Uitspraak 201207167/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3429
- Datum uitspraak
- 4 maart 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, tegen de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201207167/1/V3.
Datum uitspraak: 4 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 21 juni 2012 in zaak nr. 12/15913 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, tegen de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 juni 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. De vreemdeling klaagt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu hij geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot het verkorten van de duur van het inreisverbod noopten, de staatssecretaris geen aanleiding heeft hoeven zien om een inreisverbod voor een kortere duur dan twee jaren uit te vaardigen.
Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de staatssecretaris hem tijdens het gehoor van 9 mei 2012 onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld voormelde omstandigheden naar voren te brengen. De staatssecretaris heeft het inreisverbod dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd, aldus de vreemdeling.
2.1. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling in de uitspraken van 15 juni 2012 in zaken nrs. 201201202/1/V4 (pdf, 1.6 MB) en 201202257/1/V3 (pdf, 357 kB) beantwoord. Uit die uitspraken volgt dat de staatssecretaris eventuele individuele omstandigheden aan de zijde van de vreemdeling niet bij de beoordeling en bij de motivering van het inreisverbod heeft kunnen betrekken, nu uit de dossierstukken, waaronder het proces-verbaal van gehoor van 9 mei 2012, niet blijkt dat in de bestuurlijke fase aan de vreemdeling kenbaar is gemaakt dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot het afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel tot verkorting van de duur daarvan en dat het aan hem is dergelijke individuele omstandigheden naar voren te brengen. De staatssecretaris heeft het inreisverbod daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb uitgevaardigd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.
Grief 2 slaagt.
3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard. Hetgeen de vreemdeling overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het inreisverbod alsnog gegrond verklaren en het inreisverbod vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 21 juni 2012 in zaak nr. 12/15913, voor zover daarbij het beroep tegen het inreisverbod van 9 mei 2012 ongegrond is verklaard;
III. verklaart het beroep in zoverre gegrond;
IV. vernietigt het inreisverbod van 9 mei 2012;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.
w.g. Verheij w.g. Van Dokkum
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2013
480-714.