Uitspraak 201302736/1/A3 en 201302736/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3249
- Datum uitspraak
- 7 juni 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 juli 2012 heeft de minister [appellant] uitstel van betaling verleend in de vorm van een betalingsregeling voor het betalen van een aan hem opgelegde boete van € 4793,80.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Boete
Toon inhoud
201302736/1/A3 en 201302736/2/A3.
Datum uitspraak: 7 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 7 februari 2013 in zaak nr. 12/5063 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2012 heeft de minister [appellant] uitstel van betaling verleend in de vorm van een betalingsregeling voor het betalen van een aan hem opgelegde boete van € 4793,80.
Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I.C.M. Nijland, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Bij besluit van 8 juli 2011 heeft de minister [appellant] een boete van € 30.450,00 opgelegd ter zake van overtreding van artikel 101 van de Geneesmiddelenwet. Bij besluit van 23 januari 2012 heeft de minister de hoogte van de boete verlaagd naar € 4.793,80.
Naar aanleiding van een verzoek van [appellant] heeft de minister hem bij besluit van 17 juli 2012 uitstel van betaling verleend in de vorm van een betalingsregeling, waarbij [appellant] de hem opgelegde boete in tien maandelijkse termijnen van € 479,38 dient te betalen. De minister heeft dat besluit in het bij de rechtbank bestreden besluit gehandhaafd.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister hem ten onrechte een boete heeft opgelegd.
3.1. [appellant] heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 23 januari 2012 waarbij de hem opgelegde boete is verlaagd naar € 4.793,80. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is dat besluit daardoor in rechte onaantastbaar geworden. Het staat daarom niet ter beoordeling in deze procedure. Die handelt slechts over het door de minister verleende uitstel van betaling in de vorm van een betalingsregeling.
[appellant] heeft zich niet gekeerd tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op dat uitstel en de daaraan verbonden voorwaarden.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Reuveny
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013
622.