Uitspraak 201111703/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3491
- Datum uitspraak
- 8 februari 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 november 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
201111703/1/V1.
Datum uitspraak: 8 februari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 11 oktober 2011 in zaak nr. 11/2932 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij besluit van 25 januari 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 11 oktober 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het stelsel, waarbij aan Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: Besluit nr. 1/80) verblijfsvergunningen voor de duur van één jaar worden verleend met als gevolg dat zij elk jaar een verlengingsaanvraag moeten indienen in combinatie met de administratieve lasten en kosten aan leges die daarbij horen, niet onevenredig is aan hetgeen gemeenschapsonderdanen wordt gevraagd voor de afgifte van soortgelijke documenten en dus niet in strijd is met de artikelen 10, eerste lid, en 13 van het Besluit nr. 1/80 en 9 van de op 12 september 1963 namens de Europese Economische Gemeenschap gesloten overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije, die is goedgekeurd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217). Hiertoe verwijst de staatssecretaris onder meer naar een uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 11 augustus 2011 in zaak nr. 10/20851 (LJN: BR6727).
2.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012 in zaak nr. 201109301/1/V2 (pdf, 314 kB), waarbij voormelde uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 11 augustus 2011 is bevestigd en de in de grief aan de orde gestelde rechtsvragen zijn beantwoord, volgt dat de grief slaagt.
3. In grief 3 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 25 januari 2011 in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft genomen. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
3.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De vreemdeling heeft de rechtsvragen die in voormelde uitspraak van 17 juli 2012 zijn beantwoord in bezwaar aan de orde gesteld. Over het antwoord op die rechtsvragen kon ten tijde van het nemen van het besluit van 25 januari 2011 redelijkerwijs twijfel bestaan. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was.
De grief faalt.
4. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte niet de rechtsgevolgen van het besluit van 25 januari 2011 in stand heeft gelaten. Hiertoe verwijst hij naar grief 1.
4.1. Uit het slagen van grief 1 volgt dat de staatssecretaris het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte niet de rechtsgevolgen van het besluit van 25 januari 2011 in stand gelaten.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank niet de rechtsgevolgen van het besluit van 25 januari 2011 in stand heeft gelaten, dient te worden vernietigd. Nu het besluit van 23 november 2010 niet is herroepen, heeft de staatssecretaris terecht het verzoek van de vreemdeling tot vergoeding van proceskosten in bezwaar afgewezen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, worden de rechtgevolgen van het besluit van 25 januari 2011 in stand gelaten.
6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 11 oktober 2011 in zaak nr. 11/2932, voor zover de rechtbank niet de rechtsgevolgen van het besluit van 25 januari 2011 in stand heeft gelaten;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Spoel w.g. Hartsuiker
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2013
620.