Ontwerpbesluit houdende een besluit van tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg in verband met de professionalisering van de jeugdzorg, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W13.14.0160/III
- Datum advies
- 17 juli 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2015, nr. 4092
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende een besluit van tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg in verband met de professionalisering van de jeugdzorg, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 27 mei 2014, no.2014001024, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende een besluit van tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg in verband met de professionalisering van de jeugdzorg, met nota van toelichting.
Met het ontwerpbesluit wordt uitvoering gegeven aan het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg ten behoeve van de professionalisering van die sector.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de rechtsbescherming, de registratie-eisen en Europese aspecten. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Inleiding
De voorgestelde wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg geeft een nadere invulling aan de kwaliteitseisen, zoals die op dit moment gelden voor de medewerkers van het bureau jeugdzorg (BJZ) en de zorgaanbieder. Werkzaamheden mogen in beginsel alleen worden toebedeeld aan jeugdzorgwerkers die zijn ingeschreven in het kwaliteitsregister jeugd. Uitgezonderd zijn de situaties dat de jeugdzorgorganisatie aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de zorgverlening niet nadelig wordt beïnvloed dan wel dat het noodzakelijk is dat werk aan anderen toe te delen. (zie noot 1) Dit wordt aangeduid met "de norm van de verantwoorde werktoedeling". Met het ontwerpbesluit wordt uitvoering gegeven aan de geldende artikelen 13, 25 en 28 van de Wet op de jeugdzorg.
Het kwaliteitsregister wordt beheerd door een stichting, de zogenoemde registerstichting. Het ontwerpbesluit stelt een aantal voorwaarden aan deze stichting en voorts aan de registratie. Het register behoeft erkenning door de betrokken ministers. De voorwaarden voor erkenning zijn niet uitputtend geregeld. De nadere invulling van de voorwaarden wordt overgelaten aan de bij de oprichting en inrichting van de registerstichting betrokken partijen. (zie noot 2) Dit betekent dat, zoals de toelichting ook stelt, bij de opzet van het kwaliteitsregister jeugd gekozen is voor een privaatrechtelijke vormgeving. De overheid heeft daar, anders dan door het stellen van noodzakelijke randvoorwaarden geen bemoeienis mee, aldus de toelichting. (zie noot 3)
2. Rechtsbescherming
De toelichting stelt dat registratie zorgvuldig moet plaatsvinden. (zie noot 4) Dit zal onder meer worden bereikt door advies in te winnen bij de registratiecommissie van de beroepsverenigingen. Daarnaast zal een zorgvuldige procedure meebrengen dat bij afwijzing een mogelijkheid tot heroverweging kan plaatsvinden.
Uit de toelichting blijkt niet of de stichting moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan en welke rechtsbescherming de beroepsbeoefenaar geniet wanneer de stichting na heroverweging de weigering tot registratie in stand houdt.
De Afdeling adviseert naar aanleiding van het voorgaande de toelichting aan te vullen.
3. Registratie-eisen
Uit het voorgestelde artikel 68h blijkt dat als enig wettelijk vereiste voor registratie geldt een afgeronde HBO-opleiding gericht op het vervullen van een beroep in de jeugdzorg. Het staat de stichting vrij andere eisen aan de registratie te verbinden. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bepaalde eisen van praktijkervaring. Indien de betrokken ministers de door de stichting aan de registratie te verbinden eisen niet wenselijk achten, rijst de vraag op welke wijze zij kunnen bewerkstelligen dat die eisen niet worden gesteld. Intrekking van de erkenning van het kwaliteitsregister jeugd is in dit verband een ver strekkende maatregel, als er al een passende grond zou zijn om in verband met de onwenselijkheid van bepaalde registratie-eisen de erkenning te kunnen intrekken. Gelet op het vorenstaande komt het de Afdeling wenselijk voor te voorzien in een goedkeuring van de te stellen registratie-eisen of in een mogelijkheid voor de betrokken ministers om de eisen aan te passen.
De Afdeling geeft in overweging hierin te voorzien.
4. Europese aspecten
De paragrafen 9.1 tot en met 9.3 van de toelichting gaan kort in op een aantal Europese aspecten. Paragraaf 9.2 betoogt dat het register mogelijk een beperking van de vrijheid van dienstverrichting betekent, maar dat deze gerechtvaardigd en proportioneel is. Paragraaf 9.3 gaat in op de mededingingsaspecten en betoogt dat de activiteiten van de stichting puur sociaal van aard zijn en de stichting geen winstoogmerk heeft, en dat daardoor sprake is van een niet-economische dienst van algemeen belang, waarop de mededingingsregels niet van toepassing zijn.
De Afdeling merkt op dat bij de nadere bepaling van de voorwaarden voor registratie door de stichting ervoor dient te worden gewaakt dat deze voorwaarden niet leiden tot onnodige belemmeringen voor toetreders uit andere lidstaten (vrijheid van dienstverrichting (zie noot 5)) of leiden tot beperking van de mededinging. (zie noot 6) Hierbij kan onder omstandigheden een rol spelen dat de leden van het bestuur van de stichting worden benoemd op voordracht van (Nederlandse) beroepsverenigingen van beroepsbeoefenaren.
In de toelichting wordt niet ingegaan op de vraag hoe in de praktijk zal worden gewaarborgd dat de voorwaarden voor registratie die door de stichting zullen worden gesteld, voldoen aan de relevante Europeesrechtelijke randvoorwaarden. Voorts merkt de Afdeling op dat het enkele feit dat de stichting geen winstoogmerk heeft nog niet betekent dat geen sprake is van een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, maar van een (niet-economische) dienst van algemeen belang.
Gelet op het vorenstaande adviseert de Afdeling paragraaf 9 van de toelichting aan te vullen.
5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.14.0160/III
- Artikel I, onderdeel F, verplaatsen voor onderdeel E.
- In artikel 24 rekening houden met het Besluit burgerservicenummer in de jeugdzorg (Stb. 2014, 206).
- Artikel II van een toelichting voorzien.
- In het kader van de Europese aspecten in paragraaf 9 van de toelichting bij de verwijzing naar Richtlijn 2005/36/EG rekening houden met richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (de IMI-verordening).
Nader rapport (reactie op het advies) van 9 september 2014
2. Rechtsbescherming
In de nota van toelichting is in paragraaf 3.3 een alinea opgenomen over het karakter van de beslissingen tot inschrijving en de rechtsbescherming.
3.Registratie-eisen
Het ontwerpbesluit zorgt ervoor dat bij de registratie bepaalde minimumeisen in acht worden genomen en draagt voorts zorg voor de infrastructuur van de registratie. Er is bewust gekozen met inachtneming daarvan de invulling van de registratie-eisen te laten aan de veldpartijen omdat het uitgangspunt bij de Wet op de jeugdzorg is dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit primair ligt bij de veldpartijen. De bemoeienis van de overheid is tot een minimum beperkt. Er moet voorts in ogenschouw worden genomen dat bij het van start gaan van het kwaliteitsregister jeugd de registerstichting de registratievoorwaarden overneemt van de betrokken beroepsverenigingen. Tot slot is van belang dat de registerstichting bij iedere wijziging van de registratie-eisen zowel de raad van advies als de beroepsverenigingen moet betrekken.
De regering ziet thans derhalve geen aanleiding de overweging van de Afdeling te volgen.
4. Europese aspecten
Paragraaf 9 van de nota van toelichting is aangevuld.
5. Redactionele bijlage
Aan de redactionele kanttekeningen is aandacht geschonken. Daarbij is de gelegenheid aangegrepen nog enkele aanvullende redactionele wijzigingen aan te brengen.
Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele noodzakelijke wijzigingen in de artikelen door te voeren. Ter uitvoering van de motie van der Burg (zie noot 7) is in artikel T, onderdeel 5, het voorgestelde artikel 681 gewijzigd alsmede de toelichting op dat artikel. Artikel 681 is iets minder stringent geformuleerd, waardoor niet alle maatregelen die kunnen worden opgelegd openbaar gemaakt hoeven te worden. De regeling sluit thans op dit punt aan bij de Wet BIG.
Ik moge U in overeenstemming met de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hierbij, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Met jeugdzorgorganisatie wordt gedoeld op de BJZ’s, de zorgaanbieders (provinciaal gefinancierde zorgaanbieders en aanbieders van gesloten jeugdzorg), de justitiële jeugdinrichtingen, de bureaus Halt, de raad voor de kinderbescherming en Stichting Nidos.
(2) Toelichting, paragraaf 3.4.
(3) Toelichting, paragraaf 3.2.
(4) Toelichting bij artikel 68i.
(5) Zie in verband met mogelijke toepassing van de Dienstenrichtlijn ook arrest HvJEU 11 juli 2013, C-57/12, Femarbel.
(6) Zie in dit verband ook het arrest in Zaak C-309/99, Wouters, Jurispr. 2002 blz. I-1577 en arrest HvJEU 28 februari 2013, C-1/12, ECLI:NL:XX:2013:BZ3827, NJ 2013/284 (OTOC).
(7) Kamerstukken 11 2011/12, 31 839, nr. 208.