Uitspraak 201110600/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3427
- Datum uitspraak
- 5 maart 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 mei 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
201110600/1/V1.
Datum uitspraak: 5 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 september 2011 in zaak nr. 11/12210 in het geding tussen:
[vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 11 maart 2011 (hierna: het besluit) heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 2 september 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen of met de aanwezigheid van een vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Ingevolge artikel 14, tweede lid, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.
Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan een vreemdeling, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van de staatssecretaris een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
3. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet valt in te zien waarom hij de aanvraag van de vreemdeling terzake vorenbedoeld vereiste van een wezenlijk Nederlands belang niet voor nader advies aan de minister van Economische Zaken (hierna: de minister van EZ) heeft voorgelegd. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat de vennootschap onder firma (hierna: de vof) waarbij de vreemdeling arbeid als zelfstandige beoogt te verrichten is opgeheven toen zijn medevennoot uit de vof is gestapt en dat de vreemdeling die bedrijfsmatige activiteiten als zelfstandige in een eenmanszaak heeft voortgezet. De staatssecretaris voert aan dat hij diens aanvraag terecht niet opnieuw voor advies aan de minister van EZ heeft voorgelegd, omdat de vreemdeling geen stukken over die eenmanszaak heeft overgelegd. Het door de vreemdeling overgelegde ondernemingsplan maakt dat volgens de staatssecretaris niet anders, omdat de daarin opgenomen prognose, winstverdelingen en omzetcijfers niet relevant zijn. Daarin wordt uitgegaan van een andere bedrijfsvorm, met twee vennoten, gedreven vanuit de woning van de medevennoot van de vreemdeling.
3.1. Volgens paragraaf B5/7.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals die luidde ten tijde van belang, dient een vreemdeling, voor een door de minister van EZ met gebruikmaking van het puntensysteem uit te brengen advies, ter beoordeling van zijn aanvraag ten minste een volledig ondernemingsplan over te leggen dat dient te zijn onderbouwd met de in die paragraaf vermelde stukken. Indien geen ondernemingsplan wordt overgelegd, biedt de staatssecretaris een termijn van twee weken om dit verzuim te herstellen. Indien een vreemdeling, ook na deze termijn, geen volledig onderbouwd ondernemingsplan heeft overgelegd wijst de staatssecretaris de aanvraag, zonder voorlegging aan de minister van EZ voor advies, af wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands economisch belang.
3.2. Het door de vreemdeling ter toelichting op zijn aanvraag in de bestuurlijke fase overgelegde ondernemingsplan heeft betrekking op de vof, die reeds voor het besluit niet meer bestond. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit ondernemingsplan met financiële gegevens over die vof niet kan dienen als basis voor advisering over de eenmanszaak waarmee de vreemdeling zijn bedrijfsmatige activiteiten per 26 mei 2010 heeft voortgezet. Nu de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van de door staatssecretaris onder verwijzing naar paragraaf B5/7.3.2 van de Vc 2000 bij brief van 3 december 2010 geboden gelegenheid tot het overleggen van aanvullende stukken, heeft de staatssecretaris diens aanvraag terecht niet opnieuw voor advies aan de minister van EZ voorgelegd. Dat de vreemdeling in beroep een ondernemingsplan over zijn eenmanszaak heeft overgelegd doet daaraan niet af, omdat hij was gehouden dat ter beoordeling van zijn aanvraag in de bestuurlijke fase over te leggen en niet gesteld heeft dat hij daartoe redelijkerwijs niet in staat was.
3.3. Grief 1 slaagt.
4. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft afgezien van het horen van de vreemdeling in bezwaar.
4.1. Van het horen in de bezwaarschriftenprocedure mag een bestuursorgaan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afzien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 3 mei 2010 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is, mede gelet op wat onder 3.2 is overwogen, aan deze maatstaf voldaan, zodat grief 2 slaagt.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het huidige toelatingsbeleid ten aanzien van Turkse zelfstandigen, in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije, strenger is geworden ten opzichte van het moment van inwerkingtreding daarvan. De vreemdeling heeft zijn standpunt dat de toepassing en invulling van het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang in strijd met dat artikel zijn veranderd niet met gegevens of bescheiden gestaafd. De beroepsgrond faalt.
7. Het beroep van de vreemdeling is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 september 2011 in zaak
nr. 11/12210;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van
mr. J. Willems, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Willems
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2013
412-701.