Uitspraak 201111642/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3417
- Datum uitspraak
- 8 maart 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 oktober 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201111642/1/V2.
Datum uitspraak: 8 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 november 2011 in zaak nrs. 11/31721 en 11/31723 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 1 november 2011 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 1 oktober 2011 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe betoogt hij dat de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden in dit geval niet kunnen leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De veronderstelling dat de Turkse autoriteiten naar de vreemdeling op zoek zijn vanwege zijn hulp aan de Partiya Karkerên Kurdistan (hierna: de PKK) is geenszins aannemelijk gemaakt. Voorts heeft de staatssecretaris het vermoeden van de vreemdeling dat hij bij terugkeer naar Turkije mogelijk wordt opgepakt niet plausibel geacht, gegeven de vaststelling dat de vreemdeling de laatste jaren voor zijn vertrek geen problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten en dat de derde en laatste aanhouding in 1998 ruimschoots voor zijn vertrek heeft plaatsgevonden.
2.1. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling met betrekking tot de strafzaak en het uitreisverbod niet geloofwaardig is. Nu de vreemdeling niet in hoger beroep is gekomen, dient thans van de juistheid van dat oordeel te worden uitgegaan. Niet in geschil is dat de vreemdeling in 1996, 1997 en 1998 door de Turkse autoriteiten is gearresteerd, gedetineerd en gemarteld.
2.2. Ingevolge artikel 3.35, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (hierna: het Vluchtelingenverdrag), dan wel aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gegrond is en het risico om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 zich niet opnieuw zullen voordoen.
2.3. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 30 oktober 1991 in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk, (www.echr.coe.int) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) strijdige behandeling, sprake te zijn van verdere specifieke onderscheidende kenmerken ('further special distinguishing features'), waaruit een reëel risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ('mere possibility') van schending is onvoldoende.
2.4. In het besluit van 1 oktober 2011 en het daarin ingelaste voornemen daartoe heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het vermoeden van de vreemdeling dat hij bij terugkeer in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten zal komen te staan niet plausibel geacht en zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 strijdige behandeling. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling naar eigen zeggen bij het verkrijgen van een identiteitskaart in augustus 2010 geen problemen heeft ondervonden. Evenmin heeft de vreemdeling problemen ondervonden van de Turkse autoriteiten bij de uit- en inreis in 2010 dan wel 2011 bij de Turks-Macedonische grens. Ook is de vreemdeling door de Turkse autoriteiten zonder enig probleem in het bezit gesteld van een rijbewijs in september 2011, zodat niet aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer wel problemen van de zijde van de Turkse autoriteiten zal ondervinden. Daarnaast heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat uit de verklaringen van de vreemdeling veeleer is af te leiden dat de vreemdeling het toevallige slachtoffer is geweest van de heersende spanningen en de strenge veiligheidsmaatregelen die door de Turkse overheid in acht worden genomen. Zo heeft de vreemdeling verklaard dat in 1996 een aanval van de PKK op het politiebureau ertoe heeft geleid dat twee dagen na deze aanval alle jongeren - waaronder de vreemdeling - zijn ondervraagd. De tweede aanhouding heeft volgens de vreemdeling plaatsgevonden in 1997 na een voetbalwedstrijd waarbij opnieuw een groep jongeren - inclusief de vreemdeling - zijn verhoord en nadien zijn vrijgelaten. De derde aanhouding in 1998 is volgens de verklaringen van de vreemdeling een identiteitscontrole geweest waarbij hij weer na zijn verhoor is vrijgelaten. De overige vier aanhoudingen betroffen volgens de vreemdeling eveneens willekeurige identiteitscontroles waarbij hij heeft gesteld dat deze te wijten zijn aan zijn Koerdische achtergrond. Uit deze verklaringen kan volgens de staatssecretaris niet worden aangenomen dat de vreemdeling persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten is komen te staan. Met betrekking tot de omstandigheid dat de vreemdeling enkele keren bij zijn schoonouders een paar PKK-strijders van eten heeft voorzien heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling heeft verklaard dat alleen diens echtgenote hiervan op de hoogte is en dat op geen enkele wijze is gebleken dat de Turkse autoriteiten van deze actie op de hoogte zijn geraakt. Nu niet aannemelijk is dat de vreemdeling persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat, heeft de staatssecretaris de vrees van de vreemdeling voor de PKK die volgens hem voortvloeit uit zijn vrees voor de Turkse autoriteiten, evenmin aannemelijk geacht.
2.5. Gelet op het onder 2.1. overwogene, is niet in geschil dat de vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandelingen zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Echter, door zijn besluit van 1 oktober 2011 te motiveren als weergegeven onder 2.4. heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het vermoeden van de vreemdeling dat hij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten zal komen te staan niet plausibel is, aangezien er goede redenen zijn om aan te nemen dat de arrestaties van de vreemdeling in het verleden geen aanwijzing vormen dat hij ook thans te vrezen heeft voor een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht van belang geacht dat de arrestaties van de vreemdeling niet het gevolg waren van op zijn persoon gerichte acties en dat hij de laatste jaren voor zijn vertrek bij gerichte controles geen problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten. De enkele mogelijkheid dat de vreemdeling bij een willekeurige controle door de Turkse autoriteiten staande zal worden gehouden, zal worden gedetineerd en tijdens zijn detentie zal worden gedwongen informatie over leden van de PKK prijs te geven, heeft de staatssecretaris, gelet op hetgeen onder 2.3. is overwogen, terecht onvoldoende geacht om aannemelijk te achten dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zijn standpunt in overeenstemming met het toepasselijke toetsingskader, weergegeven onder 2.2., gemotiveerd en heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris het besluit van 1 oktober 2011 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 november 2011 in zaak nr. 11/31721;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013
638.