Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201110935/1/V4

Uitspraak 201110935/1/V4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:3430
Datum uitspraak
4 maart 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 maart 2011 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201110935/1/V4.
Datum uitspraak: 4 maart 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 september 2011 in zaak nr. 11/9919 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 september 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit van 1 maart 2011 (hierna: het besluit) en het daarbij ingelaste voornemen daartoe van 1 juli 2010 (hierna: het voornemen) een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd, door te beoordelen of het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht bezit, in plaats van te beoordelen of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor de aanvraag. De staatssecretaris betoogt, voor zover thans van belang, dat hij bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet de positieve overtuigingskracht als maatstaf heeft gehanteerd.

2.1. Volgens paragraaf C14/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, is het in beginsel voldoende dat een vreemdeling zijn verklaringen aannemelijk maakt. Indien sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) zal van de verklaringen, om ze alsnog als aannemelijk te beschouwen, een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan.

2.2. In het besluit en het daarbij ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris vermeld dat hij artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet aan de vreemdeling tegenwerpt. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld, voor zover thans van belang, dat het bevreemding wekt dat de vreemdeling niets kan vertellen over de andere meisjes die in het huis van de commandant verbleven, temeer nu zij heeft verklaard dat zij met drie van hen heel goed bevriend was. Ook heeft de staatssecretaris niet aannemelijk geacht dat de commandant en zijn vrouw nooit iets tegen de vreemdeling hebben gezegd, zeker omdat het volgens het asielrelaas van de vreemdeling de bedoeling was dat de commandant met haar zou trouwen. Daarnaast heeft de staatssecretaris erop gewezen dat de vreemdeling niet heeft kunnen verklaren waar het huis van de commandant is gelegen en hoe lang ze erover deed om van de kliniek naar dat huis te reizen. Verder heeft de vreemdeling zelfs niet bij benadering kunnen zeggen hoe lang ze in het huis van de commandant heeft verbleven, aldus de staatssecretaris. Bovendien heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris tegenstrijdige verklaringen afgelegd over haar [pleegmoeder], nu zij enerzijds heeft verklaard dat [pleegmoeder] een vriendin van haar moeder was en soms ook op bezoek kwam bij haar en haar moeder, terwijl zij anderzijds heeft verklaard dat zij [pleegmoeder] voor het eerst zag toen haar moeder naar de gevangenis werd gebracht en dat zij kennismaakte met [pleegmoeder] tijdens de rouwbijeenkomst in verband met het overlijden van haar moeder. Volgens de staatssecretaris is het, gelet op de vage en tegenstrijdige verklaringen van de vreemdeling, ongeloofwaardig dat zij door de commandant gevangen is gehouden.

2.3. De staatssecretaris heeft in het besluit uitdrukkelijk vermeld dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet aan de vreemdeling wordt tegengeworpen. De motivering van het besluit, als hiervoor in 2.2. weergegeven, biedt evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat de staatssecretaris heeft beoordeeld of het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht, als bedoeld in paragraaf C14/2.4 van de Vc 2000, bezit, en aldus bij deze beoordeling een onjuiste maatstaf zou hebben gehanteerd.

De grief slaagt.

3. In zijn tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar haar oordeel over het standpunt van de staatssecretaris betreffende de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling, heeft overwogen dat ook het besluit van de staatssecretaris om niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan de vreemdeling te verlenen niet in stand kan blijven. De staatssecretaris verwijst hiertoe naar zijn eerste grief.

3.1. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3. over de eerste grief is overwogen, slaagt ook de tweede grief.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 1 maart 2011 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op het vorenoverwogene, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom aan haar kan worden tegengeworpen dat de andere meisjes die bij de commandant verbleven niet méér aan haar hebben willen vertellen en dat de commandant en diens partner nooit iets tegen haar hebben gezegd. Ook heeft de staatssecretaris volgens de vreemdeling niet gemotiveerd op welke punten zij, in vergelijking met haar antwoord op de vraag waar het huis van de commandant is gelegen, in staat zou zijn geweest concretere informatie te verschaffen. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat haar, gelet op haar leeftijd en nu de dagen en maanden in de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC) niet erg van elkaar verschillen, niet kan worden tegengeworpen dat zij niet weet hoe lang zij in het huis van de commandant heeft verbleven. Over [pleegmoeder] heeft de vreemdeling verder aangevoerd dat zij wel eens bij haar moeder op bezoek kwam, maar dat de vreemdeling dan niet met haar sprak. Pas na de rouwbijeenkomst in verband met het overlijden van haar moeder heeft zij daadwerkelijk met [pleegmoeder] kennisgemaakt en gesproken, aldus de vreemdeling. Daarnaast heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat zij en [pleegmoeder] over dezelfde, in de nabijheid van de commandant verblijvende vrouw hebben verklaard.

5.1. In zijn verweerschrift in eerste aanleg van 11 juli 2011 heeft de staatssecretaris, in reactie op het beroepschrift van de vreemdeling, toegelicht dat hij het, ook indien rekening wordt gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, ongeloofwaardig acht dat zij zelfs niet bij benadering kan vertellen hoe lang zij bij de commandant heeft verbleven. Dat, zoals de vreemdeling heeft betoogd, de dagen en maanden in de DRC niet veel van elkaar verschillen, laat volgens de staatssecretaris onverlet dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat zij op dit punt een tijdsaanduiding kan geven. Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij niet geloofwaardig acht dat de vreemdeling, die met een groot aantal meisjes opgesloten zou zijn geweest, slechts van drie van hen de naam weet, dat die drie meisjes, die zij als haar vriendinnen heeft benoemd, niet méér over zichzelf zouden hebben verteld dan hun naam, dat zij de naam van de volwassene die haar dagelijks te eten gaf is vergeten en dat de commandant en zijn vrouw nooit tegen de vreemdeling zouden hebben gesproken. De verklaringen van de vreemdeling over haar eerste ontmoeting met [pleegmoeder] zijn volgens de staatssecretaris voorts tegenstrijdig, nu zij tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat zij [pleegmoeder] voor het eerst heeft gezien toen haar moeder naar de gevangenis werd gebracht en voor het eerst heeft ontmoet tijdens de rouwbijeenkomst naar aanleiding van het overlijden van haar moeder, terwijl de vreemdeling tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat zij [pleegmoeder] al kende vóór de arrestatie en detentie van haar moeder.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 februari 2011 in zaak nr. 201002537/1/V2 (pdf, 855 kB)), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

5.3. De staatssecretaris heeft zich, gelet op de in 2.2. weergegeven motivering van het besluit en het daarbij ingelaste voornemen en in aanmerking genomen zijn in 5.1. weergegeven reactie op het beroepschrift van de vreemdeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft verder in beroep betoogd dat in de DRC geen adequate opvang voor haar aanwezig is, nu haar moeder en vader zijn overleden. Dat in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake de DRC van januari 2010 (hierna: het ambtsbericht van januari 2010) wordt vermeld dat adequate opvang mogelijk is, zegt volgens de vreemdeling niets over de concrete opvangmogelijkheden voor haar. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat haar [pleegmoeder] ernstig ziek is en reeds daarom voor een verblijfsvergunning hier te lande in aanmerking zou kunnen komen, zodat ook zij geen adequate opvang in de DRC kan bieden.

6.1. De staatssecretaris heeft zich in het in het besluit ingelaste voornemen op het standpunt gesteld dat de vreemdeling samen met haar [pleegmoeder] naar Nederland is gereisd en dat laatstgenoemde bij terugkeer adequate opvang kan bieden. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat de moeder van de vreemdeling is overleden, zodat ook zij opvang kan bieden. Bovendien heeft de staatssecretaris erop gewezen dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen uit de DRC volgens het ter zake geldende beleid niet voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking komen, nu in de DRC volgens het ambtsbericht van januari 2010 in het algemeen adequate opvang aanwezig is.

6.2. Daargelaten of de moeder of pleegmoeder van de vreemdeling in geval van haar terugkeer naar de DRC adequate opvang kunnen bieden, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling als alleenstaande minderjarige vreemdeling uit de DRC niet voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in aanmerking komt, reeds omdat in de DRC volgens het ambtsbericht van januari 2010 opvangfaciliteiten aanwezig zijn voor uit Nederland teruggekeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

De beroepsgrond faalt.

7. Voorts heeft de vreemdeling in beroep aangevoerd dat zij, indien [pleegmoeder] hier te lande een verblijfsvergunning krijgt, alleen moet terugkeren naar de DRC en dat zij in dat geval als minderjarige vrouw - gelet op het ambtsbericht van januari 2010 - te vrezen heeft voor seksueel geweld. De vreemdeling heeft erop gewezen dat vrouwen die aannemelijk maken dat zij in de DRC te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging, volgens het Wijzigingsbesluit Vc 2000 nr. 2009/27 (Stct. 2009, nr. 18139) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De vreemdeling heeft aangevoerd, mede onder verwijzing naar artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK), dat zij als minderjarige vrouw voor wie geen opvang in het land van herkomst beschikbaar is, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

7.1. De vreemdeling komt niet voor toepassing van het door haar ingeroepen beleid in aanmerking, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer te vrezen heeft voor seksuele geweldpleging. De enkele verwijzing naar het ambtsbericht van januari 2010 is hiertoe onvoldoende. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de vreemdeling er, ook in het kader van haar beroep op artikel 3 van het IVRK, aan voorbijgaat dat voor haar adequate opvang in de DRC aanwezig moet worden geacht.

De beroepsgrond faalt.

8. Het beroep tegen het besluit van 1 maart 2011 is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 september 2011 in zaak nr. 11/9919;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Janssen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Janssen
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2013

660.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon