Uitspraak 200609357/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:1512
- Datum uitspraak
- 5 juli 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) een verzoek van appellante om vergoeding van legeskosten afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200609357/1.
Datum uitspraak: 5 juni 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/26697 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 30 november 2006 in het geding tussen:
appellante
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) een verzoek van appellante om vergoeding van legeskosten afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 november 2006, verzonden op 1 december 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 26 januari 2007 heeft het COA een reactie ingediend.
Bij brief van 12 april 2007 heeft het COA nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COA), zijn, in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Ingevolge het tweede lid kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het COA taken, als bedoeld in het eerste lid, opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen. In artikel 12 is bepaald dat de minister regels kan stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Krachtens die bepaling heeft de minister de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) vastgesteld.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Rva 2005, wordt voor de toepassing van deze regeling onder asielzoeker verstaan een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen, door wie of ten behoeve van wie een eerste asielaanvraag is ingediend en wiens aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 niet binnen de procedure op het Aanmeldcentrum is afgewezen.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, eindigt het recht op opvang indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, die hij heeft gemaakt. Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.
2.2. In de grieven, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt appellante dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het COA de door haar verschuldigde leges ten behoeve van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier terecht niet heeft aangemerkt als buitengewone kosten in de zin van artikel 17 van de Rva 2005. Aldus heeft zij volgens appellante miskend dat het beleid om legeskosten niet als buitengewone kosten in evenbedoelde zin aan te merken ten tijde van het bij haar bestreden besluit nog niet was gepubliceerd, dan wel geformaliseerd door middel van de wijziging van de Rva 2005 (Stcrt. 12 september 2006, nr. 177, p. 7) en derhalve niet aan haar kon worden tegengeworpen.
2.2.1. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft de minister een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 7 oktober 2005 in zaak no. AWB 05/15473, die gezag van gewijsde heeft, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 5 en 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva 2005, is de aanspraak van appellante op voorzieningen van rechtswege geëindigd op de dag na die, met ingang waarvan zij mocht worden verwijderd, dus op 8 oktober 2005.
2.2.2. Niet is gebleken dat appellante ten tijde van het besluit van 4 mei 2006 kon worden aangemerkt als een vreemdeling in de zin van één van de in artikel 3, derde lid, van de Rva 2005 met een asielzoeker gelijkgestelde categorieën. Reeds daarom had appellante geen recht op de in artikel 17 van de Rva 2005 bedoelde voorzieningen.
De rechtbank is derhalve terecht, zij het niet op juiste gronden, tot de slotsom gekomen dat het COA zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante verschuldigde legeskosten ten behoeve van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De grieven falen.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007
32-491.