Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.15.0160/II
- Datum advies
- 24 juni 2015
- Vindplaats
- Staatscourant 2015, nr. 21375
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 29 mei 2015, no.2015000941, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Het geeft daarmee nadere uitwerking aan de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (zie noot 1) (hierna: Vw 2000) in verband met de implementatie van de herziene Procedurerichtlijn (zie noot 2) en de herziene Opvangrichtlijn. (zie noot 3)
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar acht op onderdelen een nadere motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen.
De Afdeling maakt opmerkingen over de voorwaarden voor toepassing van de grensprocedure en de voorwaarden voor grensdetentie. Ook maakt de Afdeling opmerkingen over uitzetting en opschorting daarvan. Voorts maakt de Afdeling een aantal opmerkingen over enkele onvolkomenheden in de implementatie van de richtlijnen.
1. Voorwaarden voor toepassing van de grensprocedure
Ingevolge de herziene Procedurerichtlijn (zie noot 4) kunnen de lidstaten, indien sprake is van één van de daarin limitatief vermelde gevallen, bepalen dat een behandelingsprocedure voor een verzoek om internationale bescherming wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 van de richtlijn (grensprocedure). (zie noot 5) Volgens de preambule van de richtlijn (zie noot 6) hoeft, zolang de verzoeker gegronde redenen kan aanvoeren, het ontbreken van documenten bij binnenkomst of het gebruik van vervalste documenten op zich niet te leiden tot automatische toepassing van een grensprocedure of een versnelde procedure.
In de gewijzigde Vw 2000 (zie noot 7) wordt bepaald dat indien een vreemdeling, die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang, aan de grens te kennen geeft asiel te willen vragen, zijn aanvraag in de grensprocedure wordt getoetst aan de gronden voor niet in behandeling nemen, niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid. (zie noot 8) Volgens de gewijzigde Vw 2000 (zie noot 9) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de grensprocedure. Dit is gebeurd in artikel 3.109b van het ontwerpbesluit. Het ontwerpbesluit bevat evenwel geen nadere regels met betrekking tot de voorwaarden voor toepassing van de grensprocedure. De Afdeling merkt op dat aldus ieder asielverzoek van een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet - zoals in het geval hij geen of vervalste documenten heeft - en aan de grens om internationale bescherming vraagt, zonder meer in eerste instantie in de grensprocedure wordt behandeld. Dit staat op gespannen voet met het limitatieve karakter van artikel 31, achtste lid, van de herziene Procedurerichtlijn. (zie noot 10)
De Afdeling adviseert de voorwaarden waaronder de grensprocedure wordt toegepast op te nemen in overeenstemming met de Procedurerichtlijn en het besluit daartoe aan te passen.
2. Voorwaarden voor het opleggen van grensdetentie
Gedurende de grensprocedure (zie noot 11) als bedoeld in de herziene Procedurerichtlijn (zie noot 12) is vrijheidsontneming mogelijk onder de voorwaarden vermeld in de herziene Opvangrichtlijn. (zie noot 13) Voor grensdetentie gedurende de grensprocedure wordt in de gewijzigde Vw 2000 (zie noot 14) een grondslag gegeven. In het ontwerpbesluit worden de voorwaarden waaronder vreemdelingenbewaring kan worden opgelegd aan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft (zie noot 15) van overeenkomstige toepassing verklaard op grensdetentie, maar alleen op de grensdetentie van asielzoekers wier asielverzoek in de grensprocedure is afgewezen en die niet langer rechtmatig verblijf hebben. (zie noot 16) Het ontwerpbesluit bepaalt niets omtrent de voorwaarden waaronder aan asielzoekers gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure een grensdetentiemaatregel kan worden opgelegd. (zie noot 17) De Afdeling wijst er op dat in het ontwerpbesluit voor deze situatie geen uitvoering wordt gegeven aan de herziene Opvangrichtlijn. (zie noot 18)
De Afdeling adviseert daarin alsnog te voorzien.
3. Uitzetting en de opschorting daarvan
a. wijziging en verlenging van verblijfsvergunning asiel
Het voorgestelde artikel 3.1, tweede lid, van het Vb 2000 bevat de hoofdregel dat het indienen van een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een asielvergunning tot gevolg heeft dat de uitzetting achterwege blijft. (zie noot 19) Voor de aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning vermeldt het voorgestelde tweede lid een aantal gevallen waarin het indienen van die aanvraag niettemin niet tot opschorting van de uitzetting leidt. Voor de aanvraag tot wijziging of verlenging van de asielvergunning is, in het eerste lid, eveneens een aantal uitzonderingen op de hoofdregel geformuleerd. De omstandigheden waaronder uitzetting niet achterwege blijft bij een aanvraag om het verlenen van een asielvergunning zijn volgens het ontwerpbesluit anders dan de omstandigheden waaronder dat gebeurt bij een aanvraag om wijziging of verlenging van een asielvergunning.
De Afdeling merkt op dat de Procedurerichtlijn limitatief opsomt op grond waarvan kan worden afgeweken van de hoofdregel dat de beslissing op een asielaanvraag mag worden afgewacht. (zie noot 20) Die gronden zijn geïmplementeerd in het voorgestelde artikel 3.1, tweede lid, van het Vb 2000. De gronden in het eerste lid zijn niet (volledig) te herleiden tot de herziene Procedurerichtlijn. De herziene Procedurerichtlijn ziet voorts niet alleen op procedures inzake de toekenning van internationale bescherming. (zie noot 21) Deze richtlijn ziet ook op procedures betreffende de intrekking van die bescherming, waarbij dit laatste begrip niet alleen ziet op de daadwerkelijke intrekking, maar ook op de beëindiging en de weigering van de verlenging. (zie noot 22) De herziene Procedurerichtlijn maakt op zichzelf geen onderscheid (voor wat betreft de uitzonderingen op de hoofdregel om de beslissing te mogen afwachten) tussen de aanvraag om verlening van een asielvergunning en de aanvraag om verlenging of wijziging van een dergelijke vergunning. In de toelichting wordt niet uiteengezet waarom in het ontwerpbesluit dat onderscheid wel wordt gemaakt.
De Afdeling adviseert in de toelichting hierop in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
b. overlevering en uitlevering
Zoals in het voorgaande onderdeel vermeld, bevat het voorgestelde artikel 3.1 van het Vb 2000 de hoofdregel dat het indienen van een aanvraag voor een asielvergunning de uitzetting opschort, alsmede een aantal uitzonderingen daarop. (zie noot 23) In die gevallen blijft de uitzetting niet achterwege, tenzij, zoals in het voorgestelde derde lid is vermeld, de uitzetting strijdig zou zijn met het Vluchtelingenverdrag, Unierechtelijke verplichtingen, het EVRM of het Folteringverdrag. (zie noot 24) Dit laatste geldt echter weer niet in het geval de betrokkene wordt uitgeleverd of overgeleverd aan een andere lidstaat (..), of aan een internationaal strafhof of aan een tribunaal. (zie noot 25)
In de toelichting (zie noot 26) wordt vermeld dat in geval van overdracht aan internationale strafhoven en tribunalen de waarborg van het derde lid niet geldt, omdat de samenwerkingsverplichting met de strafhoven en tribunalen (zie noot 27) een dwingend karakter heeft en is gestoeld op het uitgangspunt van onverkort vertrouwen. De toelichting gaat niet in op het geval van overlevering aan een andere lidstaat 'op grond van een Europees Aanhoudingsbevel of anderszins'.
Voornoemd onverkort vertrouwen heeft, aldus de toelichting, ook betrekking op de tenuitvoerlegging van vonnissen door internationale strafhoven en tribunalen. Hierbij is een denkbaar scenario dat een vreemdeling die door een internationaal strafhof of tribunaal is veroordeeld en aan een andere lidstaat wordt overgedragen om aldaar de opgelegde straf te ondergaan, een beroep doet op bescherming tegen een dreigende behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in die lidstaat. Naar de Afdeling aanneemt valt deze situatie onder de overlevering aan een andere lidstaat ’(..) of anderszins.’ (zie noot 28) Ook in deze situatie is dan de uitzondering op de opschorting van de uitzetting, geformuleerd in het voorgestelde artikel 3.1, derde lid, van het Vb 2000 niet van toepassing, zodat toetsing van de uitzetting aan genoemde verdragen, waaronder het EVRM, niet kan plaats vinden.
De Afdeling merkt op dat deze systematiek op zichzelf strookt met de tekst van de herziene Procedurerichtlijn. (zie noot 29) De Afdeling wijst er echter tevens op dat zowel het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (zie noot 30) als het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie noot 31) ter zake van overdrachten binnen de Europese Unie op grond van de Dublinverordening hebben geoordeeld dat het daaraan ten grondslag liggende interstatelijk vertrouwensbeginsel niet altijd en onverkort kan worden ingeroepen, maar een weerlegbaar vermoeden inhoudt. (zie noot 32) De vraag rijst of die jurisprudentie niet van overeenkomstige toepassing zou kunnen zijn op de hiervoor beschreven situaties. In de toelichting wordt niet ingegaan op de vraag hoe het ontwerpbesluit zich op dit punt verhoudt tot deze rechtspraak. (zie noot 33)
De Afdeling adviseert in de toelichting hierop in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
4. Ambtshalve verlening verblijfsvergunning
Artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb 2000 beschrijft de gevallen waarin, nadat de eerste asielaanvraag is afgewezen, ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning kan worden afgegeven. In het tweede lid worden de uitzonderingen daarop geregeld. Het voorgestelde artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb 2000 verruimt deze uitzonderingen (zie noot 34) in verband met de gewijzigde Vw 2000. (zie noot 35) Deze verruiming van de uitzonderingen vloeit niet voort uit de om te zetten richtlijnen. (zie noot 36) Wat betreft de nieuwe uitzondering bij kennelijk ongegrondverklaring staat de verruiming haaks op het uitgangspunt dat aan de laatste wijziging van artikel 3.6a Vb 2000 in 2013 ten grondslag lag, namelijk dat alleen wordt afgezien van ambtshalve toetsing aan de eisen voor een reguliere vergunning indien géén inhoudelijke behandeling van de asielvergunning heeft plaats gevonden. (zie noot 37) Door de nieuwe uitzondering in geval van kennelijke ongegrondverklaring vervalt ook de extra waarborg voor bijvoorbeeld slachtoffers van mensenhandel, die het huidige artikel 3.6a biedt. (zie noot 38) De toelichting gaat op deze punten niet in.
De Afdeling adviseert in de toelichting hierop in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
5. Niet-begeleide minderjarigen
De herziene Procedurerichtlijn (zie noot 39) bevat bijzondere procedurele waarborgen voor niet-begeleide minderjarigen (alleenstaande minderjarige vreemdelingen). Zo dienen de lidstaten de niet-begeleide minderjarige onmiddellijk in kennis te stellen van de aanwijzing van een vertegenwoordiger. (zie noot 40) Voorts kunnen de lidstaten in het geval van een niet-begeleide minderjarige alleen onder bepaalde voorwaarden de procedure van artikel 31, achtste lid, van deze richtlijn of een grensprocedure (zie noot 41) toepassen, (zie noot 42) en kunnen zij alleen bepalen dat aan een niet-begeleide minderjarige wiens beroep geen reële kans van slagen heeft geen kosteloze rechtsbijstand wordt aangeboden, (zie noot 43) indien de vertegenwoordiger van de minderjarige overeenkomstig het nationale recht over juridische kwalificaties beschikt. (zie noot 44) Tot slot moet voor niet-begeleide minderjarigen in extra waarborgen worden voorzien in het geval het nationale recht niet voorziet in een recht om in de lidstaat te blijven als door een besluit het verblijfsrecht eindigt. (zie noot 45)
De toelichting vermeldt dat in het geval van een niet-begeleide minderjarige de procedure van artikel 31, achtste lid, van de herziene Procedurerichtlijn en de grensprocedure niet worden toegepast. (zie noot 46) Dat vloeit echter niet voort uit de tekst van het ontwerpbesluit.
Aan de overige hierboven genoemde procedurele waarborgen voor niet-begeleide minderjarigen van de herziene Procedurerichtlijn geeft het ontwerpbesluit geen uitvoering. Ook in de toelichting wordt aan deze voorschriften geen aandacht besteed.
De Afdeling adviseert deze onderdelen alsnog te implementeren in het ontwerpbesluit.
6. Informatieplicht in geval van bewaring
Artikel 9, vierde lid, van de herziene Opvangrichtlijn bepaalt dat verzoekers die in bewaring worden gehouden onmiddellijk schriftelijk in een taal die zij verstaan of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij deze verstaan, op de hoogte worden gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging te vragen. Anders dan de transponeringstabel bij de gewijzigde Vw 2000 aangeeft, gaat het hier naar het oordeel van de Afdeling niet louter om feitelijk handelen. Deze bepaling dient derhalve in beginsel te worden geïmplementeerd in dwingende bepalingen van nationaal recht die de daadwerkelijke uitvoering ervan kunnen verzekeren. (zie noot 47)
Dat de detentiemaatregel met redenen is omkleed en wordt uitgereikt, is bepaald in het voorgestelde artikel 5.3 van het Vb 2000. Dit artikel ziet alleen op bewaring (zie noot 48) en niet op grensdetentie. Daarmee is voor de laatste vorm van vrijheidsontneming de richtlijn niet omgezet. Ook is daarmee niet geregeld dat de maatregel wordt uitgereikt in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal en dat daarin de procedures om de maatregel aan te vechten en de mogelijkheid tot het inroepen van gratis rechtsbijstand worden vermeld. Daarmee is artikel 9, vierde lid, van de herziene Opvangrichtlijn niet afdoende geïmplementeerd.
De Afdeling adviseert op dit punt alsnog in implementatie te voorzien en het ontwerpbesluit aan te passen.
7. Medisch onderzoek
Wanneer er aanwijzingen zijn van vroegere vervolging of ernstige schade kan daarnaar een medisch onderzoek worden ingesteld, hetzij door de lidstaat, hetzij op initiatief van de betrokkene. (zie noot 49) Volgens de tekst van de Procedurerichtlijn moet dat onderzoek worden uitgevoerd door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars. In het ontwerpbesluit (zie noot 50) wordt het medisch onderzoek geregeld in artikel 3.109e, maar daarin worden de eis van kwalificatie en de nadere invulling daarvan niet geïmplementeerd. In de toelichting wordt slechts vermeld dat nog een aanbestedingsprocedure gaande is. (zie noot 51)
De Afdeling adviseert de richtlijn op dit punt alsnog in het ontwerpbesluit te implementeren.
8. Overgang van de Dublin-procedure naar de AA en omgekeerd
In de toelichting bij het ontwerpbesluit (zie noot 52) wordt opgemerkt dat een vreemdeling van de Dublinprocedure (zie noot 53) naar de Algemene Asielprocedure (AA) kan worden doorgeleid wanneer blijkt dat de zaak zich toch niet leent voor afdoening op grond van artikel 30 van de gewijzigde Vw 2000. Omgekeerd is het volgens de toelichting ook denkbaar dat aanwijzingen dat een andere lidstaat mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag pas in een later stadium aan het licht komen. In dat geval zou de zaak vanuit de rust- en voorbereidingstermijn of vanuit de algemene asielprocedure alsnog in de Dublinprocedure kunnen worden opgenomen.
De vraag rijst hoe dit zich verhoudt met de Dublinverordening (zie noot 54). Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State immers heeft overwogen, is de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek een ontvankelijkheidsprocedure, die vooraf gaat aan de inhoudelijke behandeling van het verzoek en moet beginnen zodra dit verzoek wordt ingediend. Voorts heeft de Afdeling bestuursrechtspraak overwogen dat uit de bepalingen van de Dublinverordening niet valt af te leiden dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid te doorlopen nadat reeds tot de behandeling van dat asielverzoek is overgaan. (zie noot 55)
De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.
9. Verzoek niet zo snel mogelijk ingediend
Ingevolge de herziene Procedurerichtlijn (zie noot 56) zorgen de lidstaten er voor dat verzoeken om internationale bescherming niet worden afgewezen of van behandeling worden uitgesloten louter op grond van het feit dat zij niet zo snel mogelijk zijn ingediend.
In het ontwerpbesluit is bepaald dat nadat een vreemdeling te kennen heeft gegeven asiel te willen vragen, hij zijn asielaanvraag onverwijld moet indienen. (zie noot 57) Het ontwerpbesluit zwijgt erover dat het niet voldoen aan deze verplichting niet op zichzelf zal leiden tot afwijzing van het asielverzoek of het buiten behandeling stellen daarvan. Nu uit verschillende bepalingen van de gewijzigde Vw 2000 (zie noot 58) wel blijkt dat het niet onverwijld hebben ingediend van de asielaanvraag een relevante factor kan zijn bij de afwijzing daarvan, zou dit tot misverstanden kunnen leiden. De Afdeling merkt op dat aldus onvoldoende uitvoering is gegeven aan voormelde bepaling uit de herziene Procedurerichtlijn.
De Afdeling adviseert op dit punt alsnog in implementatie te voorzien, hetgeen zou kunnen door een toevoeging in die zin aan het voorgestelde artikel 3.108c van het Vb 2000. (zie noot 59)
10. Afzonderlijke beslissingen
In artikel 11, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn is bepaald dat de lidstaten in bepaalde gevallen één beslissing kunnen nemen die geldt voor alle personen die ten laste van de verzoeker komen, tenzij dat handelen zou leiden tot de bekendmaking van specifieke omstandigheden van een verzoeker die zijn belangen zou schaden, met name in gevallen van vervolging op grond van gender, seksuele geaardheid, genderidentiteit en/of leeftijd. In dergelijke gevallen wordt aan de betrokken persoon een afzonderlijke beslissing afgegeven. Volgens de transponeringstabel bij de wet behoeft deze bepaling geen (nieuwe) implementatie omdat dit al is geregeld in de artikelen 1:3 en 3:45-3:49 van de Awb. Daarin zijn algemene bepalingen opgenomen over besluiten en de bekendmaking en motivering daarvan. Niet wordt daarin ingegaan op de mogelijkheid om afzonderlijke beslissingen te nemen indien één beslissing die geldt voor meerdere personen, één van die personen in zijn belangen zou schaden. Hiermee wordt dan ook onvoldoende uitvoering gegeven aan de richtlijn. (zie noot 60)
De Afdeling adviseert op dit punt alsnog in implementatie te voorzien, hetgeen zou kunnen door een toevoeging in die zin aan het voorgestelde artikel 3.121a van het Vb 2000.
11. Transponeringstabellen
In de toelichting bij het ontwerpbesluit zijn geen transponeringstabellen opgenomen waaruit blijkt hoe en waar in het ontwerpbesluit de bepalingen van de richtlijnen terecht zijn gekomen. In de toelichting bij de wijziging van de Vw 2000 zijn wel transponeringstabellen opgenomen, maar daarin is niet op artikelniveau van het Vb 2000 uitgewerkt waar de bepalingen van de richtlijnen worden uitgewerkt. De Afdeling adviseert in de toelichting transponeringstabellen op te nemen conform aanwijzing 338 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. (zie noot 61)
12. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.15.0160/II
- Artikel 3.109b, tweede lid, laten vervallen, aangezien dit dubbelop is met het bepaalde in artikel 3.109c.
- In artikel 3.109e, eerste lid, tweede volzin, na "hij" invoegen: ook.
- In artikel 3.115, eerste lid, onder b, "zevende lid" vervangen door: vijfde lid.
- In artikel 5.1b, tweede lid, na "inbewaringstelling" invoegen: of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel.
- In de toelichting, daar waar een specifieke vorm van detentie wordt bedoeld, een consequent terminologisch onderscheid maken tussen vrijheidsontneming aan de grens en vreemdelingenbewaring in het binnenland, en daar waar beide vormen van detentie worden bedoeld, een overkoepelende term gebruiken en deze als zodanig identificeren.
- "Europees parlement" telkens schrijven als "Europees Parlement".
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 juli 2015
1. Voorwaarden voor toepassing van de grensprocedure
De Afdeling merkt op dat het gegeven dat ieder asielverzoek aan de grens van een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet —zoals in het geval hij geen of vervalste documenten heeft — zonder meer in eerste instantie in de grensprocedure wordt behandeld, op gespannen voet staat met het limitatieve karakter van artikel 31, achtste lid, van de Procedurerichtlijn. Ik deel deze opvatting niet.
De grondslag voor toepassing van de grensprocedure is niet artikel 31, achtste lid, van de Procedurerichtlijn, maar artikel 43, eerste en tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Daaruit volgt naar mijn mening dat de Procedurerichtlijn het nemen van een beslissing op een aanvraag in een grensprocedure weliswaar slechts in een limitatief aantal gevallen toelaat, maar er niet aan in de weg staat om in beginsel alle zaken in de grensprocedure te laten aanvangen, juist opdat in die procedure kan worden vastgesteld of de betreffende zaken voor afdoening in de grensprocedure in aanmerking komen. Artikel 43, eerste lid, van de Procedurerichtlijn staat de lidstaten toe om procedures in te voeren om, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II van de Procedurerichtlijn, aan de grens of in transitzones van de lidstaten een beslissing te nemen, waarbij het nemen van een beslissing is gebonden aan enkele specifieke gronden. Op grond van artikel 43, eerste lid, kan zowel de ontvankelijkheid van een aanvraag, daaronder begrepen de vaststelling of met toepassing van de Dublinverordening niet in behandeling wordt genomen, als de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag, zoals ingevuld in artikel 31, achtste lid, in een grensprocedure worden beoordeeld. Het aanvangen van het onderzoek naar de asielaanvraag in een grensprocedure is - voor zover het een vreemdeling betreft die niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldoet - niet aan voorwaarden gebonden. Artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn staat het toe om een vreemdeling in bewaring te houden om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Hiermee wordt gedoeld op de grensprocedure, bedoeld in artikel 43 van de Procedurerichtlijn.
Het maken van een voorafgaande afweging of de aanvraag in een grensprocedure kan worden afgedaan is gelet hierop en ook op het inhoudelijke karakter van de afdoeningsgronden, niet in lijn met de Procedurerichtlijn. Zonder inhoudelijk onderzoek naar de identiteit van de asielzoeker en de gronden voor het asielverzoek kan niet vastgesteld worden of een aanvraag op de genoemde gronden kan worden afgedaan. En zodra is vastgesteld dat de aanvraag op de genoemde gronden kan worden afgedaan, is de grensprocedure niet meer nodig. De aanvraagprocedure wordt dan immers beëindigd, omdat de aanvraag niet behandeling wordt genomen, niet-ontvankelijk wordt verklaard of als kennelijk ongegrond wordt afgewezen.
Overweging 21 van de preambule, waar de Afdeling naar verwijst, dient in dit licht te worden gezien. Aangegeven wordt dat het ontbreken van documenten bij binnenkomst of het gebruik van vervalste documenten op zich niet hoeft te leiden tot automatische toepassing van een grensprocedure of een versnelde procedure, zolang de verzoeker gegronde redenen kan aanvoeren. Het aanvoeren van gegronde redenen kan slechts betrekking hebben op een oordeel van de autoriteiten na enig onderzoek naar de redenen en de gegrondheid hiervan.
Overweging 21 strekt er mijns inziens wel toe dat de aanvraag in de grensprocedure niet als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen louter en alleen omdat betrokkene geen documenten of vervalste documenten heeft.
Blijkens artikel 31, achtste lid, onderdelen c en d, van de Procedurerichtlijn dient er ten minste sprake te zijn van waarschijnlijke kwade trouw respectievelijk van misleiding van de autoriteiten.
Zodra duidelijk is dat een asielverzoek vermoedelijk niet kan worden afgedaan op een van de gronden, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, zal de grensprocedure worden beëindigd. De vreemdeling krijgt toegang tot Nederland, de grensdetentie wordt opgeheven en de behandeling wordt voortgezet in een normale asielprocedure. Dit geschiedt uiterlijk na vier weken maar als, gelet op hetgeen de vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, evident is dat zijn aanvraag niet in de grensprocedure thuishoort kan deze zeer kort duren. In de regel bestaat de benodigde duidelijkheid na afname van het nader gehoor, maar het is ook mogelijk dat dit al eerder het geval is. Bij bepaalde categorieën vreemdelingen kan bijvoorbeeld snel na het begin van de algemene asielprocedure aan de grens met grote waarschijnlijkheid worden aangenomen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de grensprocedure, bijvoorbeeld momenteel bij instroom uit Syrië. Zodra de identiteit, herkomst en nationaliteit met voldoende zekerheid vaststaan en er geen contra-indicaties zijn, is immers zeer waarschijnlijk dat het hierbij gaat om een in te willigen aanvraag. Zolang met rede kan worden aangenomen dat de procedure aan de grens kan worden afgedaan, bijvoorbeeld omdat een relaas niet of (vooralsnog) onvoldoende wordt onderbouwd, zal echter gerechtvaardigd zijn dat de grensprocedure voortduurt, met inachtneming van de maximumtermijn van vier weken.
De Afdeling kan worden toegegeven dat in het ontwerpbesluit onvoldoende wordt bestuursrecht aangegeven order weke voorwaarden de grensprocedure kan worden gestart en voortgezet. Artikel 3.109b zal worden aangevuld met een bepaling waarin hetgeen hiervoor wordt beschreven, wordt vastgelegd. In beleid zal nader worden uitgewerkt op welk moment en op welke wijze wordt beoordeeld of dit (nog) het geval is. Bovendien zal in artikel 3.109b worden vastgelegd dat de grensprocedure niet zal worden toegepast ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De toelichting is in deze zin aangevuld.
2. Voorwaarden voor het opleggen van grensdetentie
De Afdeling merkt terecht op dat in het ontwerpbesluit nog niets was bepaald omtrent de voorwaarden waaronder aan asielzoekers gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure een grensdetentiemaatregel kan worden opgelegd. In dit verband merk ik op dat tijdens de asielprocedure het grensbewakingsbelang in beginsel doorslaggevend is, tenzij individuele feiten en omstandigheden dit niet rechtvaardigen. Artikel 8, derde lid, onderdeel c van de Opvangrichtlijn, biedt de mogelijkheid een vreemdeling in bewaring te houden om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 6, derde lid, van de Wet. Dit artikel biedt een grondslag om de vreemdeling vanaf het moment van de asielaanvraag tot aan het besluit op de asielaanvraag in een grensprocedure in bewaring te stellen.
Bij elk alternatief middel wordt feitelijk de (verdere) toegang verkregen. (zie noot 62) In dat licht dient ook het tweede lid van artikel 8 van de Opvangrichtlijn te worden gelezen: de individuele belangenafweging staat sterk in het licht van het grensbewakingsbelang (zie hiervoor ook de nota naar aanleiding het verslag, Kamerstukken 34088, nr. 6, p41 e.v.). Er wordt slechts afgezien van grensdetentie indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. (zie noot 63) In het licht van artikel 8, tweede lid van de Opvangrichtlijn is het, zoals de Afdeling terecht opmerkt, aangewezen een bepaling op te nemen waarin het vereiste deze belangenafweging te maken expliciet wordt neergelegd. Daarbij is het bestaande criterium van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak leidend geacht.
3. Uitzetting en de opschorting daarvan
a. wijziging en verlening van verblijfsvergunning asiel
De Afdeling constateert terecht dat de Procedurerichtlijn niet alleen ziet op procedures inzake de toekenning van internationale bescherming, maar ook op procedures betreffende de intrekking van die bescherming, Waarbij onder intrekking mede wordt verstaan de beëindiging en de weigering van de verlenging. Dit vloeit voor uit de definitie van het begrip intrekking, zoals opgenomen in artikel 2, onderdeel o, van de Procedurerichtlijn. Als gevolg van deze ruime definitie zijn de procedureregels inzake intrekking zoals vastgelegd in hoofdstuk IV (artikelen 44 en 45) van de Procedurerichtlijn ook van toepassing op de beëindiging en de weigering van de verlenging van internationale bescherming. Dit betekent echter niet dat een aanvraag tot verlenging van een asielvergunning moet worden aangemerkt als een verzoek om internationale bescherming waarop artikel 9, tweede lid, jo. artikel 41 van de Procedurerichtlijn van toepassing is. Dit blijkt ook uit artikel 45, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, waarin enkele artikelen van de Procedurerichtlijn van overeenkomstige toepassing worden verklaard, doch niet de artikelen 9 en 41.
Uit het bovenstaande concludeer ik dat de Procedurerichtlijn er niet aan in de weg staat dat, voor wat betreft de uitzonderingen op de hoofdregel om de beslissing te mogen afwachten, een onderscheid wordt gemaakt tussen de aanvraag om verlening van een asielvergunning en de aanvraag om verlenging of wijziging van een dergelijke vergunning. Conform het advies van de Afdeling is dit in de nota van toelichting verduidelijkt.
b. overlevering en uitlevering
De Afdeling wijst er terecht op dat het een denkbaar scenario is dat een vreemdeling die door een internationaal strafhof of tribunaal is veroordeeld en aan een andere lidstaat wordt overgedragen om aldaar de opgelegde straf te ondergaan, een beroep doet op bescherming tegen een dreigende behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in die lidstaat. Gelet hierop en gelet op de jurisprudentie van de Afdeling (zie noot 64) wordt onderdeel c van het tweede lid van artikel 3.1 niet langer uitgesloten in het derde lid van dat artikel. Daardoor kan ook in de in dat onderdeel bedoelde situatie na een asielaanvraag worden getoetst aan de in artikel 3.1 derde lid bedoelde verplichtingen. De toetsing hiervan kan echter plaatsvinden in het kader van een zogeheten artikel 3.1-procedure. Dit betekent dat de uitzetting niet achterwege hoeft te blijven en de aanvraag niet in een algemene asielprocedure hoeft te worden behandeld. De toelichting is in deze zin aangepast.
4. Ambtshalve verlening verblijfsvergunning
Artikel 3.6a, tweede lid, beschrijft de gevallen waarin, kort gezegd, niet ambtshalve wordt beoordeeld of na afwijzing van een asielaanvraag een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden moet worden verleend (het zogenaamde ‘doortoetsen’), zulks in afwijking van artikel 3.6a, eerste lid. In de huidige bepaling is dit beperkt tot de in artikel 30, eerste lid, vervatte dwingende afwijzingsgronden; daaronder begrepen afdoening op grond van de Dublinverordening. Met het verdwijnen van de dwingende afwijzingsgronden is wijziging van dit artikel onvermijdelijk. Bij deze wijziging moet worden afgewogen wat het doel was van de huidige bepaling en op welke wijze dit kan worden nagestreefd onder aangepaste wetgeving. De ratio van de huidige bepaling is dat het ‘doortoetsen’ niet aangewezen is wanneer de inhoud van de aanvraag niet of in beperkte mate een rol speelt bij de afwijzing van de asielaanvraag. Met de voorgestelde wijziging wordt de bepaling uitgebreid tot een aantal van de nieuwe afdoeningen die met elkaar gemeen hebben dat bij de afdoening van de aanvraag de inhoud daarvan niet of slechts in beperkte mate een rol speelt. Dat deze wijzigingen strikt genomen niet voortvloeien uit de Procedurerichtlijn, doet er niet aan af dat onderdeel van een zorgvuldig implementatieproces is dat wordt bezien of bestaande nationale regels kunnen worden gehandhaafd en of het aangewezen is deze regels meer in lijn te brengen met de wijzigingen die voortvloeien uit de Europese regels. Van zo’n wijziging is hier sprake. De nota van toelichting is op dit punt verduidelijkt.
Desalniettemin acht ik de kritiek ten aanzien van de kennelijk ongegrondheden overtuigend en komen deze als uitzondering op de ambtshalve doortoetsing te vervallen. Het besluit en de toelichting is in deze lijn aangepast.
Dat de voorgestelde wijziging tot een zekere beperking van de ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning aan slachtoffer-aangever, slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel leidt, betekent niet dat sprake is van strijd met overige Europese regelgeving (richtlijn 2004/81/EG en richtlijn 2011/35/EU en nationale wetgeving die deze richtlijnen implementeert). Deze regels verplichten er immers niet toe in het kader van een asielaanvraag, bij afwijzing daarvan, ambtshalve te bezien of de bedoelde vergunning kan worden verleend.
Artikel 3.6a staat niet in de weg aan het voldoen aan de uit de genoemde richtlijnen voortvloeiende verplichtingen. Het staat aan slachtoffers van mensenhandel bovendien vrij om eigener beweging een reguliere verblijfsaanvraag te doen.
5. Niet-begeleide minderjarigen
De Afdeling adviseert enkele bijzondere verplichtingen ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen te implementeren in het besluit. Het advies van de Afdeling in deze wordt gevolgd en het besluit bevat de door haar genoemde waarborgen:
a) de niet-begeleide minderjarige wordt onmiddellijk in kennis gesteld van de aanwijzing van een vertegenwoordiger (artikel 3.109d, tweede lid);
b) de procedure van artikel 31, achtste lid, van deze richtlijn of een grensprocedure zal niet worden toegepast ten aanzien van niet-begeleide minderjarigen (artikel 3.109d, eerste lid);
c) aan een niet-begeleide minderjarige wiens beroep geen reële kans van slagen heeft, wordt alleen kosteloze rechtsbijstand onthouden, indien de vertegenwoordiger van de minderjarige overeenkomstig het nationale recht over juridische kwalificaties beschikt (artikel 3.109d, achtste lid);
d) extra waarborgen bij het niet voorzien in het recht om in Nederland te verblijven nadat het verblijfsrecht is geëindigd (artikel 3.109d, negende lid).
6. Informatieplicht in geval van bewaring
Conform het advies van de Afdeling wordt in artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000 de in artikel 9, vierde lid, van de Opvangrichtlijn vervatte verplichting alsnog expliciet geïmplementeerd. In het tweede lid wordt geregeld dat deze verplichting ook geldt voor grensdetentie.
7. Medisch onderzoek
Het advies van de Afdeling om in het ontwerpbesluit vast te leggen dat het medisch onderzoek moet worden uitgevoerd door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars ter implementatie van artikel 18 van de Procedurerichtlijn, is gevolgd.
8. Overgang van de Dublin-procedure naar de AA en omgekeerd
Er wordt steeds naar gestreefd om zo snel mogelijk helderheid te verkrijgen over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. In zijn algemeenheid geldt dat nadat een asielverzoek is ingediend een verzoek om terug- of overname aan een andere lidstaat in ieder geval binnen drie maanden moet worden gedaan. Indien de betrokkenheid van een andere lidstaat blijkt uit een zogeheten Eurodac-treffer moet dit binnen twee maanden (artikel 21, eerste lid, en 23, tweede lid, van de Dublinverordening). Het is echter niet uit te sluiten dat pas op een later moment informatie beschikbaar komt op grond waarvan een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat moet worden aangemerkt. Ook in de huidige praktijk komt dit voor. Wanneer hiervan sprake is, zal de vreemdeling worden gehoord over eventuele bezwaren tegen de overdracht. Er zijn situaties denkbaar waarin het alsnog toepassen van de Dublinverordening als ontijdig moet worden beschouwd. Hierbij valt te denken aan een situatie waarin een verblijfsvergunning is verleend (artikel 19 van de Dublinverordening). De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, waar de Afdeling advisering naar verwijst, is hiervan een voorbeeld. Doorgaans zal echter niet snel worden aangenomen dat de verantwoordelijkheid is overgenomen door het in behandeling nemen van het asielverzoek. De toelichting is naar aanleiding van het advies aangevuld.
9. Verzoek niet zo snel mogelijk ingediend
Een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Procedurerichtlijn is niet hetzelfde als de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 3.108c, eerste lid, van het ontwerpbesluit. Van een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in de Procedurerichtlijn is reeds sprake indien een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten de wens kenbaar maakt om hem internationale bescherming te verlenen. Nadat de vreemdeling aldus zijn verzoek om internationale bescherming kenbaar heeft gemaakt, volgen de kennisgeving en de indiening van de aanvraag (het formele moment van ondertekening) in de zin van artikel 3.108c, eerste lid, van het ontwerpbesluit. De verplichting om de aanvraag na de kennisgeving onverwijld in te dienen, ziet dus op de formalisering van de aanvraag naar nationaal recht, en niet op het verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Het enkele feit dat het verzoek om internationale bescherming niet zo snel mogelijk is gedaan, is geen afwijzingsgrond.
Nu de onverwijlde indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 3.108c van het ontwerpbesluit, geen betrekking heeft op het verzoek om internationale bescherming als bedoeld in de Procedurerichtlijn, ligt het niet voor de hand om dit artikel aan te vullen in de door de Afdeling geadviseerde zin, Naar mijn mening zou dat juist tot verwarring kunnen leiden, Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is wel de toelichting verduidelijkt.
10. Afzonderlijke beslissingen
Het advies van de Afdeling om artikel 11, derde lid, van de Procedurerichtlijn alsnog expliciet te implementeren, is gevolgd.
11. Transponeringstabellen
Terecht wijst de Afdeling erop dat de in de toelichting bij de Vw 2000 opgenomen transponeringstabellen niet volledig zijn. Deze zullen worden aangepast en aangevuld en separaat bekend worden gemaakt.
12. Redactionele opmerkingen
De opmerkingen in de redactionele bijlage zijn overgenomen.
Ik moge U hierbij het ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(1) Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180), Kamerstukken II, 2014/15, 34 088.
(2) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) ter vervanging van Richtlijn 2005/85/EG.
(3) Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180), ter vervanging van Richtlijn 2003/9/EG.
(4) Artikel 31, achtste lid, van de herziene Procedurerichtlijn.
(5) Overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.
(6) Punt 21 van de preambule van de herziene Procedurerichtlijn.
(7) Artikel 3, derde lid, van de gewijzigde Vw 2000.
(8) Genoemd in de artikelen 30, 30a en 30b van de gewijzigde Vw 2000.
(9) Artikel 3, achtste lid, van de gewijzigde Vw 2000.
(10) Zie in dit verband ook de annotatie van G.N. Cornelisse bij de ABRvS 1 mei 2015, 201501451/1/V3, JV 2015/171, en de opmerking van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) in haar advies van 4 juni 2015 over het voorgestelde artikel 3.109c van het Vb 2000.
(11) De grensprocedure wordt geregeld in artikel 3 van de gewijzigde Vw 2000.
(12) Artikel 43 van de herziene Procedurerichtlijn.
(13) Artikel 8 van de herziene Opvangrichtlijn.
(14) Artikel 6, derde lid, van de gewijzigde Vw 2000.
(15) Krachtens artikel 59, eerste lid, van de gewijzigde Vw 2000. De voorwaarden zijn uitgewerkt in artikel 5.1b van het Vb 2000.
(16) Onderdeel X van het voorstel. Het betreft de verwijzing naar artikel 6, zesde lid, van de gewijzigde Vw 2000, zie onderdeel W van het voorstel, het voorgestelde artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000.
(17) Het voorgestelde artikel 5.1b van het Vb 2000 zwijgt over deze categorie asielzoekers.
(18) Artikel 8 van de herziene Opvangrichtlijn. Overigens is daardoor ook geen invulling gegeven aan de delegatieopdracht in artikel 6, zevende lid, van de gewijzigde Vw 2000, dat verplicht tot het stellen van nadere regels over de toepassing van artikel 6, derde lid, van de gewijzigde Vw 2000.
(19) Het voorgestelde artikel 3.1 van het Vb 2000 (onderdeel B van het ontwerpbesluit).
(20) Artikel 9, tweede lid, jo. artikel 41, eerste lid, van de herziene Procedurerichtlijn.
(21) Artikel 1 van de herziene Procedurerichtlijn.
(22) Artikel 2(o) van de herziene Procedurerichtlijn.
(23) Het voorgestelde artikel 3.1, tweede lid, van het Vb 2000 formuleert uitzonderingen onder a-e.
(24) Het voorgestelde artikel 3.1, derde lid, van het Vb 2000 (onderdeel B van het ontwerpbesluit).
(25) Het voorgestelde artikel 3.1, tweede lid, onderdeel c, van het Vb 2000.
(26) Toelichting, Algemeen deel, onderdeel 5, uitzonderingen rechtmatig verblijf.
(27) Gebaseerd op de statuten van het Internationaal Strafhof of die van de betreffende tribunalen.
(28) Het voorgestelde artikel 3.1, tweede lid, onder c, van het Vb 2000.
(29) Artikel 9, tweede en derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn, die luiden: ‘2. De lidstaten mogen alleen een uitzondering maken voor de gevallen waarin een verzoeker een volgend verzoek doet, zoals bedoeld in artikel 41 of wanneer zij een persoon zullen overdragen of uitleveren, naar gelang van het geval, aan hetzij een andere lidstaat uit hoofde van verplichtingen overeenkomstig een Europees aanhoudingsbevel of anderszins, hetzij aan een derde land of aan internationale strafhoven of tribunalen.’ En: ‘3. Een lidstaat kan een verzoeker krachtens lid 2 alleen uitleveren aan een derde land wanneer de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een uitleveringsbesluit niet zal leiden tot direct of indirect refoulement in strijd met de internationale en Unie-verplichtingen van die lidstaat.’
(30) EHRM (Grote Kamer) 21 januari 2011, nr. 30696/09, M.S.S. t. Griekenland en België.
(31) Hof van Justitie EU (Grote Kamer) 21 december 2011, gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10, N.S. e.a., ECLI:EU:C:2011:865.
(32) Vergelijk punt 42 van de preambule en artikel 9, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn.
(33) Zie ook het advies van de ACVZ van 4 juni 2015 inzake de redactie van het voorgestelde artikel 3.1 van het Vb 2000.
(34) Onderdeel D van het ontwerpbesluit.
(35) De invoering van de nieuwe afwijzingsgronden buiten behandeling stellen, niet ontvankelijk verklaren en kennelijk ongegrond verklaren.
(36) Daarmee is de voorgestelde wijziging niet in lijn met het uitgangspunt dat in de implementatieregeling geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk is, zie Aanwijzingen voor de regelgeving, Ar 331.
(37) Zie Nota van toelichting, Staatsblad 2013, nr 580, artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.6a, blz. 34.
(38) Zie ook de opmerking van de ACVZ in het Advies van 4 juni 2015 inzake het voorgestelde artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb 2000.
(39) Artikel 25 van de herziene Procedurerichtlijn.
(40) Artikel 25, eerste lid, onder a, van de herziene Procedurerichtlijn.
(41) Artikel 43 van de herziene Procedurerichtlijn.
(42) Artikel 25, zesde lid, onder a en b, van de herziene Procedurerichtlijn.
(43) Zie artikel 20, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn, welke bepaling volgens de transponeringstabel bij de wetswijziging is geïmplementeerd in onder meer de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria, waarin is bepaald dat geen rechtsbijstand wordt verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand indien de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot.
(44) Artikel 25, zesde lid, onder d, van de herziene Procedurerichtlijn.
(45) Artikel 25, zesde lid, laatste alinea, van de herziene Procedurerichtlijn.
(46) Toelichting, Algemeen deel, onderdeel 1, invoering van de grensprocedure.
(47) Zie het arrest van het Hof van 25 mei 1982, C-96/81, Commissie / Nederland, ECLI:EU:C:1982:192, punt 12. Daarin heeft het Hof voorts overwogen dat eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard naar goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd, niet kunnen worden beschouwd als een juiste uitvoering van de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting.
(48) Artikel 59 e.v. van de gewijzigde Vw 2000.
(49) Artikel 18 van de herziene Procedurerichtlijn.
(50) Onderdeel K van het ontwerpbesluit.
(51) Toelichting, Algemeen deel, onderdeel 3, uitvoering van het medisch onderzoek.
(52) Toelichting, Algemeen deel, onderdeel 7, nieuwe procedure voor Dublinclaimanten.
(53) De Dublinprocedure is geregeld in het voorgestelde artikel 3.109c van het Vb 2000.
(54) Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180).
(55) ABRvS 28 december 2012, 201111815/1/V4.
(56) Artikel 10, eerste lid, van de herziene Procedurerichtlijn.
(57) Het voorgestelde artikel 3.108c, eerste lid, van het Vb 2000.
(58) Art. 30b, eerste lid, en art. 31, lid 6, van de gewijzigde Vw 2000.
(59) Die toevoeging zou kunnen worden vormgegeven als in het voorgestelde artikel 3.109d, tweede lid, van het Vb 2000.
(60) Zie ook het advies van de ACVZ van 4 juni 2015 inzake artikel 11, derde lid, van de herziene Procedurerichtlijn.
(61) Zie ook het advies van de Afdeling bij Voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180).
(62) Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 22 mei 2012, zaak nr. 201106665/1/V4.
(63) Afdeling bestuursrechtspraak van 22 mei 2012, zaak nr. 201106665/1/V4.
(64) ABRvS, 27 juni 2014 in zaak nr. 201310225/1/V1 en 2 juli 2015, zaak nr. 201409956/1/V1.
Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting