Uitspraak 201210199/1/V1 en 201210199/2/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:234
- Datum uitspraak
- 16 november 2012
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, tegen de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201210199/1/V1 en 201210199/2/V1.
Datum uitspraak: 16 november 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
appellant,
tegen een brief van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 3 oktober 2012, over een geding tussen:
[vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, tegen de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 12/16618 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en overwogen dat het daartegen gerichte beroepschrift krachtens artikel 6:15, tweede lid, van de Awb, ter behandeling als bezwaarschrift naar de minister wordt doorgezonden.
Bij brief van 9 juli 2012 heeft de minister het door de rechtbank ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden beroepschrift naar de rechtbank teruggezonden.
Bij brief van 3 oktober 2012 heeft de rechtbank de minister bericht dat zij de brief van 9 juli 2012 niet in behandeling kan nemen en deze naar hem teruggezonden.
Tegen deze brief heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Voorts heeft de minister de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De minister betoogt in het hogerberoepschrift dat de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 9 mei 2012 ingestelde beroep gelet op de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 in zaak nr. 201203301/1/V3 (pdf, 344 kB) ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Hieraan doet volgens de minister niet af dat de rechtbank bij voormelde uitspraak van 15 juni 2012 op dat beroep heeft beslist, aangezien de vraag welk rechtsmiddel tegen het besluit van 9 mei 2012 openstaat van openbare orde is.
2. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, kan bij de Afdeling hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb.
3. De brief van de rechtbank van 3 oktober 2012 is niet een uitspraak als bedoeld in voormeld artikel 47, eerste lid, waartegen hoger beroep kan worden ingesteld. De minister had hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2012. Dat heeft hij evenwel niet gedaan. Dat de vraag welk rechtsmiddel tegen een besluit openstaat van openbare orde is en de uitspraak van de rechtbank niet met voormelde uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 in lijn is, maakt dit niet anders.
4. De Afdeling is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister dient het tegen het besluit van 9 mei 2012 gerichte beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
5. Gelet hierop, zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.
6. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de Afdeling onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II. wijst het verzoek af;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2012
620.