Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van titel 9.7 Hernieuwbare energie vervoer van de Wet milieubeheer (Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W14.14.0242/IV
- Datum advies
- 6 augustus 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2014, nr. 37656
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van titel 9.7 Hernieuwbare energie vervoer van de Wet milieubeheer (Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2014, no.2014001387, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van titel 9.7 Hernieuwbare energie vervoer van de Wet milieubeheer (Besluit hernieuwbare energie vervoer 2015), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit geeft nadere regels bij een nieuwe regeling voor de registratie van hernieuwbare energie voor vervoer in de Wet milieubeheer. (zie noot 1) In de registratie wordt bijgehouden hoeveel biobrandstof of hernieuwbare brandstof is geleverd aan het weg- of spoorvervoer. In 2020 moet het uiteindelijk gaan om 10%.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de verruiming van de uitzondering voor kleine leveranciers, het opnemen van percentages hernieuwbare brandstof in de jaren tussen 2015 en 2020, het toelaten van verificateurs die nog niet zijn geaccrediteerd, het gebruik van vage normen en de beperkte wijze waarop enkele wettelijke delegatieopdrachten zijn uitgewerkt. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Uitzondering voor kleine leveranciers
De richtlijn hernieuwbare energie bepaalt dat elke lidstaat erop toeziet dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 minstens 10% bedraagt van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat. (zie noot 2) Nederland heeft deze doelstelling geïmplementeerd door het vereiste van 10% in 2020 op te leggen aan de afzonderlijke "leverancier tot eindverbruik". Daarbij werd in 2011 een uitzondering gemaakt voor de kleine leverancier, omdat dit de administratieve lasten vermindert zonder dat de nationale doelstelling in gevaar komt. De benedengrens werd gelegd bij 50.000 liter brandstof per jaar. (zie noot 3)
In het ontwerpbesluit wordt voorgesteld de benedengrens vast te stellen op 500.000 liter per jaar. (zie noot 4) Deze vertienvoudiging wordt niet toegelicht. Het is niet duidelijk waarop de nieuwe grens is gebaseerd en of deze verhoging gevolgen heeft voor het bereiken van de nationale doelstelling.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
2. De jaarverplichting
Het percentage hernieuwbare brandstof voor vervoer wordt voor 2015 vastgesteld op 6,25. In 2020 geldt het percentage van 10 dat is vastgesteld in de richtlijn hernieuwbare energie. (zie noot 5) Voor de jaren 2016, 2017, 2018 en 2019 moeten de percentages nog worden vastgesteld. (zie noot 6)
In 2011, bij de totstandkoming van het Besluit hernieuwbare energie vervoer - de voorganger van het voorliggende ontwerpbesluit - werd het verplichte aandeel hernieuwbare energie voor elk jaar tot en met 2014 vastgelegd. Daarbij werd aangekondigd dat uiterlijk in 2014 zou worden bezien hoe de vervolgstappen moeten worden vormgegeven om het beoogde einddoel van 10 procent of eventueel hoger in 2020 te realiseren. (zie noot 7)
Het zou de duidelijkheid ten goede komen als alle betrokkenen nu reeds op de hoogte zouden zijn van de vervolgstappen in de jaren tot 2020. De leveranciers kunnen dan hun meerjarenbeleid daarop afstemmen.
De Afdeling adviseert indien mogelijk het ontwerpbesluit aan te vullen of indien dat niet mogelijk is in de toelichting uiteen te zetten waarom, anders dan is aangekondigd in 2011, de percentages voor de tussenliggende jaren niet in het ontwerpbesluit worden opgenomen.
3. Nog niet geaccrediteerde verificateur
Het ontwerpbesluit geeft nadere regels voor drie soorten verificateurs: verifica-teurs voor hernieuwbare brandstof, dubbeltelling en inboeking. Een verificateur moet zijn geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie van een lidstaat van de Europese Unie, of - zo bepaalt het ontwerpbesluit - hij moet aantoonbaar een accreditatieprocedure zijn gestart. (zie noot 8) Volgens de toelichting is accreditatie vaak een langdurig proces; door op deze manier vooruit te lopen op het verkrijgen van de accreditatie is het mogelijk op korte termijn te beschikken over voldoende gekwalificeerde verificateurs. (zie noot 9)
Nu er kennelijk sprake is van een aanloopprobleem, is niet op voorhand duidelijk waarom niet volstaan kan worden met een overgangsregeling. Wanneer in de aanloopfase van het nieuwe stelsel een tekort aan verificateurs dreigt, dan kan eventueel bij wijze van overgangsrecht worden voorzien in een voorlopige accreditatie voor personen die aantonen over voldoende kennis en ervaring te beschikken. Een dergelijke voorlopige accreditatie zou dan voor een beperkte periode moeten gelden en na afloop van die periode van rechtswege moeten vervallen.
Daarmee kunnen bovendien na het verstrijken van zo’n overgangsfase praktische bewijsproblemen worden voorkomen die samenhangen met het feit dat de accreditatie niet alleen kan worden verleend door de Nederlandse Raad voor Accreditatie, maar ook door de accreditatie-instantie van een andere EU-lidstaat.
Wat betreft het voorstel van de regering zelf merkt de Afdeling het volgende op. Met het criterium dat aantoonbaar een accreditatieprocedure moet zijn gestart wordt volgens de toelichting bedoeld dat de verificateur kan aantonen over voldoende kennis en ervaring te beschikken, alsmede dat hij in de laatste fase van de accreditatieprocedure verkeert en bijvoorbeeld alleen nog met goed gevolg de bijwoning van een verificatie door de Raad van Accreditatie moet doorstaan. De Afdeling merkt op dat deze toespitsing niet wordt geregeld in het artikel zelf. Deze toespitsing kan niet gezien worden als slechts uitleg: het is een nadere norm die niet op zijn plaats is in de toelichting en in dit geval beter kan worden opgenomen in het ontwerpbesluit zelf. (zie noot 10) Hiernaast lijkt het de Afdeling gewenst dat bij een dergelijke regeling ook een termijn wordt vastgelegd waarbinnen de accreditatie afgerond moet zijn.
De Afdeling adviseert de regeling met betrekking tot niet geaccrediteerde verificateurs uitsluitend op te nemen in een overgangsregeling.
4. Concrete normen
Het ontwerpbesluit bevat een groot aantal vage aanduidingen, die niettemin de basis moeten vormen voor de verificatie. (zie noot 11) De verschillende soorten verificateurs moeten een "redelijke mate van zekerheid" verkrijgen dat er geen materiële afwijkingen zijn. Daartoe verzamelen zij "toereikende controle-informatie" en zorgen zij voor een "aanvaardbaar laag controlerisico". Deze vage begrippen kunnen zowel voor de verificateurs als voor de gecontroleerden tot problemen aanleiding geven wanneer niet duidelijk is hoe deze kwantitatief getoetst moeten worden. Nu er voorts verschillende soorten verificateurs actief zullen zijn, kunnen er ook verschillen in de wijze van toetsing ontstaan.
De Afdeling adviseert deze termen in ieder geval in de toelichting te verhelderen en zo mogelijk in het ontwerpbesluit concreet te maken.
5. Uitwerking van delegatieopdrachten
a. De nieuwe titel 9.7 ("Hernieuwbare energie vervoer") van de Wet milieubeheer, die thans in behandeling is bij de Eerste Kamer, kent een aantal delegatieopdrachten, die in het ontwerpbesluit worden uitgevoerd. In enkele gevallen is de delegatieopdracht niet of zeer beperkt uitgewerkt.
- Het wetsvoorstel bepaalt dat, als een leverancier tot eindverbruik geen opgave doet van door hem geleverde hoeveelheden brandstof, de emissieautoriteit die hoeveelheid ambtshalve vaststelt. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld. (zie noot 12) In het ontwerpbesluit wordt bepaald dat de emissieautoriteit die hoeveelheid vaststelt op basis van een redelijke inschatting. (zie noot 13) Dat is, zo komt het de Afdeling voor, weinig concreet. Wel blijkt uit de toelichting dat de schatting onder meer gebaseerd zal worden op de accijnsaangifte. (zie noot 14) - Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën biobrandstof worden aangewezen waarvan, onder bij of krachtens die maatregel te stellen voorwaarden, de energie-inhoud wordt vermenigvuldigd met een bij of krachtens die maatregel vastgestelde factor. (zie noot 15) Deze delegatieopdracht wordt in het ontwerpbesluit niet uitgewerkt, maar overgelaten aan het niveau van de ministeriële regeling (blanco doordelegatie). (zie noot 16) - De emissieautoriteit maakt ieder jaar een overzicht openbaar, waarin aard en herkomst van ingeboekte vloeibare biobrandstoffen en het gehanteerde duurzaamheidssysteem zijn opgenomen. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud en de wijze van openbaarmaking van het overzicht. (zie noot 17) Het ontwerpbesluit werkt deze delegatieopdracht niet uit, maar herhaalt alleen dat wat al in de grondslagbepaling staat. (zie noot 18) De Afdeling adviseert op deze punten het ontwerpbesluit materieel aan te vullen. Indien dat niet goed mogelijk is, verdient het aanbeveling bij gelegenheid de grondslagbepaling te herzien.
b. De wet bepaalt dat, als de emissieautoriteit redenen heeft om aan te nemen dat er sprake is van fraude of misbruik, zij een rekening kan blokkeren. Bij algemene maatregel van bestuur worden hierover nadere regels gesteld. (zie noot 19) Het ontwerpbesluit bepaalt slechts dat de emissieautoriteit een rekening blokkeert als zij redenen heeft om aan te nemen dat sprake is van fraude of misbruik. (zie noot 20) Dat is een herhaling van hetgeen in de wet staat, met dit verschil dat een bevoegdheid is veranderd in een verplichting. Voor dat laatste biedt de wet echter niet de ruimte. De nadere regels die in de wet worden verlangd kunnen wel worden gebruikt om de bevoegdheid tot het blokkeren van de rekening nader in te vullen, maar niet om die bevoegdheid zonder meer te wijzigen in een verplichting.
De Afdeling adviseert in het ontwerpbesluit de bij wet toegekende discretionaire bevoegdheid materieel in te vullen.
6. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.14.0242/IV
- De omschrijving van "rekeninghouder" in artikel 1 overbrengen naar artikel 5.4, nu het begrip alleen daar wordt gebruikt.
- Artikel 2.2, eerste lid, als volgt redigeren: "Een ambtshalve inschatting als bedoeld in artikel 9.7.2.4, eerste of tweede lid, van de wet wordt gemaakt op basis van een redelijke inschatting."
- In de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.2, eerste lid, "die wordt ingeboekt in het register voldeed … aan" telkens wijzigen in: "kan alleen worden ingeboekt in het register indien … heeft voldaan aan". Het tweede lid van beide artikelen dienovereenkomstig aanpassen.
- De artikelen 3.2, derde lid, 3.4, "Voor … die wordt ingeboekt … is geen subsidie betaald" wijzigen in: … kan alleen worden ingeboekt indien geen subsidie is betaald…
- Artikel 3.3, eerste lid, overbrengen naar artikel 3.2, zodat alle regels voor de verschillende soorten brandstof in één artikel bij elkaar staan.
- De artikelen 4.1, 4.4 en 4.7, eerste lid, in één artikel combineren (artikel 4.7, tweede lid, nader bezien); daarbij de term "onbevangen" vervangen door "onafhankelijke". Voorts de artikelen 4.3, 4.6 en 4.9 combineren in één artikel.
- De term "dubbeltellingverificateur" zo mogelijk vervangen door een ander term, om de indruk te vermijden dat deze verificateur moet controleren of sprake is van foutieve dubbeltellingen.
- In het tweede lid van de artikelen 4.2, 4.5 en 4.8 de term "materialiteitgrens" wijzigen in het meer gebruikelijke materialiteitsgrens. Voorts de term definiëren en in de toelichting uitleggen hoe deze kwantitatieve maatstaf zich verhoudt tot de kwalitatieve aanduidingen "hernieuwbaar karakter" en "aard van de gebruikte grondstof". Daarnaast in het eerste lid van deze artikelen het woord "verkrijgt" telkens wijzigen in: dient … te verkrijgen.
- In artikel 4.1, onderdeel a, aan het slot invoegen: , bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie.
- Artikel 5.5, tweede lid, na de dubbele punt, als volgt redigeren: 25 procent van het aantal hernieuwbare brandstofeenheden dat hij verschuldigd is over het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan de datum, bedoeld in artikel 9.7.5.6, eerste lid, van de wet.
- Artikel 5.5, derde lid, na de dubbele punt, als volgt redigeren: 10 procent van het aantal hernieuwbare brandstofeenheden dat is uitgegeven voor hernieuwbare energie vervoer die aan hem geleverd is in het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan de datum, bedoeld in artikel 9.7.5.6, eerste lid, van de wet.
- In artikel 6.1, onderdeel b, "duurzaamheidsystemen" wijzigen in: duurzaam-heidssystemen, nu dit de meest gebruikelijke spelling is, die ook gebruikt wordt in artikel 6.3.
- De opsomming in artikel 6.3 nader uitwerken, nu deze strekt tot het uitwer-ken van een verplichte delegatieopdracht en de delegatieopdracht alleen herhaalt (aanwijzing 104a van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
- In artikel 7.1, tweede lid, onderdeel 2, "artikel 3.1" wijzigen in: artikel 3.
- In artikel 8.1 verwijzen naar artikel 17 van de richtlijn hernieuwbare energie (aanwijzing 336 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Het artikel invoegen direct na artikel 3.2, nu het alleen betrekking heeft op de artikelen 3.1 en 3.2.
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 november 2014
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met haar advies rekening zal zijn gehouden.
1. Gebleken is dat het mogelijk is om de grens voor de vrijstelling te verhogen tot 500.000 liter per jaar zonder dat dit significante gevolgen heeft voor het behalen van de nationale doelstelling. Door deze verhoging wordt het aantal bedrijven dat een jaarverplichting heeft met 42 procent verminderd, terwijl die bedrijven gezamenlijk 0,04 procent van de totale hoeveelheid in Nederland tot eindgebruik geleverde benzine, diesel, vloeibare biobrandstof en vloeibare hernieuwbare biobrandstof leveren.
De nota van toelichting is op dit punt aangevuld.
2. Het advies van de Afdeling advisering is gevolgd en de percentages voor de jaren 2016 tot en met 2019 zijn in het ontwerpbesluit opgenomen.
Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn op dit punt gewijzigd.
3. De mogelijkheid om verificaties te laten doen door verificateurs die aantoonbaar zijn gestart met de accreditatieprocedure is een gevolg van diezelfde accreditatieprocedure. Een verificateur die geaccrediteerd wil worden, moet een aantal verificaties uitvoeren onder toezicht van de Raad voor Accreditatie. Als verificaties slechts zouden kunnen worden gedaan door geaccrediteerde verificateurs, zou het niet mogelijk zijn voor nieuwe verificateurs om geaccrediteerd te worden. Het betreft dus niet slechts een regeling voor een overgangsfase maar een voorwaarde voor het toegankelijk houden van de markt voor verificaties hernieuwbare energie vervoer voor nieuw toetredende verificateurs.
Het advies van de Afdeling advisering is om bovengenoemde redenen niet gevolgd. Wel is de nota van toelichting op dit punt aangevuld.
4. De begrippen “mate van zekerheid” en “materialiteit” zijn voor verificateurs bekende begrippen, terwijl de bijlagen bij het ontwerpbesluit (bijlage 4 inzake hernieuwbare brandstof, bepalen of van toepassing bijlage 5 inzake de verificatie van dubbeltelling en bijlage 6 inzake de inboekverificatie) aanvullende duidelijkheid verschaffen. Niettemin is ter verduidelijking artikel 1 van het ontwerpbesluit aangevuld met de omschrijving van de begrippen “materiële onjuistheid” en “materialiteitsgrens”.
5 a. - Aan artikel 2.2 van het ontwerpbesluit is toegevoegd dat het bestuur van de emissieautoriteit zich in ieder geval baseert op het volume van de zogenoemde accijnsaangifte, bedoeld in artikel 53 van de Wet op de accijns. Het bestuur kan zich ook op andere bij hem bekende gegevens baseren.
- In artikel 3.5 is toegevoegd dat de energie-inhoud van vloeibare biobrandstoffen die zijn geproduceerd uit afval, residuen, non-food cellulosemateriaal en lignocellulosisch materiaal meer dan een keer kan meetellen voor het bepalen van het aantal bij te schrijven hernieuwbare brandstofeenheden. Deze opsomming volgt uit artikel 21, tweede lid, van de richtlijn hernieuwbare energie (richtlijn 2009/28/EG).
- In artikel 6.3 van het ontwerpbesluit was reeds, ter invulling van de opdracht van artikel 9.7.4.14 van de Wet milieubeheer, bepaald dat het overzicht op elektronische wijze openbaar wordt gemaakt, de periode waarop het overzicht betrekking heeft en dat het overzicht bestaat uit drie afzonderlijke overzichten. Deze drie aspecten zijn niet vastgelegd in artikel 9.7.4.14 van de Wet milieubeheer en de delegatieopdracht was dus reeds materieel uitgewerkt in het ontwerpbesluit. De redactie van artikel 6.3 is aangepast om dit duidelijker tot uitdrukking te brengen.
Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn op de bovenstaande punten gewijzigd.
5b. In artikel 5.3 van het ontwerpbesluit is een meer materiële invulling gegeven aan de delegatieopdracht van artikel 9.7.5.4, derde lid, van de Wet milieubeheer.
Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn op dit punt gewijzigd.
6. De redactionele kanttekeningen van de Afdeling zijn overgenomen met uitzondering van de opmerkingen met betrekking tot:
- het begrip “rekeninghouder”: dat begrip wordt ook gebezigd in de Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015, door het in artikel 1 van het ontwerpbesluit te laten staan, hoeft het in de regeling niet opnieuw gedefinieerd te worden;
- de formulering van de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.2, eerste lid: de in het ontwerpbesluit gekozen formulering doet meer recht aan de delegatieopdracht van artikel 9.7.4.3 van de Wet milieubeheer;
- de formulering van de artikelen 3.2, derde lid, en 3.4: de in het ontwerpbesluit gekozen formulering doet meer recht aan de delegatieopdracht van artikel 9.7.4.3 van de Wet milieubeheer;
- het overbrengen van artikel 3.3, eerste lid, naar artikel 3.2: artikel 3.3 stelt, op grond van artikel 9.7.4.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer regels omtrent de inboeker van gasvormige biobrandstof of elektriciteit. Artikel 3.2 stelt op grond van artikel 9.7.4.3 van de Wet milieubeheer regels omtrent de in te boeken gasvormige biobrandstof. Het heeft de voorkeur om de regels omtrent inboekers bij elkaar te houden, ook al betekent dat het voorkomen van gasvormige biobrandstof in twee artikelen;
- het combineren van de artikelen 4.1, 4.4 en 4.7: omwille van de inzichtelijkheid van de regelgeving is gekozen voor aparte artikelen voor de verschillende verificateurs;
- het vervangen van de term “onbevangen” in artikel 4.1, 4.4 en 4.7 door “onafhankelijk”: deze twee termen hebben duidelijk verschillende betekenissen, in het artikel is bewust gekozen voor “onbevangen”;
- het vervangen van de term “dubbeltellingsverificateur”: deze term is in biobrandstofsector ingeburgerd en bovendien lijkt de kans op verwarring niet groot;
- het in artikel 4.1, onderdeel a, invoegen van een verwijzing naar de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie: omdat de Raad voor Accreditatie voorkomt in drie artikelen van het ontwerpbesluit is gekozen voor het opnemen van een definitie waarin verwezen wordt naar de genoemde wet;
- in de artikelen 4.2, eerste lid, 4.5, eerste lid, en 4.8, eerste lid, de term “wijzigt” vervangen door “dient ... te verkrijgen”: het opvolgen van deze suggestie levert strijd op met aanwijzing 53 van de Aanwijzingen voor de regelgeving;
- het invoegen van artikel 8.1 direct na de artikelen 3.1 en 3.2: het is gebruikelijk om bepalingen als deze aan het slot van een besluit op te nemen en deze bepaling heeft ook betekenis voor de Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015. Om het vinden van deze bepaling nu en in de toekomst te vergemakkelijken is de plaatsing aan het slot van het ontwerpbesluit gehandhaafd.
7. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om:
a. artikel 3.3 van het ontwerpbesluit dat bepaalt welke onderneming een hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare bron of gasvormige biobrandstof mag inboeken te koppelen aan de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk de Gaswet;
b. in artikel 3.4 een aanvullende eis op te nemen voor hernieuwbare brandstof omdat voor die brandstof geen duurzaamheidssystemen bestaan die de keten vanaf de producent tot de eindgebruiker kunnen controleren;
c. in artikel 4.2 duidelijker te formuleren aan welke eisen de verificatie van hernieuwbare brandstof moet voldoen;
d. in artikel 4.8 duidelijker te formuleren aan welke eisen de inboekverificatie moet voldoen;
e. in artikel 8.4 van het ontwerpbesluit te voorzien in de inwerkingtreding van de wet van 26 september 2014 tot wijziging van de Wet milieubeheer (jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer, hernieuwbare brandstofeenheden en elektronisch register hernieuwbare energie vervoer).
In het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn ten slotte enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
(1) De wijziging van de Wet milieubeheer is thans aanhangig bij de Eerste Kamer, Kamerstukken I 2013/14, 33 834, A.
(2) Artikel 3, vierde lid, van richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEG 2009, L 140).
(3) Kamerstukken II 2013/14, 33 834, nr. 3, blz. 12; artikel 1a van het Besluit hernieuwbare energie vervoer en artikel 1a van de Regeling hernieuwbare energie vervoer.
(4) Voorgesteld artikel 1.2.
(5) Voorgesteld artikel 2.1.
(6) Toelichting, § 2 (Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer).
(7) Staatsblad 2011, 197, blz. 7.
(8) Onderdeel c van de artikelen 4.1, 4.4 en 4.7.
(9) Toelichting, § 4.1 (Verificateur hernieuwbare brandstof ); toelichting op artikel 4.1; toelichting op artikel 4.4; toelichting op artikel 4.7.
(10) Zie ook aanwijzing 214 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(11) Artikelen 4.2, eerste lid, 4.5, eerste lid, en 4.8, eerste lid.
(12) Artikel 9.7.2.4, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer (Kamerstukken I 2013/14, 33 834, A).
(13) Voorgesteld artikel 2.2, eerste lid.
(14) Toelichting op artikel 2.2, eerste lid.
(15) Artikel 9.7.4.8, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Kamerstukken I 2013/14, 33 834, A).
(16) Voorgesteld artikel 3.5.
(17) Artikel 9.7.4.14, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer (Kamerstukken I 2013/14, 33 834, A).
(18) Voorgesteld artikel 6.3.
(19) Artikel 9.7.5.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer (Kamerstukken I 2013/14, 33 834, A).
(20) Voorgesteld artikel 5.3.