Uitspraak 201112917/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3441
- Datum uitspraak
- 27 februari 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 maart 2010 heeft de minister van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201112917/1/V1.
Datum uitspraak: 27 februari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 november 2011 in zaak nr. 10/14431 in het geding tussen:
[vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2010 heeft de minister van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 november 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de vreemdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Bij besluit van 10 maart 2003 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken.
Bij uitspraak van 27 mei 2005 in zaak nr. 03/19579 heeft de rechtbank, nevenzittingsplaats Breda, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank de beroepsgronden van de vreemdeling gericht tegen de toepassing op hem van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Daartoe heeft zij overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van de juistheid en volledigheid van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan van 29 februari 2000 (hierna: het ambtsbericht) moet worden uitgegaan, dat de vreemdeling, gezien het ambtsbericht en diens werkzaamheden als officier voor de Khadimat-e Atal’at-e Dowlati/Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (hierna: de KhAD/WAD), betrokken is geweest bij misdrijven als bedoeld in die bepaling en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarbij niet betrokken is geweest. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
In het ambtsbericht wordt, op grond van de daarin beschreven roulatie- en bevorderingssystematiek voor officieren en onderofficieren binnen de KhAD/WAD, geconcludeerd dat al die officieren werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD/WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen.
Bij besluit van 29 maart 2010 heeft de staatssecretaris zijn op het ambtsbericht gebaseerde standpunt als voormeld, gehandhaafd.
3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 2012 in zaak nr. 201009783/1/V3 (pdf, 609 kB), heeft het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank een eerder besluit heeft vernietigd, tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank in beginsel van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond rechtvaardigen.
4. In de grieven, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2011 in zaak nr. 10/17614 heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de brief van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van 4 oktober 2010 niet kan leiden tot de conclusie dat de "Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992" van de UNHCR van 13 mei 2008 (hierna: de UNHCR-Note) concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de UNHCR-Note noch de brief van de UNHCR van 4 oktober 2010 kunnen afdoen aan de hiervoor onder 2 vermelde overwegingen van de rechtbank uit voormelde uitspraak van 27 mei 2005.
4.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2012 in zaak nr. 201106991/1/V1 volgt dat de UNHCR-Note, gelezen in samenhang met de brief van de UNHCR van 4 oktober 2010, geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. Gelet hierop kunnen de UNHCR-Note en de brief van de UNHCR van 4 oktober 2010 niet als nova worden aangemerkt die een hernieuwde beoordeling van voormelde eerder door de rechtbank bij uitspraak van 27 mei 2005 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden rechtvaardigen.
De grieven slagen.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank behoort te doen zal het besluit van 29 maart 2010 worden getoetst in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangedragen beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.
6. In het kader van zijn eerder bij voormelde uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2005 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden tegen de toepassing op hem van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft de vreemdeling zich thans beroepen op:
- twee ongedateerde verklaringen van een voormalig staatssecretaris van het Afghaanse Ministerie van Staatsveiligheid onderscheidenlijk een voormalig medewerker van dat Ministerie;
- een advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (hierna: ACVZ-advies);
- drie brieven van de UNHCR van 14 november 2007, 20 maart 2009 en 17 november 2009;
- twee brieven van de voorzitter van het Afghaanse parlement van 22 mei 2008 en 17 februari 2009 en een brief van Afghaanse parlementsleden van 13 februari 2009;
- twee verklaringen van de Afghan Organization of Human Rights & Environmental Protection (hierna: de AOHREP) van 16 april 2009 en 5 mei 2010;
- Een brief van Amnesty International van 19 april 2010;
- een motie van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Azough van 21 april 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 19 637, nr. 1339);
- punt 99 van het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2010, C-57/09 en C-101/09, Duitsland tegen B. en D., (www.curia.europa.eu) over de bewijsomvang volgens artikel 12, tweede lid, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304).
6.1. Voormelde ongedateerde verklaringen kunnen niet als nova worden aangemerkt, reeds omdat deze ongedateerd zijn en daarom niet kan worden vastgesteld dat zij niet reeds vóór voormelde uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2005 hadden kunnen worden overgelegd. De verwijzing naar een ACVZ-advies kan niet als een novum worden aangemerkt, reeds omdat de vreemdeling dat ACVZ-advies niet heeft overgelegd en evenmin een identificerend kenmerk daarvan heeft vermeld.
6.2. De overige onder 6 vermelde stukken kunnen niet als nova worden aangemerkt, omdat ze geen hernieuwde beoordeling van voormelde eerder door de rechtbank bij uitspraak van 27 mei 2005 verworpen beroepsgronden rechtvaardigen.
6.2.1. Voor de brieven van de UNHCR van 14 november 2007 en 17 november 2009, de brief van de voorzitter van het Afghaanse parlement van 17 februari 2009, gelezen in samenhang met de brief van Afghaanse parlementsleden van 13 februari 2009, en punt 99 van het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2010 volgt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2012 in zaak nr. 201100646/1/V1 (pdf, 367 kB).
6.2.2. Voor de brief van de voorzitter van het Afghaanse parlement van 22 mei 2008 volgt dat, nu deze brief geen wezenlijk andere informatie bevat dan de brief van Afghaanse parlementsleden van 13 februari 2009, eveneens uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2012.
6.2.3. Voor de brief van de UNHCR van 20 maart 2009 volgt dat, nu deze brief geen wezenlijk andere informatie bevat dan de UNHCR-Note en de brief van de UNHCR van 9 juli 2009, uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 13 april 2012.
6.2.4. Voor de brief van Amnesty International van 19 april 2010, waarin staat dat Amnesty International geen bewijs heeft gevonden voor de conclusie in het ambtsbericht dat alle officieren en onderofficieren van de KhAD/WAD zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van mensenrechten, volgt dat uit hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2004 in zaak nr. 200404008/1 (JV 2005/49) is overwogen over de omstandigheid dat Amnesty International die conclusie in het ambtsbericht niet kan bevestigen.
6.2.5. Voor de verklaringen van de AOHREP, volgens welke de vreemdeling, gezien zijn werkervaring en het door de AOHREP verrichte onderzoek, niet bij schendingen van mensenrechten betrokken is geweest, volgt dat uit de omstandigheid dat deze verklaringen geen concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht en evenmin toelichten waarom de vreemdeling een significante uitzondering vormt op de onder 2 vermelde informatie uit het ambtsbericht.
6.2.6. Voor de motie van 21 april 2010 volgt dat reeds uit de omstandigheid dat deze motie de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht niet weerspreekt.
6.3. Nu de vreemdeling geen nova heeft aangevoerd, bestaat er geen aanleiding voor een hernieuwde beoordeling van de eerder bij voormelde uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2005 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden.
7. De vreemdeling heeft voorts als beroepsgrond aangevoerd dat de staatssecretaris zich in het besluit van 29 maart 2010 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zich niet duurzaam tegen zijn uitzetting naar Afghanistan verzet en dat, subsidiair, het blijvend aan hem onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is.
7.1. In het verweerschrift in beroep heeft de staatssecretaris zijn aldus ingenomen standpunt nader toegelicht door een bericht van de Duitse politie van 22 januari 2011 over te leggen waarin staat dat de vreemdeling op 24 december 2010 als passagier van een op deze datum uit Kabul komende vlucht in Frankfurt am Main is aangetroffen. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling hierop bij brief van 22 januari 2013 gereageerd. In deze brief heeft de vreemdeling bevestigd dat hij in Kabul is geweest en heeft hij vermeld dat hij vanuit Oezbekistan, waar hij voor familiebezoek was, naar Kabul is gegaan waar hij korte tijd heeft verbleven wegens het overlijden van zijn tante.
7.2. De beroepsgrond faalt, reeds omdat de staatssecretaris zich, nu na het besluit van 29 maart 2010 is gebleken dat de vreemdeling in Afghanistan en Oezbekistan is geweest, terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 3 van het EVRM zich niet duurzaam tegen uitzetting van de vreemdeling naar Afghanistan verzet en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat vertrek naar een ander land dan Afghanistan, ondanks voldoende inspanningen om aan zijn vertrekplicht te voldoen, niet mogelijk is. Gelet hierop behoeft hetgeen de vreemdeling overigens in het kader van deze beroepsgrond heeft aangevoerd geen bespreking.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 november 2011 in zaak nr. 10/14431;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Robben
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013
610.