Uitspraak 201402663/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:3583
- Datum uitspraak
- 16 september 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 juli 2013 is de vreemdeling de toegang geweigerd. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201402663/1/V3.
Datum uitspraak: 16 september 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
[de vreemdeling],
appellant,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2013 is de vreemdeling de toegang geweigerd. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 27 november 2013 heeft de staatssecretaris het administratief beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Bij besluit van 14 februari 2014 heeft de staatssecretaris het besluit van 27 november 2013 ingetrokken.
Bij uitspraak van 21 maart 2014 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het door de vreemdeling tegen het besluit van 27 november 2013 ingestelde beroep kennis te nemen en het beroepschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij brief van 5 mei 2014 heeft de vreemdeling desgevraagd toegelicht wat zijn belang bij de behandeling van het beroepschrift is.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft het besluit waartegen het beroep van de vreemdeling zich richt ingetrokken. De vreemdeling betoogt dat hij niettemin belang heeft bij beoordeling van dit beroep. Hij voert aan dat hem op 7 augustus 2013 een verblijfsvergunning asiel is verleend, dat hem op 27 juli 2013 ten onrechte de toegang is geweigerd, dat hem ten onrechte van 27 juli tot 7 augustus 2013 een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd en dat de staatssecretaris gehouden is hem voor die periode schadevergoeding toe te kennen. Hij stelt in dat verband dat hem in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een effectief rechtsmiddel is onthouden.
2. Dit betoog miskent dat de Afdeling bij uitspraak van 6 februari 2014 in zaak nr. 201308274/1/V4 heeft overwogen dat de beroepen van de vreemdeling tegen de toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel gelijktijdig dienden te worden behandeld en dat de Afdeling vervolgens het geschil over die besluiten definitief heeft beslecht en het verzoek van de vreemdeling om schadevergoeding heeft afgewezen. Daarmee bestond er geen grondslag voor het besluit van de staatssecretaris van 27 november 2013, zodat de staatsecretaris dit besluit heeft mogen intrekken. Gelet op het voorgaande heeft de vreemdeling geen belang meer bij de behandeling van het beroep.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014
47.