Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 ter implementatie van de Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens en tot intrekking van de Richtlijn 2002/6/EG (PbEU 2010, L 283).
- Kenmerk
- W03.13.0379/II
- Datum advies
- 28 november 2013
- Vindplaats
- Staatscourant 2014, nr. 2999
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 ter implementatie van de Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens en tot intrekking van de Richtlijn 2002/6/EG (PbEU 2010, L 283).
Bij Kabinetsmissive van 21 oktober 2013, no.13.002182, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 ter implementatie van de Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens en tot intrekking van de Richtlijn 2002/6/EG (PbEU 2010, L 283), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe de meldingsformaliteiten voor binnenkomende en vertrekkende schepen in de vorm van papieren passagiers- en bemanningslijsten te wijzigen in een elektronische uitwisseling teneinde daarmee uitvoering te geven aan richtlijn 2010/65/EU. De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarbij de volgende kanttekening over de verwerking van persoonsgegevens.
De toelichting vermeldt over de bescherming van persoonsgegevens dat krachtens artikel 8 van Richtlijn 2010/65/EU de lidstaten erop toezien dat wordt voldaan aan hetgeen in Unieverband op dat punt is afgesproken over het beschermingsniveau: de privacyrichtlijn. (zie noot 1) Deze richtlijn is in Nederland omgezet in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de daarop gebaseerde regels. Ter zake van het ontwerpbesluit is echter niet de Wbp, maar de Wet politiegegevens (Wpg) van toepassing. Dat berust op het gegeven dat de ambtenaren grensbewaking in dit geval bestaan uit ambtenaren van de marechaussee (vallend onder de minister van Defensie) dan wel van de Zeehavenpolitie Rotterdam (vallend onder de minister van Veiligheid & Justitie).
De toepasselijkheid van de Wpg betekent niet zonder meer dat aan het beschermingsniveau van de privacyrichtlijn is voldaan. De Wpg geeft immers geen uitvoering aan deze richtlijn, (zie noot 2) maar strekt ter uitvoering van het Kaderbesluit dataprotectie. (zie noot 3) Tegen die achtergrond is van belang dat de Wpg op bepaalde punten afwijkt van de Wbp en met name ten opzichte van die wet een specifiek en ruim verstrekkingsregime kent. (zie noot 4) Het laatste heeft tot gevolg dat passagiers- en bemanningsgegevens betreffende onder meer personalia, nationaliteit, herkomst, bestemming, doel en duur van het verblijf langs elektronische weg ruime verspreiding kunnen krijgen onder een groot aantal personen en instanties. De toelichting gaat niet in op deze gevolgen en wat deze kunnen betekenen voor het onderhavige besluit. Zij volstaat met de constatering dat de Wpg van toepassing is, maar meldt niet op welke wijze de bescherming van persoonsgegevens inhoudelijk is gewaarborgd en of deze in het licht van de toepasselijkheid van de Wpg voldoet aan de vereisten van de privacyrichtlijn.
De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 januari 2014
De Afdeling adviseert in de toelichting aan te geven op welke wijze de bescherming van persoonsgegevens inhoudelijk is gewaarborgd en of deze in het licht van de toepasselijkheid van de Wet politiegegevens voldoet aan de vereisten van de Privacyrichtlijn.
Aan het advies van de Afdeling is gevolg gegeven. Naar aanleiding van het advies is artikel 4.11 gewijzigd en is de nota van toelichting aangevuld.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(1) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, Pb. 1995, L 281.
(2) Richtlijn 95/46/EG is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens die met het oog op de uitoefening van niet binnen de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht vallende activiteiten geschiedt. Onder deze uitzondering vallen ook politiegegevens. Zie artikel 3, tweede lid, Richtlijn 95/46/EG.
(3) Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PbEU L 350/60). Zie Kamerstukken II, 2010/11, 32 554 nr. 3 (Memorie van Toelichting op de wijziging van de Wet politiegegevens, onder I).
(4) Op grond van artikel 2, tweede lid, Wbp is deze wet niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de artikelen 2, en 6, eerste lid, van de Politiewet 1993. Op die persoonsgegevens is de Wpg van toepassing.