeen ongeoorloofd is. Nu voorts ter zake van artikel 3 van de Woa geen overgangsrecht is vastgesteld, is die bepaling mede van toepassing op vóór de inwerkingtreding van de Woa buiten het huwelijk geboren kinderen van een adellijke vader.

3.1. Een nieuwe rechtsregel is van toepassing op feiten die ten tijde van zijn inwerkingtreding bestaan, tenzij iets anders is bepaald of uit de totstandkomingsgeschiedenis, aard of inhoud van de regel voortvloeit. In de uitspraak van 5 januari 2005 heeft de Afdeling over de werking van artikel 3 van de Woa het volgende overwogen:

"Terzake artikel 3 van de Wet is geen overgangsrecht vastgesteld. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat voornoemd artikel niet mede van toepassing is op geadopteerde kinderen van mannelijke personen die tot de Nederlandse adel behoren en die zijn geboren voordat de Wet op 1 augustus 1994 in werking trad. Voor dit oordeel is in de eerste plaats redengevend dat de in artikel 3 van de Wet opgenomen verwijzing naar bestaande regelingen met betrekking tot adeldom bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een verwijzing naar de geboorte en het tijdstip daarvan, aangezien immers in de regel de overgang van adeldom door geboorte wordt bepaald. Voorts is van belang dat de Minister van Binnenlandse Zaken bij de behandeling van het voorstel van wet in de Eerste Kamer (Handelingen I, 1993/1994, 27-1475 en Handelingen I, 1993/1994, 30-1671) heeft verklaard dat artikel 3 uitsluitend betrekking heeft op kinderen die geboren worden na inwerkingtreding van de Wet, dat het rechtsfeit van de geboorte bepalend is voor de vraag of dat artikel toepasselijk is, en dat is beoogd om de uitvoeringstechnische gevolgen van artikel 3 zo beperkt mogelijk te houden. (…) Gelet op het voorgaande heeft appellant zich met recht op het standpunt gesteld dat artikel 3 van de Wet voor zowel natuurlijke als geadopteerde kinderen van mannelijke personen die tot de Nederlandse adel behoren slechts toepasselijk is indien zij zijn geboren na 1 augustus 1994, en dat mitsdien terecht is geweigerd om [persoon] in het filiatieregister in te schrijven omdat zij is geboren voordat de Wet in werking is getreden."

3.2. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 januari 2005 een onjuiste uitleg betreffende de werking van artikel 3 van de Woa heeft gegeven. De Afdeling is evenals de rechtbank van oordeel dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd daarvoor onvoldoende grondslag biedt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 januari 2005 in de eerste plaats redengevend heeft geacht dat de in artikel 3 van de Woa opgenomen verwijzing naar bestaande regelingen met betrekking tot adeldom bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een verwijzing naar de geboorte en het tijdstip daarvan, aangezien immers in de regel de overgang van adeldom door geboorte wordt bepaald. Haar oordeel was dan ook niet slechts gebaseerd op de verklaring van de minister tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer. Daar komt bij dat hetgeen de minister bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft verklaard in overeenstemming is met de aard van de bepaling. Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat artikel 3 van de Woa, anders dan [appellant] betoogt, niet mede van toepassing is op vóór de inwerkingtreding van de Woa buiten het huwelijk geboren kinderen.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat aan hem ten tijde van de inlijving van zijn familie in de Nederlandse adel al het predikaat jonkheer had moeten worden toegekend. Het verzoek is ook daarom ten onrechte afgewezen. Hij voert aan dat de zinsnede "wettige afstammelingen in mannelijke lijn", ten onrechte in het adelsdiploma is opgenomen, omdat dit in strijd is met het bepaalde in artikel 3 van de Woa. [appellant] wijst er in dat verband op dat zijn familie eerst na de inwerkingtreding van de Woa is ingelijfd.

4.1. Dit betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de gegevens van het adelsdiploma geen rol spelen bij de beoordeling van een op grond van artikel 3 van de Woa gedaan inlijvingsverzoek. Bovendien is de aanvraag tot inlijving van de familie in de Nederlandse adel door de grootvader van [appellant] gedaan vóór de inwerkingtreding van de Woa en heeft de inlijving destijds derhalve plaatsgevonden onder oud recht.

5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de afwijzing van zijn verzoek om inlijving in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer zich niet verdraagt met artikel 8 van het EVRM, artikel 14 van het EVRM en artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Volgens [appellant] dient de afwijzing van zijn verzoek om inlijving in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer te worden aangemerkt als een inmenging van de overheid in zijn privé- en gezinsleven. Opname in het filiatieregister heeft volgens hem als rechtsgevolg dat zij die zijn opgenomen het recht hebben een door de wet beschermde titel of predikaat te voeren. [appellant] stelt dat inschrijving in het register een recht is dat iemand ontbeert zolang hij niet is ingeschreven. De weigering van inschrijving levert een inmenging op door de overheid in zijn recht op privé- en gezinsleven, aldus [appellant]. Hij stelt dat hij als gevolg van de afwijzing wordt geraakt in zijn recht op privé- en gezinsleven, nu hij van bepaalde clubs waar zijn familieleden, zoals zijn ouders en nichten en neven geboren na 1 augustus 1994, lid van zijn, is uitgesloten. Voorts heeft hij aangevoerd dat de afwijzing van zijn verzoek een discriminatoir karakter heeft, omdat een ongeoorloofd onderscheid tussen gelijke gevallen wordt gemaakt, namelijk ongelijke behandeling tussen kinderen van een adellijke vader geboren vóór 1 augustus 1994 en kinderen van een adellijke vader die daarna zijn geboren. Hij acht dit onderscheid ongerechtvaardigd nu daaraan geen objectieve en redelijke rechtvaardiging ten grondslag ligt. Immers, het gaat in dezen niet om een historisch instituut dat slechts aan dat historische karakter zijn bestaansrecht ontleent en zich daarom niet leent voor aanpassing aan moderne opvattingen over gelijke behandeling; het instituut is namelijk aangepast wat betreft buiten het huwelijk geboren kinderen. Het enige doel dat met het onderscheid is gediend, is het beperken van de adelstand in Nederland. Dat is geen legitiem doel om ongelijke behandeling toe te staan, aldus [appellant].

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de afwijzing van het verzoek geen inmenging in het recht van [appellant] op zijn privé- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM oplevert. De afwijzing van zijn verzoek strekt er immers niet toe om hem een predikaat te ontnemen dat hem tot het uitoefenen van zijn recht op privé- en gezinsleven door lidmaatschap bij dezelfde clubs als zijn ouders en nichten en neven in staat stelde. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 1995 in zaak nr. R01920559 (AB 1996, 222). Aan het effectief respecteren van het recht op privé- en gezinsleven kunnen echter ook positieve verplichtingen voor de staat zijn verbonden. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Daartoe moet worden beoordeeld of bij de besluitvorming een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang. De overheid beschikt daarbij over een zekere beoordelingsruimte. Het geschil beperkt zich in zoverre dan tot de vraag of zich feiten of omstandigheden voordoen, waaruit, gelet op het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, een positieve verplichting tot toewijzing van het predikaat jonkheer voortvloeit. Naar het oordeel van de Afdeling dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Niet is gebleken dat het voor [appellant] niet mogelijk is wegens het ontbreken van het predikaat jonkheer gezins- en familieleven met zijn ouders en nichten en neven te hebben. Het belang van het beperkt houden van de adelstand in Nederland en het respecteren van het historische karakter van het instituut wegen zwaarder dan het belang van [appellant] om op de door hem gewenste wijze aan zijn privé- en gezinsleven vorm te geven. Op de staat rust derhalve geen positieve verplichting tot toewijzing van het predikaat jonkheer. De rechtbank heeft daarom terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat de minister met de afwijzing van zijn verzoek om inlijving in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer het recht van [appellant] op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM niet heeft geschonden.

5.2. Dat het recht op opname in het filiatieregister niet valt onder de reikwijdte van het EVRM en aldus geen beroep kan worden gedaan op artikel 14 van het EVRM omdat die bepaling slechts dan van toepassing is als onderscheid wordt gemaakt in het genot van één der rechten beschermd door het EVRM, zoals de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM) van 18 mei 1999 in de zaak ing. J.A.M. Wolff Metternich tegen Nederland, zaak nr. 4508/99 (www.echr.coe.int; hierna: het Wolff Metternich-arrest) heeft overwogen, wordt door de Afdeling niet gevolgd. Het EHRM heeft in het Wolff Metternich-arrest overwogen dat het EVRM niet als zodanig het recht beschermt om te worden opgenomen in een adeldomsregister en om aldus een adellijke titel of predikaat te verkrijgen. [appellant] heeft zich beroepen op het recht op privé- en gezinsleven. Op dit recht was in het Wolff Metternich-arrest geen beroep op gedaan. Gezien de nauwe verbondenheid tussen het predikaat jonkheer en het privé- en gezinsleven van [appellant] valt de onthouding van die titel binnen de sfeer van artikel 8 van het EVM en moet de afwijzing van zijn verzoek om inlijving in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer derhalve voldoen aan de eisen van die bepaling.

5.3. Zoals ter zitting is gebleken, heeft [appellant] naast zijn beroep op artikel 14 van het EVRM en artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM afzonderlijk een beroep gedaan op het nationale gelijkheidsbeginsel. Artikel 120 van de Grondwet staat er aan in de weg dat naast het beroep van [appellant] op artikel 14 van het EVRM en artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, afzonderlijk aan het nationale gelijkheidsbeginsel wordt getoetst.

De Afdeling zal hierna toetsen of de gelijkheidsnormen zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM, in samenhang bezien met artikel 8 van het EVRM, en artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM aan de afwijzing van zijn verzoek om inlijving in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer in de weg staan.

5.4. Gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraken van 5 april 2006 in zaak nr. 200505679/1 en van 22 juli 2009 in zaak nr. 200807914/1), is van discriminatie geen sprake als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. In dit verband dient de vraag te worden beantwoord of er voor het verschil in behandeling tussen buitenechtelijke kinderen van een adellijke vader geboren vóór 1 augustus 1994 enerzijds en buitenechtelijke kinderen van een adellijke vader die daarna zijn geboren anderzijds een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De adel is een historisch gegroeid instituut dat zijn bestaansrecht uitsluitend ontleent aan dat historische karakter. Met het naar eigentijdse denkbeelden wijzigen en inrichten van het instituut zal dit instituut zijn grondslag verliezen. Uitgangspunt bij het wetsvoorstel was gelet daarop, het beleid ten aanzien van adeldom en het geldende adelsrecht te handhaven. De modernisering is daarom beperkt tot na 1 augustus 1994 buiten het huwelijk geboren kinderen van een adellijke vader. Gelet hierop bestaat voor het onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging.

Het betoog faalt.

6. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het predikaat jonkheer onderdeel uitmaakt van de geslachtsnaam. Hij voert gemotiveerd aan dat de huidige leer in Nederland dat adellijke titels en predikaten geen deel uitmaken van de geslachtsnaam onjuist en onhistorisch is. Reeds op die grond stelt [appellant] dat hij tot de Nederlandse adel behoort.

6.1. De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat de adellijke titel en het predikaat geen onderdeel uitmaken van de geslachtsnaam. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Sparreboom
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

597.