Uitspraak 201211431/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3421
- Datum uitspraak
- 6 maart 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 september 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201211431/1/V1.
Datum uitspraak: 6 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juli 2012 in zaak nr. 11/41621 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 5 januari 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In artikel 6:8 van de Awb is bepaald dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Ingevolge artikel 6:24 van de Awb zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing, indien hoger beroep kan worden ingesteld.
Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.
2. De aangevallen uitspraak is verzonden op 11 juli 2012, zodat de termijn voor het instellen van hoger beroep op 8 augustus 2012 is geëindigd. Het hogerberoepschrift is op 7 december 2012 bij faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift derhalve niet tijdig ingediend.
In de aan de aangevallen uitspraak toegevoegde rechtsmiddelvoorlichting is vermeld dat tegen de uitspraak geen hoger beroep kan worden ingesteld. De rechtbank heeft bij brief van 9 november 2012 aan de gemachtigde van de vreemdeling meegedeeld dat een griffiemedewerker van de rechtbank op 27 juli 2012 aan haar secretaresse telefonisch heeft meegedeeld dat tegen de aangevallen uitspraak wel hoger beroep mogelijk is.
Onder verwijzing naar de uitspraak van 2 juli 2003, nr. 200206434/1, overweegt de Afdeling dat, indien een uitspraak van de rechtbank is voorzien van onjuiste rechtsmiddelvoorlichting, een belanghebbende, nadat hij ervan op de hoogte is geraakt dat tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld, in beginsel binnen de in de jurisprudentie aanvaarde termijn van twee weken, daartoe alsnog dient over te gaan. De wettelijke beroepstermijn gaat niet opnieuw lopen. Daargelaten of de termijn van twee weken is aangevangen op het moment dat de vreemdeling telefonisch op 27 juli 2012 ervan op de hoogte was gesteld dat hij hoger beroep kon instellen, of na het verzenden van de brief van de rechtbank van 9 november 2012, in beide gevallen heeft de vreemdeling die termijn niet in acht genomen. De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld feiten of omstandigheden aan te geven, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Nu hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt, zijn zodanige feiten en omstandigheden niet gesteld.
3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Groenendijk
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2013
164.