Ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels omtrent een experiment met flexibele en virtuele onderwijstijd in het basisonderwijs (Besluit experiment flexibele en virtuele onderwijstijd), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W05.14.0032/I
- Datum advies
- 28 maart 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2016, nr. 55397
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels omtrent een experiment met flexibele en virtuele onderwijstijd in het basisonderwijs (Besluit experiment flexibele en virtuele onderwijstijd), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 12 februari 2014, no.2014000334, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels omtrent een experiment met flexibele en virtuele onderwijstijd in het basisonderwijs (Besluit experiment flexibele en virtuele onderwijstijd), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit geeft maximaal 15 scholen voor basisonderwijs de mogelijkheid in de periode 2014-2017 deel te nemen aan een experiment met virtuele en flexibele onderwijstijd. Om het experiment mogelijk te maken kan op individuele basis worden afgeweken van de regels met betrekking tot de centraal vastgestelde vakanties, de duur van de schoolweek en de eis dat het onderwijs door en in aanwezigheid van een leraar plaatsvindt. Het doel van het experiment is om inzicht te krijgen in de effecten van flexibele en virtuele onderwijstijd op de onderwijskwaliteit en de tevredenheid van de betrokkenen.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit opmerkingen over de noodzaak van het experiment, de evaluatie daarvan en de grondslag van het ontwerpbesluit. De Afdeling acht het op zichzelf mogelijk dat de regering onderzoekt of het hanteren van flexibele onderwijstijden in combinatie met innovatief gebruik van ict bijdraagt aan verbetering van het onderwijs. Aan de opzet van het experiment kleven echter zodanige gebreken dat het onmogelijk is aan het experiment gezaghebbende conclusies te verbinden. Voorts schiet de motivering tekort, omdat die in sterke mate berust op het belang van ouders bij flexibele onderwijstijden in plaats van het belang van de kwaliteit van het onderwijs, hetgeen niet past binnen de aan dit experiment gegeven grondslag. Ten slotte vertoont het experiment grote overeenkomsten met een lopend experiment. Daarmee zijn de resultaten van het lopende experiment van direct belang voor de opzet van het voorgestelde experiment. De Afdeling is van oordeel dat in verband met deze opmerkingen over het ontwerpbesluit in deze vorm niet positief kan worden geadviseerd.
1. Noodzaak van het experiment
Sinds het schooljaar 2007-2008 moeten basisscholen zorgen voor professionele kinderopvang tussen 7.30 en 18.30 uur indien ouders daarom vragen. In 2011 heeft het kabinet Rutte I op aanbeveling van de SER (zie noot 1) een aantal aanvullende maatregelen genomen om te stimuleren dat zoveel mogelijk basisscholen en kinderopvangorganisaties een sluitend aanbod verzorgen in de vorm van voor- tussen- en naschoolse opvang. (zie noot 2) Daarnaast loopt vanaf 1 augustus 2011 het experiment "flexibiliseren onderwijstijd". Om knelpunten van werkende ouders bij het combineren van werk en privéleven weg te nemen, biedt dit experiment aan 15 scholen de mogelijkheid af te wijken van de verplichte centraal vastgestelde vakanties en van de schoolweek van in beginsel minimaal 5 dagen. (zie noot 3) Doel van het experiment is om beleidsinformatie te verzamelen over de effecten van flexibele onderwijstijden op de onderwijskwaliteit en de arbeidsparticipatie. Het experiment loopt op 1 augustus 2014 af, de eindreportage wordt dit najaar verwacht. Op basis daarvan zal een besluit worden genomen om de onderwijstijd al dan niet te flexibiliseren. (zie noot 4)
a. Opportuniteit
Het voorgestelde experiment is grotendeels gelijk aan het lopende experiment. Daarnaast biedt het de mogelijkheid om maximaal 10% van de onderwijstijd te vervangen door afstandsonderwijs met gebruikmaking van ict en educatieve software. Gelet op de grote mate van overeenkomst tussen beide experimenten zijn de resultaten van het lopende experiment van direct belang voor de opzet van het voorgestelde experiment. Daarbij komt dat uit de tussenrapportages blijkt dat over het voor het onderwijs belangrijkste aspect - de kwaliteit - nog geen uitspraak kan worden gedaan en dat het, gezien de verschillen in aanpak tussen de scholen, zelfs ‘lastig’ zal worden om daar hoe dan ook uitspraken over te doen. (zie noot 5) Wel blijkt dat scholen, om de flexibele onderwijstijd te financieren, leerkrachten soms vervangen door ander personeel. In het belang van de kwaliteit van het onderwijs verdient het in het licht van het bovenstaande de voorkeur de evaluatie van dit experiment af te wachten en, zoals onder meer aangekondigd in de toelichting op de Beleidsregel, een standpunt in te nemen over het vervolg ervan, alvorens met het voorgestelde experiment te starten.
b. Noodzaak ontbreekt
Volgens de regering is het niet nodig om te wachten, "omdat door de mogelijkheden van ict de verkenning naar flexibilisering van de onderwijstijd die met het huidige experiment reeds is ingezet, verder kan worden verdiept". (zie noot 6) Volgens de toelichting is het voorgestelde experiment noodzakelijk omdat een deel van de (deelnemende) scholen de onmogelijkheid om individuele lestijden te hanteren en virtueel onderwijs toe te passen als ‘knellend’ ervaren. (zie noot 7) In de voorhangprocedure gaf de staatssecretaris daarbij als toelichting dat "het Kinderopvangfonds, VOS/ABB, de Brancheorganisatie Kinderopvang, BOinK en de PO-Raad in 2008 gezamenlijk het project ‘Andere Tijden in onderwijs en opvang’ hebben opgezet" en dat deze projectgroep "constateert dat de belangstelling voor een andere indeling van schooltijden groeiende is". (zie noot 8) Dit project had echter geen betrekking op virtueel onderwijs; de behoefte aan flexibele schooltijden wordt al ondervangen door het huidige experiment.
Daarnaast wijst de toelichting op de aanbeveling van de SER. (zie noot 9) Anders dan de toelichting suggereert, raadde de SER niet aan om de onderwijstijd te flexibiliseren, maar werd regelmaat in schooltijden op alle weekdagen (5 gelijke dagen model) bepleit en een sluitende kinderopvang. In beide aanbevelingen is inmiddels voorzien, enerzijds door de stimuleringsmaatregelen die zijn genomen bij de voor-, tussen-, en naschoolse opvang, anderzijds doordat er tegelijk met het experiment flexibiliseren onderwijstijd een monitor is gestart die de gevolgen van het 5-gelijke dagen model in kaart brengt. De eindrapportage daarvan wordt eveneens in 2014 verwacht.
Ten slotte wijst de toelichting erop dat werkende ouders graag flexibele schooltijden willen. (zie noot 10) De vraag of daaraan kan worden tegemoetgekomen wordt eveneens onderzocht in het lopende experiment en vormt overigens geen geldig doel voor een experiment (zie hieronder, paragraaf 2).
c. Motivering vernieuwing onvoldoende
Het argument dat de regering ruimte wil scheppen voor flexibele schooltijden in combinatie met innovatief gebruik van ict en educatieve software, als aanvulling op gepersonaliseerd onderwijs, is nieuw. De toelichting wijst erop dat bij deze vorm het klassikale leren in meer of mindere mate wordt losgelaten, wat de mogelijkheid biedt om flexibel om te gaan met onderwijstijd en het onderwijs ook buiten school, bijvoorbeeld thuis, te volgen.
De Afdeling merkt op dat in dat geval wel moet worden verhelderd in welk opzicht hier een probleem bestaat, omdat scholen thans ook al gebruik maken van de mogelijkheden die ict biedt op het gebied van virtueel (thuis-) onderwijs, waaronder de zogenoemde iPad-scholen. Voorts moet duidelijk worden gemaakt welke gedachte eraan ten grondslag ligt dat flexibele schooltijden in combinatie met ict een bijdrage kunnen leveren aan een verdere ‘verdieping’ van het gepersonaliseerd leren. Ontbreekt een zodanige gedachte, dan is toetsing van de resultaten onmogelijk en een experiment zinledig.
d. Conclusie
Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet overtuigd van de noodzaak van het voorgestelde experiment. Het effect van flexibele onderwijstijd wordt reeds onderzocht in het lopende experiment, terwijl er daarnaast nog tal van andere voorzieningen zijn om school en werk te combineren. Voor zover het experiment wel een toegevoegde waarde zou kunnen hebben in verband met het werken met gepersonaliseerde leerlijnen, blijkt dit onvoldoende uit de toelichting. Gelet hierop adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit te heroverwegen.
Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.
2. Grondslag en doel van het ontwerpbesluit
Het ontwerpbesluit is gebaseerd op artikel 176k van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO). Dit artikel biedt een grondslag om ter verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs bij wijze van experiment af te wijken van enkele bepalingen in de wet. Het artikel is bedoeld om adequaat en snel te kunnen reageren op veranderende maatschappelijke eisen aan de kwaliteit van de uitoefening van de onderwijstaak: het experiment moet derhalve ten dienste staan van het onderwijs. (zie noot 11) In verband hiermee merkt de Afdeling het volgende op.
a. Toegankelijkheid
Het experiment heeft allereerst tot doel om na te gaan "of de toegankelijkheid van het onderwijs wordt vergroot, doordat ouders beter in staat worden gesteld de deelname aan het onderwijs door hun kinderen af te stemmen op hun werk en privé-situatie." (zie noot 12)
Artikel 8 van de WPO benoemt de uitgangspunten en doelstelling van het onderwijs, die in elk geval bestaan uit "de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling van de leerling, het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden." Bevordering van de arbeidsparticipatie van ouders is geen doelstelling van het onderwijs. Zij kan evenmin worden gerekend tot het begrip ‘toegankelijkheid’ waarover artikel 176k van de WPO spreekt. Toegankelijkheid ziet op het aanbod aan voorzieningen en op het wegnemen van feitelijke belemmeringen voor leerlingen om onderwijs te volgen. (zie noot 13) Verbetering van de arbeidsparticipatie van werkende ouders kan dus geen doel of grondslag zijn van het experiment.
b. Onderwijskwaliteit
Het experiment wil daarnaast onderzoeken of "een kwaliteitsverbetering kan worden bewerkstelligd door (in aanvulling op gepersonaliseerd onderwijs) de onderwijstijd optimaal bij het niveau en de behoeften van leerlingen aan te passen".
Zoals de Afdeling hiervoor heeft opgemerkt zou de toelichting ten minste uiteen moeten zetten hoe onderwijskwaliteit, onderwijstijd en virtueel onderwijs met elkaar samenhangen en op welke gronden een verbetering van de kwaliteit van het onderwijs wordt verwacht. Nog onlangs heeft de staatssecretaris naar aanleiding van vragen over het thuisonderwijs benadrukt "dat de dagelijkse gang naar school essentieel is voor de brede sociaal-emotionele ontwikkeling van ieder kind. Kinderen gaan niet alleen naar school om kennis te vergaren, maar ook om te leren omgaan met leeftijdsgenoten en volwassenen. Kinderen leren zo al op jonge leeftijd dat zij deel uitmaken van een bredere maatschappij." (zie noot 14) Niet duidelijk is hoe in het experiment wordt voldaan aan deze pedagogische noties en op grond van welke onderwijskundige overwegingen ervoor gekozen is om (maximaal) 10% van de onderwijstijd buiten school te laten plaatsvinden. Daarnaast zal duidelijk moeten worden gemaakt dat het experiment aan de voorwaarden voor goed onderwijs voldoet. De toelichting vermeldt weliswaar dat de leerling steeds in contact moet kunnen treden met de leraar en dat de ouders moeten zorgen dat het kind in staat is het onderwijs te volgen, maar laat in het midden wie verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs buiten school en hoe daarop toezicht wordt gehouden door de inspectie van het onderwijs.
Gelet hierop adviseert de Afdeling dragend te motiveren waarom verwacht mag worden dat het experiment bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en adviseert zij de doelstelling van het experiment daartoe te beperken.
3. Evaluatie en monitoring
Artikel 176k, vijfde lid, van de WPO bepaalt dat de Staten-Generaal drie maanden voor het einde van de werkingsduur van de algemene maatregel van bestuur een verslag ontvangen over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan bij wijze van experiment.
Volgens de toelichting bij artikel 5 is in overleg met wetenschapsbeoefenaren geconcludeerd dat het inrichten van een wetenschappelijk experiment niet zinvol is, gezien de verwachte effecten van de flexibele en virtuele onderwijstijden, de invloed van andere factoren en het verwachte aantal scholen dat zich aanmeldt. Daarom is gekozen voor een monitor en een looptijd van drie jaar, omdat de praktijk (zoals bij het experiment flexibiliseren onderwijstijd) uitwijst dat een dergelijke duur voldoende inzicht geeft in de gevolgen van een experiment.
a. Een experiment beoogt aan te tonen dat een bepaalde relatie causaal is, in dit geval dat flexibele schooltijden en virtueel onderwijs leiden tot beter onderwijs. Uit de toelichting blijkt dat het bij voorbaat onmogelijk wordt geacht door middel van een wetenschappelijk opgezette evaluatie conclusies te trekken uit het experiment. Dat betekent dat de opzet van het experiment ondeugdelijk is en niet voldoet aan artikel 176k, eerste en vijfde lid, van de WPO. (zie noot 15) Dat een monitor de evaluatie vervangt doet daaraan niet af. Ook dan geldt dat niet kan worden vastgesteld of eventuele veranderingen het gevolg zijn van het experiment of van ander beleid.
Verder wijst de Afdeling er op dat uit het experiment flexibiliseren onderwijstijd blijkt dat er na twee jaar nog nauwelijks conclusies te trekken zijn, zodat de conclusie dat een experimenteertermijn van drie jaar voldoende is, voorbarig lijkt. Het vorenstaande betekent dat een experiment alleen zinvol is, indien het mogelijk is de in de toelichting genoemde factoren te neutraliseren en de voorwaarden voor deelname aan te scherpen. Uit de tussentijdse metingen van het experiment flexibiliseren arbeidstijd blijkt bijvoorbeeld dat het lastig is aan dit experiment duidelijke conclusies te verbinden, omdat, afgezien van de verschillen in hantering van de onderwijstijd, er grote verschillen bestaan tussen de scholen als het gaat om onder meer het combineren van onderwijs en opvang, het onderwijsconcept en de fase waarin het experiment verkeert.
Gelet hierop adviseert de Afdeling een ondergrens te stellen aan het aantal deelnemers, zodat de representativiteit van het experiment gegarandeerd is. Daarnaast dienen deze deelnemers een aantal kenmerken gemeenschappelijk te hebben, zoals het aantal jaren dat de school bestaat, het aantal leerlingen, de verschillende leeftijdscategorieën, het onderwijsconcept, de motivatie om met flexibele onderwijstijden en virtueel onderwijs te werken, de mate van flexibiliteit in de onderwijstijden en de samenwerking tussen onderwijs en opvang. Als teveel zaken flexibel worden gemaakt, is een zinvolle vergelijking immers onmogelijk. Een andere mogelijkheid is om het experiment stap voor stap uit te breiden. Voorts zouden referentiegroepen kunnen worden ingesteld waar klassikaal onderwijs wordt gegeven in combinatie met virtueel onderwijs. Als alle leerlingen thuis dezelfde opdracht maken kan immers eenvoudiger worden vastgesteld of virtueel onderwijs leidt tot een betere kwaliteit onderwijs dan onderwijs door een leraar. Indien de regering het niet mogelijk acht deze en andere nadere voorwaarden te stellen en het experiment te temporiseren, dan adviseert de Afdeling af te zien van een experiment.
b. Artikel 6 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de effecten van het experiment vóór afloop ervan worden geëvalueerd op basis van monitoring. Indien het de bedoeling is het experiment na drie jaar te evalueren, waar de toelichting op wijst, adviseert de Afdeling artikel 6 te schrappen. Dat een evaluatie nodig is, is immers al geregeld in artikel 176k van de WPO. Indien het daarentegen de bedoeling is om voortdurend gegevens te verzamelen om de ontwikkelingen op de voet te kunnen volgen, adviseert de Afdeling in artikel 6 te bepalen dat het experiment wordt gemonitord.
c. Artikel 176k van de WPO verlangt dat in de algemene maatregel van bestuur in elk geval wordt bepaald op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd. De tekst van het ontwerpbesluit bevat evenwel geen evaluatiecriteria. De toelichting noemt een aantal aspecten, zoals de effecten op de arbeidsparticipatie van ouders, de kosten voor kinderopvang en de tevredenheid van betrokkenen. Deze aspecten zijn echter niet relevant voor beantwoording van de vraag of het experiment geslaagd mag heten omdat zij niet of onvoldoende samenhangen met verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.
Gelet hierop adviseert de Afdeling de criteria betrekking te laten hebben op hetgeen het doel van het experiment zou moeten zijn op grond van de WPO, namelijk de verbetering van het onderwijs. Te denken valt aan aspecten als de betrokkenheid bij de lesstof, de leeropbrengsten, sociale vaardigheden, de pedagogische verbinding tussen het onderwijs in de klas en thuis, concentratie van de leerling, het toezicht en de rol van de leerkracht. Daarnaast zou inzicht moeten worden geboden in de extra kosten die gemoeid zijn met het openhouden van de school en het aanschaffen van ict, educatieve software en de informatiedrager.
De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.
4. Financiering
Het ontwerpbesluit berust op de gedachte dat de scholen het experiment zelf financieren. Een experiment is wettelijk gezien alleen toegestaan indien het plausibel is dat het strekt tot verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. Daarmee ontstijgt het experiment het belang van de deelnemende scholen. Omdat de zorg voor het onderwijs een taak van de overheid is, en de afhankelijkheid van eigen middelen of de bereidheid van de ouders daaraan bij te dragen scholen in een ongelijke positie kan plaatsen, adviseert de Afdeling te voorzien in een adequate financiering.
5. Overige opmerkingen
a. Ingevolge artikel 176k, vijfde lid, van de WPO wordt de evaluatie drie maanden voor het einde van de werkingsduur van de algemene maatregel toegezonden aan de Staten-Generaal. In het ontwerpbesluit is uitsluitend de duur van het experiment geregeld.
De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit aan te vullen met een einddatum.
b. Het ontwerpbesluit voorziet niet in de mogelijkheid om de toestemming om deel te nemen aan het experiment ongedaan te maken. Tussentijds ingrijpen is daardoor onmogelijk.
De Afdeling adviseert hierin te voorzien.
c. Volgens de toelichting geldt als belangrijke voorwaarde bij deelname aan het experiment dat voldaan wordt aan de 940 uur onderwijstijd (waarvan minimaal 90% door een leraar) per leerling per jaar. Strikt genomen bevat de WPO alleen ten aanzien van leerlingen van de laatste vier schooljaren de eis van gemiddeld 940 uren per jaar. Indien het de bedoeling is dat het experiment alleen op deze groep van toepassing is, adviseert de Afdeling dat in de tekst van het ontwerpbesluit tot uitdrukking te brengen.
d. Artikel 4 van het ontwerpbesluit schetst de voorwaarden voor deelname aan het experiment en noemt een aantal basisregels waaraan scholen moeten voldoen. Ingevolge het derde lid beslist de minister na kennisneming van het advies van de inspectie. Volgens de toelichting komt een zwakke of zeer zwakke school niet in aanmerking voor deelname. Deze voorwaarde is niet opgenomen in de tekst van het besluit.
De Afdeling adviseert de tekst aan te passen.
e. Er kunnen maximaal 15 scholen deelnemen aan het experiment. Artikel 4 bevat geen selectiecriteria indien zich meer dan 15 scholen aanmelden. De Afdeling adviseert hierin te voorzien.
f. Eveneens moeten de scholen aangeven hoe zij voorzien in de financiële dekking van de ruimere schooltijden. De ratio hiervan is niet duidelijk. Scholen kunnen op zeer verschillende manieren aan geld komen, zoals door het interen op eigen middelen, het verhogen van de ouderbijdrage of het besparen op personeel. Dat is een verantwoordelijkheid van de school die niet van betekenis behoort te zijn voor het al dan niet toestemmen met deelname aan het experiment. De Afdeling adviseert deze voorwaarde te laten vervallen.
6. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft (blijkens het vorenstaande) bezwaar tegen de inhoud van het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W05.14.0032/I
- In artikel 1 de definitie van "WPO" schrappen. In de artikelen 2 en 3 "de WPO" steeds vervangen door: de wet. Gezien de grondslag van het besluit kan met "wet" immers alleen de Wet op het primair onderwijs bedoeld zijn.
- In artikel 1 de definitie van leraar als volgt formuleren: natuurlijke persoon die bevoegd is om schoolonderwijs te geven en als zodanig is benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.
- In artikel 2, eerste lid, aanhef "in de WPO of krachtens deze wet" vervangen door: bij of krachtens de wet.
- In artikel 2, tweede lid "bedoeld" vervangen door: genoemd (zie Aanwijzing 82 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
- In artikel 3, eerste lid " dat een leerling op grond van artikel, achtste lid, onderdeel b, van de WPO moet ontvangen" vervangend door: telt het mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.
- Artikel 3, derde lid, als volgt formuleren: Maximaal 10% van het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen kan worden aangeboden via een elektronische informatiedrager.
- In artikel 4, tweede lid, onder b "virtuele onderwijstijd" vervangen door: virtueel onderwijs.
- In artikel 4, tweede lid, "c" vervangen door: 6.
- In artikel 5, tweede lid, "minder dan 15 experimenten starten" vervangen door: minder dan 15 deelnemers zijn. Verder "alsnog een experiment te starten" vervangen door: alsnog deel te nemen. De laatste volzin schrappen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 oktober 2016
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van opmerkingen over de opportuniteit van het voorgestelde experiment, omdat dit grote overeenkomsten vertoont met een lopend experiment (het experiment flexibilisering onderwijstijd). In het belang van de kwaliteit van het onderwijs verdient het naar de mening van de Afdeling daarom de voorkeur de evaluatie van dit experiment af te wachten alvorens met het voorgestelde experiment te starten.
De evaluatie van het experiment flexibilisering onderwijstijd in 2014 gaf aanleiding tot nader onderzoek en het verlengen van dat experiment. (zie noot 16) Het loslaten van wettelijke kaders is voor het kabinet - indachtig het advies van de commissie Dijsselbloem om te investeren in een stevige onderbouwing van beleid - pas aan de orde als helder is wat daarvan de gevolgen (kunnen) zijn. (zie noot 17) In dat licht is het niet opportuun om een experiment te starten dat verder strekt dan het lopende experiment en wordt het advies van de Afdeling advisering overgenomen.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U in overweging geven het hierbij gevoegde ontwerpbesluit overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State niet te bekrachtigen en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het ontwerpbesluit en de daarbij behorende nota van toelichting, zoals deze aan de Afdeling advisering van de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(1) Tijden van de samenleving, advies nr. 2011/06. Om werk en privé beter te kunnen combineren beveelt de SER dagarrangementen voor schoolgaande kinderen aan, met als mogelijke elementen een eerdere start van de voorziening, een continurooster, regelmaat in schooltijden op alle weekdagen en een breder dagvenster voor buitenschoolse activiteiten (18:30 uur). Het 5-gelijke dagenmodel ziet de SER als meest kansrijke onderwijsmodel om in te spelen in de wens naar meer arbeidsparticipatie.
(2) Experimenten in dit kader zijn de Pilot Gemeentebrede Dagarrangementen (Kamerstuk 29 544 nr.355), het Experiment Integraal Dagarrangement (Kamerstuk 31 322, nr.188) en de Pilot Startgroepen voor Peuters (Staatscourant 2011, 10375).
(3) Beleidsregel experiment flexibiliseren onderwijstijd (Stcrt. 2011, 8589). Het experiment is niet voor advies aan de Raad van State voorgelegd, omdat het de vorm had van een beleidsregel.
(4) Kamerstukken II 2013/14, 31 289, nr. 175; Nota van toelichting, paragraaf 3 (alternatieven).
(5) Kamerstukken II 2013/14, 31 289, nr. 175. Het enige dat vaststaat is dat ouders zeer tevreden zijn, omdat zij hun werk en gezinsleven beter kunnen organiseren, minder stress ervaren en meer tijd hebben voor hun kinderen.
(6) Nota van toelichting, paragraaf 1 (achtergrond en aanleiding).
(7) Nota van toelichting, paragraaf 2.2 (Knelpunten en noodzaak).
(8) Kamerstukken II 2013/14, 31 293, nr. 197, blz. 11.
(9) Nota van toelichting, paragraaf 1 (achtergrond en aanleiding).
(10) Nota van toelichting, paragraaf 1 (achtergrond en aanleiding).
(11) Kamerstukken II 2011/12, 33 116, nr. 3.
(12) Artikel 2, eerste lid, onder a, van het ontwerpbesluit.
(13) Primair onderwijs is bijvoorbeeld toegankelijk indien elk kind op een redelijke afstand óf een school van de gewenste richting óf een openbare school kan bezoeken of als schoolvervoer geregeld is.
(14) Kamerstukken II 2012/13, 33 400 VIII, nr. 164.
(15) Artikel 176, eerste lid, WPO noemt als mogelijke doelen van een experiment "verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs". Het vijfde lid schrijft voor dat de Minister drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag zendt over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.
(16) Kamerstukken II 2015/16, 31 293, nr. 306.
(17) Kamerstukken II 2007/08, 31 007, nr. 17.