Ontwerpbesluit houdende regels inzake de langdurige zorg (Besluit langdurige zorg), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W13.14.0367/III
- Datum advies
- 20 november 2014
- Vindplaats
- -
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende regels inzake de langdurige zorg (Besluit langdurige zorg), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 9 oktober 2014, no.2014001937, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels inzake de langdurige zorg (Besluit langdurige zorg), met nota van toelichting.
Met het ontwerpbesluit wordt uitvoering gegeven aan de Wet langdurige zorg (Wlz). Daartoe worden onder meer bestaande algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) samengevoegd, toegesneden op de Wlz en waar nodig aangevuld met nieuwe elementen, zoals bepalingen met betrekking tot het persoonsgebonden budget (pgb), waaronder de maximale hoogte, en de toetsing van de wlz-uitvoerders door de Nederlandse Zorgautoriteit. De kern wordt gevormd door een nadere uitwerking van de inschrijving van verzekerden en de inhoud van de verzekering, waaronder het verzekerd pakket, het recht op zorg en het indicatiebesluit.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de eigen bijdrage en de toelichting. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Eigen bijdrage
Het ontwerpbesluit regelt in welke gevallen de lage eigen bijdrage voor verblijf in een instelling verschuldigd is.(zie noot 1) Het betreft onder meer verzekerden die in een instelling verblijven, maar ook nog een "thuissituatie" moeten onderhouden. Voor hen geldt dat de eigen bijdrage op een andere manier wordt vastgesteld, vanwege de kosten die zij nog hebben aan de thuissituatie, aldus de toelichting bij dit artikel. Thans geldt voor een verblijf gedurende de eerste zes maanden het lage tarief.(zie noot 2) Het voorstel regelt een uitzondering daarop voor de situatie dat het verblijf in de instelling aansluit op verblijf ten laste van de zorgverzekering.
Niet duidelijk is of deze uitzondering ook bedoeld is voor situaties waarin het verblijf in een ziekenhuis slechts van korte duur is geweest.(zie noot 3) De voorgestelde bepaling kent evenwel geen onderscheid naar duur van het ziekenhuisverblijf.
De Afdeling adviseert de voorgestelde uitzondering dragend te motiveren en het artikel op de onderdelen a en b zo nodig aan te passen. Daarbij wijst de Afdeling ook op de noodzaak van een correcte aansluiting op het vijfde lid van dit artikel.(zie noot 4)
2. Toelichting
Op enkele onderdelen mist de toelichting een duidelijke uiteenzetting en een dragende motivering. Mede gelet op het feit, dat met het ontwerpbesluit uitvoering wordt gegeven aan de nieuwe Wlz en daarmee ook voorzien wordt in een nieuwe omvattende regeling voor de langdurige zorg verdient een zo volledig mogelijke uitwerking de voorkeur. De Afdeling wijst in dit verband op de volgende.
a. Artikel 3.1.1 hanteert de term "algemeen gebruikelijke voorzieningen". Deze aanduiding wordt niet nader uitgewerkt. Daarbij kan gedacht worden aan de algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals geformuleerd in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014.(zie noot 5)
De Afdeling adviseert een definitie op te nemen in artikel 1.1.1 van het ontwerpbesluit en de toelichting aan te vullen.
b. In artikel 3.1.3, tweede lid, van het ontwerpbesluit wordt omschreven in welke situatie sprake is van een kleinschalig wooninitiatief. Daarvoor geldt dat de bewoners-verzekerden geen recht hebben op een vergoeding voor woningaanpassing. Uit de toelichting kan de redengeving niet worden opgemaakt.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.
c. Artikel 3.1.4 regelt de situaties waarin de cliënten wat betreft de zorgbehoefte voldoen aan de toegangscriteria van de Wlz, maar de Wlz toch niet van toepassing is. De toelichting besteedt wel aandacht aan de onderdelen a en b, maar laat onderdeel c buiten beschouwing.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.
d. De schriftelijke overeenkomst die de verzekerde met de zorgaanbieder of mantelzorger sluit met betrekking tot de zorg waarvoor hij betaling ontvangt uit het pgb behoeft de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Deze goedkeuring kan worden onthouden onder meer wegens strijd met de taken bedoeld in artikel 3.3.3, vijfde lid.(zie noot 6) Het artikellid is niet voorzien van een toelichting.
Naar het de Afdeling voorkomt, is beoogd te verwijzen naar de uitvoerende taken van de SVB, waartoe naast het verrichten van betalingen ook behoren het registreren, adviseren, afdragen van belasting, administreren en toetsen op de door de WLZ-uitvoerder gestelde voorwaarden en het faciliteren van verplicht werkgeverschap, waarop de memorie van toelichting bij artikel 3.3.3, zevende lid (voorheen vijfde lid) wijst.(zie noot 7)
De Afdeling adviseert in ieder geval de toelichting aan te vullen en de tekst van het derde lid zo te formuleren dat nauwkeurig wordt aangesloten bij de wettekst die immers niet spreekt van taken van de SVB, maar van budgetbeheer.
e. In het ontwerpbesluit is in een aantal gevallen gekozen voor nadere regeling bij ministeriële regeling. Kennisneming van de inhoud op hoofdlijnen van deze regeling is van belang niet alleen om een totaalbeeld te krijgen, maar ook om te kunnen beoordelen of de te regelen materie regeling op dit niveau rechtvaardigt. Dit klemt te meer in die gevallen dat waarborgen geboden moeten worden, zoals onder meer bij de verwerking van persoonsgegevens.(zie noot 8) De Afdeling wijst in dit verband op het volgende.
- Op grond van artikel 3.1.1 worden zorgprofielen nader ingevuld bij ministeriële regeling. Nadere informatie verschaft de toelichting niet.
- Ingevolge artikel 3.1.2 kan nog nader geregeld worden in welke gevallen de toestemming van de Wlz-uitvoerder nodig is voor het recht op een mobiliteitshulpmiddel. Er zal nog nader worden bezien wat hieronder zal komen te vervallen, aldus de toelichting.
- Artikel 3.5.3 biedt de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot de aanvraag, de verlening en de weigering van een modulair pakket thuis,(zie noot 9) maar de toelichting bevat een herhaling van de tekst en verschaft dan ook geen inzicht in de situaties waaraan gedacht moet worden.
- De in de wet en het ontwerpbesluit geformuleerde weigeringsgronden en toekenningsvoorwaarden die gelden voor een pgb kunnen ingevolge artikel 3.6.2, derde lid, nog worden aangevuld bij ministeriële regeling. Nu een nadere toelichting ontbreekt, is de noodzaak van dit artikellid niet direct duidelijk.
- Artikel 3.6.7 voorziet in het bij ministeriële regeling stellen van aanvullende regels met betrekking tot het pgb, maar regelt ook de uitwerking van taken van de SVB in dit verband. De toelichting gaat niet inhoudelijk op de te regelen materie in.(zie noot 10)
De Afdeling adviseert waar mogelijk de ministeriële regeling meer inhoudelijk te duiden.
f. Paragraaf 2 van de toelichting gaat nader in op de voorbereiding van het ontwerpbesluit. Opgemerkt wordt dat het concept ter consultatie is voorgelegd aan een aantal nader genoemde instanties, naar aanleiding waarvan ook reacties zijn ontvangen. Inhoudelijk wordt hierop niet ingegaan. Zo is niet duidelijk in hoeverre deze opmerkingen geleid hebben tot aanpassing van het ontwerpbesluit.(zie noot 11)
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op relevante opmerkingen uit de consultatiefase.
3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.14.0367/III
- In de aanhef de verwijzing naar artikel 3.2.3, vierde lid, wijzigen in artikel 3.2.3, vijfde lid en die naar artikel 3.3.2, vijfde lid, wijzigen in artikel 3.3.2, achtste lid. Voorts de verwijzing naar artikel 3.3.3, eerste en vierde lid, wijzigen in eerste, vijfde en zesde lid. Tevens de verwijzing naar artikel 31a van de Wet marktordening gezondheidszorg achterwege laten (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 17, blz. 43/44). Ten slotte de aanhef aanvullen met het oog op een toereikende wettelijke basis voor de artikelen 8.3.5 tot en met 8.9.1 van het ontwerpbesluit en in dat kader de opsplitsing in hoofdstukken achterwege laten.
- In artikel 1.1.1 bij de omschrijving van "vermogen" de verwijzing naar artikel 3.3.10 aanvullen en de omschrijving van zorgverzekering achterwege laten (zie artikel 1.1.1 Wet langdurige zorg; Kamerstukken I 2014/15, 33 891, C).
- In artikel 2.1.5, vierde lid, de verwijzing naar het tweede en derde lid wijzigen in eerste en tweede lid.
- In artikel 3.1.1. eerste lid, de zinsnede "het best bij de verzekerde passende zorgprofiel" wijzigen in: het bij de verzekerde best passende zorgprofiel. Voorts de volgende omschrijving van "zorgprofiel" in artikel 1.1.1 opnemen: een algemene typering van vergelijkbare zorgbehoeften of beperkingen op dezelfde terreinen, waarbij de verzorgings-, verplegings-, begeleidings- of behandelingsdoelen naar aard, inhoud en globale omvang overeenkomen. (zie Kamerstukken 2013/14, 33 891, nr. 9, blz. 34 en artikel 1, onderdeel f, van het Zorgindicatiebesluit). In het vierde lid "als bedoeld in het tweede lid" wijzigen in : , bedoeld in het tweede lid.
- Afkortingen de eerste keer voluit schrijven (bijv. bij de aanduiding van de zorgprofielen).
- In artikel 3.3.1.6, eerste lid, tweede volzin, de zinsnede "de eigen bijdrage is vastgesteld" wijzigen in: de eigen bijdrage is herzien.
- In artikel 3.3.2.2, vijfde lid, de zinsnede "onderdelen b en c" wijzigen in onderdelen a en b.
- Waar nodig ook voorzien in wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, in zoverre nog verwezen wordt naar het Bijdragebesluit zorg (onder meer artikel 3.1, vierde lid, onderdeel a, waarin nog verwezen wordt naar de artikelen 4 en 14 van het Bijdragebesluit zorg).
- In artikel 3.3.2.3, derde lid, de zinsnede "de bijdrage, bedoeld in het eerste lid," wijzigen, nu het eerste lid de vaststelling van het bijdrageplichtig vermogen betreft, en niet de vaststelling van de bijdrage. De zinsnede zou gewijzigd kunnen worden in: met inachtneming van het eerste lid wordt vastgesteld.
- In artikel 3.3.2.7, tweede lid, de zinsnede "als bedoeld in artikel 1.1.1," achterwege laten gelet op de definitie van de grondslag sparen en beleggen in artikel 1.1.1.
- In artikel 3.3.3.1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e, na "nog niet heeft bereikt" invoegen: dan wel.
- Artikel 3.4.2 voorzien van een aanvullende inhoudelijke toelichting zoals weergegeven in Stb 2005, 690, blz. 39.
- In artikel 3.5.2, de verwijzing naar artikel 3.3.2, vierde lid, aanvullen met: , onderdeel b,.
- Artikel 3.6.2, tweede lid van een toelichting voorzien en daarin verwijzen naar hetgeen paragraaf 1.3 van de toelichting opmerkt over "meerzorg".
- In artikel 3.6.6, vierde lid, de verwijzing naar het derde lid, onderdeel b, subonderdeel 2e en 3e wijzigen in: het derde lid.
- In artikel 4.1.2, derde lid, onderdeel e, de verwijzing naar het Besluit prudentieel toezicht Wft wijzigen in: Besluit prudentiële regels Wft.
- In hoofdstuk 5 bij de paragrafen 1 en 2 de volgorde van de wet aanhouden.
- De hoofdstukken 6 en 7 verwisselen in aansluiting op de volgorde in de wet.
- In artikel 8.1.1, onderdeel A, de verwijzing naar onderdeel d vervangen door onderdeel e en de letteraanduiding d dienovereenkomstig vervangen door e.
- In artikel 8.1.2, onderdeel B, na "artikel 3.1.1" invoegen: , eerste lid,.
- In artikel 8.1.4, onderdeel A, de zinsnede "artikel 11.1.4 en artikel 10.1.5, eerste lid" wijzigen in: de artikelen 10.1.4, eerste lid, en 11.1.5.
- In artikel 8.3.1, onderdeel C, onder 2, "derde en vierde lid" wijzigen in "vierde en vijfde lid" en in onderdeel F de verwijzing naar artikel 21d achterwege laten.
- In artikel 8.5.1, onderdeel A, de verwijzing naar artikel 2, onderdeel a, wijzigen in: artikel 2a, tweede lid, onderdeel a.
- In artikel 8.9.1 de verwijzing naar artikel 2, tweede lid, onderdeel a wijzigen in: artikel 1, tweede lid, onderdeel a.
- In hoofdstuk 8 ook voorzien in aanpassing van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (in zoverre nog verwezen wordt naar Bijdragebesluit zorg).
- Voorzien in indexatie van bedragen ingevolge artikel 3.3.1.7.
- Aan de toelichting een transponeringstabel toevoegen waaruit blijkt aan welke bestaande artikelen het ontwerpbesluit ontleend is.
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 december 2014
1. Eigen bijdrage
De Afdeling merkt terecht op dat niet duidelijk is of de uitzondering in artikel 3,3.22, eerste lid, onderdelen a en b, ook is bedoeld voor situaties waarin het verblijf in een ziekenhuis slechts van korte duur is geweest. De Afdeling wijst er in een voetnoot voorts op dat artikel 3,3.2.2, vijfde lid, niet meer correct aansluit op het in het eerste lid, onderdelen a en b, toegevoegde verblijf ten laste van de zorgverzekering.
De formulering van de onderdelen a en b leidt er bij nader inzien, onbedoeld, toe dat in alle situaties waarin sprake is van verblijf in een instelling ten laste van de Wet langdurige zorg (Wlz) volgend op verblijf in een instelling, dus ook koftdurend, ten laste van de zorgverzekering, direct de hoge eigen bïjdrage van artikel 3.3.2.1 verschuldigd zou zijn. Ook in de toelichting is bij nader inzien niet voldoende duidelijk gemaakt dat de uitzondering slechts wordt beoogd voor een bijzondere categorie van gevallen.
Met de inwerkingtreding van de Wet langdurige zorg (Wlz) behoort op herstel gerichte geestelijke gezondheidszorg gedurende de eerste drie jaren tot het domein van de Zorgverzekeringswet (artikel 3.2.2 van de Wlz). Nadat het recht van een verzekerde met een psychische stoornis op verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg op grond van de zorgverzekering is geëindigd wegens het bereiken van de geldende maximumduur voor die zorg, heeft hij recht op voortzetting van deze zorg op grond van de Wlz.
Omdat betrokkene in dat geval reeds drie jaar intramurale zorg heeft ontvangen, zonder daarvoor een inkomensafhankelUke eigen bijdrage verschuldigd te zijn, is er geen aanleiding hem nog eens zes maanden vrij te stellen van het betalen van de hoge eigen bijdrage in de Wlz.
Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling is de formulering van de uitzondering zodanig aangepast dat deze wordt beperkt tot de beoogde gevallen (bedoeld in artikel 3.2.2 van de Wlz). De opmerking van de Afdeling over de niet correcte aansluiting tussen de uitzondering in de onderdelen a en b en het vijfde lid heeft aanleiding gegeven de uitzondering niet langer in het eerste lid op te nemen, maar deze toe te voegen aan de uitzondering die reeds in het vijfde lid was opgenomen. Daarbij is tevens een leemte weggenomen. In het vijfde lid ontbrak abusievelijk een vermelding van de situaties waarin het verblijf op grond van de Wlz binnen zes maanden aansluit op beschermd wonen (waarop de Wmo 2015 van toepassing is). Daarom is toegevoegd dat de in het eerste lid, onder a en b neergelegde uitzondering op de verplichting tot betaling van de hoge eigen bijdrage voor de Wlz ook niet geldt indien voor betrokkene korter dan zes maanden tevoren de hoge bijdrage voor beschermd wonen gold. Daarmee zijn er drie situaties waarin de wachttijd van zes maanden voor de hoge eigen bijdrage niet geldt:
- indien het gaat om verzekerden met een psychische stoornis die — onmiddellijk voorafgaande aan opneming in een Wlz-instelling — drie jaar onafgebroken hebben verbleven in een instelling ten laste van de zorgverzekering,
- indien het verblijf aanvangt binnen zes maanden na eerder verblijf waarvoor de hoge eigen bijdrage Wlz verschuldigd was.
- indien het verblijf aanvangt binnen zes maanden na eerder verblijf waarvoor de hoge eigen bijdrage voor beschermd wonen verschuldigd was.
Ook is (in een toegevoegd artikel 8.18) voorzien in vergelijkbare aanpassingen van artikel 3.12 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Ook de toelichting is aangepast.
2. Toelichting
a. “algemeen gebruikelijke voorzieningen”
De Raad merkt terecht op dat in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en de Wet maatschappelijke ondersteuningen 2015 omschrijvingen bestaan van het begrip “algemeen gebruikelijke voorzieningen”, dat in het Besluit ongedefinieerd is gebleven. Het gaat in alle gevallen om een moeilijk in een definitie te vatten begrip, waarvan de strekking evenwel voldoende duidelijk is. Daarom is ervoor
gekozen dit begrip in het Besluit te handhaven, maar de uitwerking van het begrip over te laten aan het niveau van ministeriële regeling. Daarbij is de toelichting op advies van de Raad evenwel aangevuld in die zin dat is verwezen naar de bestaande omschrijvingen, waarbij aangeknoopt kan worden in de Regeling langdurige zorg.
b. “kleinschallg wooninitiatief”
De Raad merkt op dat de redengeving van artikel 3.1.3 (thans 3.1.4), tweede lid, van het ontwerp besluit, waarin wordt omschreven wanneer sprake is van een kleinschalig wooninitiatief, niet is vermeld. Deze omschrijving is overgenomen uit de Regeling subsidies AWBZ. Het rechtsgevolg is dat deze verzekerden geen recht hebben op vergoeding voor woningaanpassing. Overeenkomstig het advies van de
Raad is daartoe de reden in de toelichting vermeld.
c. “toelichting afbakening Jeugdwet”
De Raad merkt terecht op dat een toelichting bij artikel 3.1.4 (thans 3.1.5), onderdeel c, ontbrak. Dit was een kennelijke omissie die in de toelichting is hersteld. Het betreft hier de afbakening met de Jeugdwet, in het bijzonder voor verzekerden van jonger dan 18 jaar, met een zorgprofiel voor verstandelijke handicap dat onder de AWBZ werd aangeduid met zorgzwaarteprofiel VGO3. Deze groep valt niet onder de Wet langdurige zorg maar onder de Jeugdwet.
d. Sociale venekeringsbank
De Raad merkt op dat de Sociale verzekeringsbank de zorgovereenkomsten waarmee verzekerden zorg inkopen uit het persoonsgebonden budget, goedkeuren. Deze goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de uitvoerbaarheid van het persoonsgebonden budget en van de taken, bedoeld in artikel 3.3.3, zevende lid (voorheen vijfde lid), van de wet. In dat aftikellid is aan de Sociale verzekeringsbank de taak opgedragen het budgetbeheer te voeren dat is verbonden aan het uitvoeren van betalingen ten laste van het persoonsgebonden budget. Zoals de Raad terecht opmerkt, gaat het hier om uitvoerende taken van de Sociale verzekeringsbank, zoals het registreren, adviseren, afdragen van belasting, administreren en toetsen op de door de Wlz uitvoerder gestelde voorwaarden en het faciliteren van verplicht werkgeverschap.
Overeenkomstig het advies van de Raad is artikel 3.6.4 zo aangepast dat wordt verwezen naar het budgetbeheer, wat in de toelichting is verduidelijkt als de genoemde taken van het budgetbeheer.
e. Regeling langdurige zorg
De Raad merkt op dat het niveau van ministeriële regeling op hoofdlijnen toegelicht dient te worden, ook om te kunnen beoordelen of de te regelen materie daar thuis hoort. De toelichting geeft daarvoor een meer inhoudelijke duiding van de Regeling langdurige zorg.
- Zo is verduidelijkt dat de zorgprofielen die zullen worden vastgesteld op grond van artikel 3.1.1, grotendeels zijn afgeleid van de huidige zorgzwaaftepakketten. Jn de Regeling langdurige zorg zullen deze profielen echter niet langer in uren te leveren zorg uitdrukken. Overeenkomstig de Wet langdurige zorg, is uitdrukkelijk de ruimte gegeven aan de professionele zorgaanbieder om, binnen de globale omvang die door de zorgprofielen wordt uitgedrukt, en waarin zij onderling verschillen, de zorg te leveren waarop iemand is aangewezen. Bij artikel 3.5.3, waarin nadere regels mogelijk worden gemaakt voor het modulair pakket thuis, is de toelichting aangevuld, om te verduidelijken dat het hier onder meer gaat om procedurele regels, in gevallen waarin het modulair pakket thuis wordt aangevraagd in combinatie met een persoonsgebonden budget. Gelet op de wettelijke bepaling dat in dergelijke gevallen het gezamenlijke bedrag in beginsel niet hoger mag zijn dan wat normaliter via het persoonsgebonden budget (pgb) zou zijn toegekend, is het noodzakelijk regels te kunnen stellen waarmee de besluitvorming over het modulair pakket thuis (mpt), voor zover dat is betrokken bij een pgb, ook over
dat pgb kan gaan en vice versa.
- Artikel 3.6.2, derde lid (thans tweede lid), biedt een noodzakelijk basis voor het regelen van weigeringsgronden die ook reeds lang in de Regeling subsidies AWBZ staan en nodig blijven op dat niveau. Daarnaast zullen ook van de hoofdeisen afgeleide eisen kunnen worden gesteld voor derden die gewaarborgde hulp bieden aan verzekerden om deze te helpen met het nakomen van de aan een pgb verbonden verplichtingen. De toelichting is op dit punt aangevuld.
- Wat betreft de uitwerking van de regeling van artikel 3.6.7 van het ontwerp besluit kan worden verwezen naar hetgeen hiervoor onder d, reeds naar voren is gebracht. De toelichting is op dit punt aangepast.
f. Voorbereiding
De toelichting is aangevuld met een uitvoeriger toelichting op de voorbereiding van het ontwerp besluit, in het bijzonder omtrent de consultatieversie en de fraudetoets, waarbij uitdrukkelijker is ingegaan op de veranderingen die hierbij zijn aangebracht in het ontwerp besluit.
3. Redactioneel
Voorts zijn na ontvangst van het advies van de Raad het besluit en de toelichting nog aangepast naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer en de invoering van de hervorming van de langdurige zorg per 1 januari 2015.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit, naast redactionele correcties, nog enige wijzigingen ten opzichte van de aan de Afdeling voorgelegde tekst aan te brengen.
Dat betreft in de eerste plaats de opneming van de geïndexeerde bedragen voor bijdragen en inkomens, zoals die recent zijn vastgesteld en in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 reeds waren opgenomen; dat betreft bedragen, genoemd in de artikelen 3.3.2.1, 3.3.2.2, 3.3.2.4, 3.3.3.1 en 3.3.3.2.
Voorts zijn op enige plaatsen nog leemtes weggenomen die verband houden met de overgang van beschermd wonen naar de Wmo 2015; daardoor moest in de tekst beschermd wonen soms expliciet worden toegevoegd, terwijl dat tot nu toe was vervat in formuleringen die verwezen naar de hoge en lage bijdrage voor AWBZ-zorg. hiervoor werd al aangegeven dat zich dat voordoet in artikel 3.3.2.2,
vijfde lid. Ook in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, is in verband hiermee een wziging aangebracht. De vermindering van de vermogensgrondslag in die bepaling geldt alleen voor een echtgenoot die nog niet pensioengerechtigd is en geen verblijf in een instelling op grond van de Wlz geniet, noch een volledig pakket thuis of persoonsgebonden budget ontvangt (en daarom geen hoge of lage eigen bijdrage voor de Wlz verschuldigd is). De wijziging houdt in dat de vermindering voortaan ook geldt indien de niet-pensioengerechtigde echtgenoot niet verblijft in een instelling voor beschermd wonen (en daarom geen bijdrage daarvoor verschuldigd is). In artikel 3.2, eerste lid, onderdeel b, onder 20 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2014 (zie het toegevoegde artikel 8.1,8) is het
spiegelbeeld van deze wijziging doorgevoerd; daar is aan de bestaande bepaling toegevoegd dat de vermindering ook geldt voor een niet-pensioengerechtigde echtgenoot die niet verblijft in een Wlz-instelling, noch een volledig pakket thuis of een persoonsgebonden budget op grond van de Wlz ontvangt (en daarom geen hoge of lage eigen bijdrage als bedoeld in het Blz verschuldigd is).
Ook in artikel 3.3.2.1, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, is thans rekening gehouden met het gegeven dat beschermd wonen, waarvoor volgens gelijke regels als voor verblijf in een Wlz-instelling hoge en lage bijdragen gelden, thans onder de Wmo 2015 valt. Het betreft de situatie dat een cliënt verblijft in een Wlz instelling, terwijl zijn echtgenoot in een instelling voor beschermd wonen verblijft;
zij zijn dan gezamenlijk één keerde (hoge) bijdrage verschuldigd zijn. Deze bijdrage moeten zij naar rato van hun gezamenlijk inkomen voldoen. In het Uitvoeringsbesluit 2015 waren vergelijkbare bepalingen reeds opgenomen in artikel 3.11. Ook de toegevoegde bepaling in het tweede lid, onderdeel e, houdt daarmee verband (vgl. artikel 3.12, tweede lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Ook in artikel 3.3.3.1, vierde en vijfde lid, onderdeel a, zijn in verband met de gewijzigde regeling van beschermd wonen nog enige wijzigingen aangebracht.
Door de hiervoor bedoelde wijzigingen in verband met beschermd wonen is sprake van een zoveel mogelijk parallelle regeling van de eigen bijdragen met de regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om de teksten van beide besluiten op het onderwerp bijdragen in de kosten ook verder zoveel mogelijk gelijkluidend te doen zijn, zijn nog enige wijzigingen in het onderhavige besluit aangebracht.
Zo is aan artikel 3.3.2.4 een vijfde lid toegevoegd, gelijk aan het vijfde lid van artikel 3.3.2.3, dat ten onrechte ontbrak (vgl. artikel 3.13, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Ook zijn enige leden (lid 1, 3 en 4) van artikel 3.3.1.4 (zoals aan de Afdeling voorgelegd) thans opgenomen in een toegevoegd artikel 3.3.2.9 (vgl. artikel 3.19 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).
Tot slot is artikel 3.3.3.4 toegevoegd, dat voorziet in een op de eigen bijdrage van het mpt toegespitste regeling omtrent jaarlijkse herziening van de bijdrage, welke ten onrechte ontbrak (vgl. artikel 3.3.2.8 voor de hoge en lage bijdrage). Ook in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is een dergelijke bepaling voor de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen (anders dan beschermd wonen of opvang) toegevoegd
(artikel 8.1.8 voegt een artikel lOa toe).
Voorts is na ontvangst van het advies van de Raad het besluit en de toelichting nog aangepast naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer en de invoering van de hervorming van de langdurige zorg per 1 januari 2015. Het betreft
- het laten vervallen van oorspronkelijk artikel 2.1.3, vanwege u itvoe rbaarhe ids redenen,
- regeling van meer zorg,
- een meer gebonden delegatie voor individuele mobiliteitshulpmiddelen,
- het opnemen van logeeropvang in artikel 3.1.3,
- het laten vervallen van oorspronkelijk artikel 3.2.6 over technische standaarden gegevensverkeer door het CIZ in verband met hetgeen in artikel 5.1.1 is geregeld,
- de aanvullingen en verbeteringen van de regeling over de eigen bijdrage, zoals hierboven vermeld,
- een stroomlijning van bepalingen over de hoogte van het pgb met het oog op de regeling voor 2015,
- een herschikking van de indeling van hoofdstukken 5, 6 en 7, mede in verband met het opnemen van de zorgplanbespreking als gevolg van de behandeling van de wet in de Tweede Kamer, en
- de aanvullingen en verbeteringen van de aanpassing van andere regelingen, waaronder enkele noodzakelijke aanpassingen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, verband houdende met vervanging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten door de Wlz en van het Bijdragebesluit zorg door het Besluit langdurige zorg.
Andere veranderingen zijn toegelicht in de passage over de fraudetoets en hierboven bij de passage over de eigen bijdrage. Ook zijn, mede in lijn met de redactionete kanttekeningen die de Raad heeft gemaakt, de stukken nogmaals geredigeerd, om onregelmatigheden in de tekst te herstellen en de toelichting beter leesbaar te maken.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Artikel 3.3.2.2, eerste lid, onderdelen a en b.
(2) Artikel 14, eerste lid, Bijdragebesluit zorg.
(3) Zie ook artikel 3.12, eerste lid, onderdelen a en b, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
(4) Dit artikelonderdeel, dat overeenkomt met het geldende artikel 14, tweede lid, Bijdragebesluit zorg, is geformuleerd als een uitzondering op de onderdelen a en b, maar sluit hierop niet meer correct aan gelet op het in die onderdelen toegevoegde verblijf ten laste van de zorgverzekering.
(5) Bijlage 1, artikel 2.1, onder 1, van de Regeling van de Staatssecretaris van VWS van 12 december 2013, kenmerk 178730-114566-DLZ: "Niet bij wet gecreëerde voorzieningen buiten de AWBZ om, die indien voorhanden in redelijkheid een oplossing bieden voor de zorgbehoefte van de verzekerde (boodschappendienst, kinderopvang anders dan bedoeld in de Wet Kinderopvang, alarmering etc.)."
Artikel 1.1.1 Wmo 2015 hanteert de volgende omschrijving: "aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning."
(6) Aldus artikel 3.6.4, derde lid, van het ontwerpbesluit.
(7) Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3, blz. 159.
(8) Om die reden adviseert het CBP in zijn advies van 1 juli 2014 (kenmerk z2014-00301), blz. 5, de desbetreffende ministeriële regelingen ter advisering aan hem aan te bieden.
(9) Een modulair pakket thuis bestaat uit één of meer losse vormen van zorg, zoals persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging, of behandeling .
(10) Verwezen zij naar de artikelen 2.6.10 tot en met 2.6.13 van de bestaande Regeling subsidies AWBZ.
(11) Gewezen zij onder meer op het advies van het CBP van 1 juli 2014 (kenmerk z2014-00301), dat op relevante onderdelen geleid heeft tot aanpassing van het ontwerpbesluit.