Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201205296/1/V1

Uitspraak 201205296/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:3438
Datum uitspraak
28 februari 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 juli 2011 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Het besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201205296/1/V1.
Datum uitspraak: 28 februari 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 26 april 2012 in zaak nr. 11/25855 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2011 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 april 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn in het besluit ingenomen standpunt dat de vreemdeling bij terugkeer naar Sri Lanka niet wederom te vrezen heeft voor afpersing, ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat de vreemdeling de vermoedens - over wie zijn ouders wederom om geld hebben gevraagd - die deel uitmaken van zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt en heeft de rechtbank ten onrechte zijn oordeel niet terughoudend getoetst doch haar eigen oordeel daarover in de plaats van dat van hem gesteld.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 januari 2008 in zaak nr. 200706294/1 (pdf, 891 kB)) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

2.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit en het daarin ingelaste voornemen op het standpunt gesteld dat geloofwaardig is dat de vader van de vreemdeling is afgeperst, maar dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer als gevolg van deze afpersing te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) omdat de vader in maart 2008 heeft betaald en de vreemdeling vervolgens tot zijn vertrek in juli 2008 op zijn woonadres heeft verbleven en geen problemen meer heeft ondervonden. Daarbij heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de enkele verklaring van de vreemdeling dat na zijn vertrek zijn ouders wederom om geld is gevraagd daaraan niet afdoet, waarbij de staatssecretaris in aanmerking heeft genomen dat de vreemdeling niet weet door wie om geld is gevraagd en zijn stelling in de zienswijze dat zijn vader na zijn vertrek op dezelfde wijze door dezelfde personen wederom om geld is gevraagd niet strookt met hetgeen hij in het nader gehoor heeft verklaard.

2.3. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank, door te overwegen dat uit de verklaringen van de vreemdeling tijdens het nader gehoor kan worden opgemaakt dat dezelfde personen die eerder om geld hadden gevraagd dat wederom hebben gedaan en dat het niet voor de hand ligt dat ineens andere personen om geld zouden vragen, het hiervoor onder 2.1 weergegeven toetsingskader niet in acht heeft genomen en ten onrechte haar eigen oordeel in de plaats van dat van hem heeft gesteld. De gekozen beoordelingswijze leidt er, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, bovendien toe dat daarbij niet meer centraal staat de krachtens artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) op de vreemdeling rustende last zijn relaas aannemelijk te maken, doch dat van de staatssecretaris wordt verlangd de verklaringen van de vreemdeling op de aan de orde gestelde onderdelen te weerleggen. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De enkele stelling van de vreemdeling in beroep dat hij zijn verklaring dat zijn ouders op dezelfde wijze door dezelfde personen opnieuw om geld is gevraagd, handhaaft, en het enkele herhalen en inlassen van hetgeen hij heeft aangevoerd in de zienswijze, bieden geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het hiervoor onder 2.2 weergegeven standpunt heeft gesteld. Deze beroepsgronden falen.

5. De beroepsgronden over bescherming door de autoriteiten en vestigingsalternatief behoeven gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen geen bespreking.

6. De vreemdeling heeft voorts in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris er in het besluit onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM nu in onder meer het rapport 'Sri Lanka: Aktuelle Situation' van 1 december 2010 van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (hierna: het rapport) als risicogroepen wordt genoemd Tamils die enkele jaren in Colombo of het buitenland hebben gewoond en terugkeren naar het noorden en Tamils die het land gedurende de oorlog hebben verlaten, in het buitenland asiel hebben aangevraagd en daarna teruggekeerd zijn. In dit verband heeft hij aangevoerd dat de staatssecretaris wat het verkrijgen van zijn paspoort en de wijze van uitreis betreft ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat hij reeds in 2008 is uitgereisd en de conflicten tussen de regering en de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: de LTTE) eerst zijn aangevangen nadat hij op 1 augustus 2007 zijn paspoort heeft verkregen. Voorts betekent de omstandigheid dat hij heeft kunnen uitreizen volgens de vreemdeling niet dat hij niet te vrezen heeft voor de autoriteiten van Sri Lanka, omdat het visum door een reisagent is geregeld en uit landeninformatie blijkt dat bij het verkrijgen van documenten en het passeren van checkpoints corruptie zeer veel voorkomt in Sri Lanka en alleen de leden van de top van de LTTE bij controles moeten worden aangehouden. Tot slot heeft hij aangevoerd dat de staatssecretaris, nu hij in het noorden van Sri Lanka is geboren, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet als Tamil uit het noorden kan worden aangemerkt.

6.1. De staatssecretaris heeft zich in het voornemen, dat in het besluit is ingelast, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling weliswaar is geboren in het noorden van Sri Lanka, maar dat niet aannemelijk is dat hij bij terugkeer door de autoriteiten van Sri Lanka zal worden gezien als een Tamil afkomstig uit het noorden, nu hij sinds zijn negende levensjaar in Colombo heeft gewoond, daar onderwijs heeft gevolgd en betaald werk heeft gehad, op zijn rijbewijs het woonadres in Colombo is vermeld en aannemelijk is dat hij daar staat geregistreerd. Door de vreemdeling is niet toegelicht waarom dit standpunt van de staatssecretaris ondeugdelijk is gemotiveerd.

Voorts heeft de staatssecretaris zich in het besluit op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten van Sri Lanka. Hierbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdeling door de autoriteiten in het bezit is gesteld van een paspoort waarmee hij op gecontroleerde wijze het land heeft kunnen verlaten. De omstandigheid dat hij gebruikt heeft gemaakt van een reisagent en de gestelde corruptie maken dit volgens de staatssecretaris niet anders. Voorts heeft de staatssecretaris er op gewezen dat zich al in augustus 2006 gevechten tussen de LTTE en de regeringstroepen voordeden. Uit het rapport blijkt volgens de staatssecretaris niet meer dan dat de vreemdeling door zijn langdurig verblijf in het buitenland mogelijk een bijzonder risico loopt, waarbij niet is aangegeven waaruit dit risico bestaat. Voorts heeft de staatssecretaris het niet aannemelijk geacht dat de autoriteiten er van op de hoogte zijn dat de vreemdeling in het buitenland asiel heeft aangevraagd en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat de vreemdeling, die in het bezit is van een paspoort dat geldig is tot in 2017, zich niet opnieuw zou kunnen laten registreren voor vestiging in Colombo. De vreemdeling heeft het vorenstaande in beroep onvoldoende gemotiveerd bestreden. De algemene stukken, waarnaar hij heeft verwezen, maken dit niet anders, nu deze niet zien op de specifieke situatie van de vreemdeling. Nu voorts uit het relaas van de vreemdeling niet blijkt dat hij negatieve belangstelling van de zijde van de Sri Lankaanse autoriteiten heeft ondervonden, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt.

De voormelde beroepsgronden falen.

7. Anders dan de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris door er in het voornemen op te wijzen dat hij na het op 14 december 2007 veroorzaakte verkeersongeval nog tot 26 juli 2008 in Sri Lanka heeft verbleven, zich reeds in het voornemen op het standpunt gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 vanwege overschrijding van de in het traumatabeleid genoemde zes maanden termijn. De beroepsgrond hierover faalt.

8. Ook de beroepsgrond over verlening van een verblijfsvergunning wegens bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard faalt, nu de vreemdeling, zoals reeds in het besluit is vermeld, ook in beroep zijn gestelde psychische en lichamelijke klachten niet nader heeft toegelicht.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 26 april 2012 in zaak nr. 11/25855;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2013

154.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon