Uitspraak 201112287/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3416
- Datum uitspraak
- 8 maart 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 januari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201112287/1/V2.
Datum uitspraak: 8 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2011 in zaak nr. 11/6154 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 november 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de aanvraag van de vreemdeling wederom afgewezen.
Tegen dit besluit heeft de vreemdeling beroep ingesteld. Het beroepschrift heeft de rechtbank doorgezonden aan de Afdeling.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.
3. Hetgeen de staatssecretaris in het hogerberoepschrift aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Het besluit van 30 mei 2012, voor zover de staatssecretaris daarbij heeft beoogd aan de aangevallen uitspraak gevolg te geven, is een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 4 oktober 2010 in zaak nr. 200909123/1/V2, www.raadvanstate.nl) moet dit besluit, nu de staatssecretaris daarbij de aanvraag van de vreemdeling wederom heeft afgewezen, krachtens artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, bij de beoordeling worden betrokken.
6. Onder verwijzing naar zijn medische omstandigheden betoogt de vreemdeling dat zijn moeder hem in Irak heeft verzorgd vanaf de periode dat zijn ziekte zover was ontwikkeld dat hij niet meer zelfstandig kon functioneren. Omdat zijn moeder is overleden en de aard van zijn ziekte met zich brengt dat hij geen beroep kan doen op mantelzorg door zijn familie, zal hij bij terugkeer naar Irak in een medische noodsituatie komen te verkeren. Hij wijst in dit verband op het progressieve karakter van zijn ziekte waardoor hij bijna niets meer kan zien, de benodigde dagelijkse verzorging en verklaringen van zijn zusters waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat zijn. Onder verwijzing naar de door hem bij zijn zienswijze overlegde informatie van zijn behandelaars betoogt de vreemdeling voorts dat hij op professionele zorg is aangewezen, dat de staatssecretaris het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) ten onrechte niet heeft gevraagd om op deze informatie te reageren en dat hij als gevolg van zijn handicap sterk afhankelijk is van een gevoel van veiligheid.
6.1. Volgens het advies van het BMA van 2 april 2012 (hierna: het BMA-advies) heeft de vreemdeling meerdere medische klachten, bestaande uit niet behandelbare slechtziendheid, lawaaidoofheid en neurologische stoornissen waardoor hij trilt en steun nodig heeft. Voorts heeft de vreemdeling vermoedelijk ook spraakstoornissen en is hij bekend met een te hoog cholesterolgehalte en een tekort aan vitamine B. De vreemdeling is volgens het BMA-advies wegens zijn slechte gezichtsvermogen en loopproblemen voor zijn dagelijkse zorg afhankelijk van verzorging door derden. Ondersteuning in het dagelijks leven, in de zin van mantelzorg, professionele zorg of beschermd wonen, zal levenslang noodzakelijk zijn. Bij het uitblijven van behandeling voor het te hoge cholesterolgehalte, het vitaminetekort en de gehoorschade zal geen medische noodsituatie op korte termijn ontstaan. Het ontbreken van zorg door derden, in de zin van mantelzorg, professionele zorg of beschermd wonen, zal leiden tot een medische noodsituatie omdat betrokkene onvoldoende in staat is om voor zichzelf te zorgen. Indien voor de vreemdeling geen mantelzorg beschikbaar is, ontraadt het BMA de reis naar Irak.
6.2. In aanmerking genomen dat volgens het BMA-advies de vreemdeling met behulp van mantelzorg, professionele zorg of beschermd wonen het ontstaan van een medische noodsituatie kan voorkomen en alleen voor het geval geen mantelzorg beschikbaar is de reis naar Irak wordt ontraden, kan dit advies niet anders worden begrepen dan dat professionele zorg voor de vreemdeling door het BMA niet noodzakelijk wordt geacht en dat de vreemdeling het ontstaan van een medische noodsituatie in Irak kan voorkomen door mantelzorg in te schakelen. Nu uit de door de vreemdeling bij de zienswijze overgelegde informatie van zijn behandelaars evenmin blijkt dat alleen professionele zorg het ontstaan van een medische noodsituatie kan voorkomen en de behandelaars ook anderszins het BMA-advies op dit punt niet hebben weersproken, heeft de staatssecretaris daarin niet ten onrechte geen aanleiding gezien om het BMA om een reactie te vragen.
Over het door de vreemdeling gestelde ontbreken van mantelzorg in Irak heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 30 mei 2012 op het standpunt gesteld dat er geen aanknopingspunten zijn dat de vreemdeling zich bij terugkeer in Irak met behulp van ondersteuning van de zijde van buren, vrienden en familie niet staande zal kunnen houden, zoals dat ook voorafgaande aan zijn vertrek uit Irak voortdurend het geval is geweest. Zoals de staatssecretaris in aanvulling hierop in zijn verweerschrift van 3 augustus 2012 naar voren heeft gebracht, heeft de vreemdeling met de stelling dat zijn in Irak woonachtige neef en twee zusters niet in staat zijn om hem mantelzorg te verlenen, evenmin aannemelijk gemaakt dat in Irak geen personen aanwezig zijn die de vereiste mantelzorg kunnen bieden. Daarbij heeft hij terecht van belang geacht dat uit de bij het aanvullend beroepschrift van 9 juli 2012 overgelegde verklaringen van de zusters van de vreemdeling niet is af te leiden dat het voor hen feitelijk onmogelijk is om die zorg, eventueel samen of met hulp van anderen, te verlenen.
Het vorenstaande in aanmerking genomen bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling weliswaar is aangewezen op mantelzorg, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat door het ontbreken van die zorg een medische noodsituatie in Irak zal ontstaan.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 30 mei 2012, kenmerk 0709-11-0191, ongegrond;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Zwinkels
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013
309.