Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Handelsregisterbesluit 2008 in verband met de Wet versterking bestuur pensioenfondsen en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W12.13.0429/III
- Datum advies
- 13 december 2013
- Vindplaats
- Staatscourant
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Handelsregisterbesluit 2008 in verband met de Wet versterking bestuur pensioenfondsen en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 28 november 2013, no.2013002459, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Handelsregisterbesluit 2008 in verband met de Wet versterking bestuur pensioenfondsen en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit geeft op onderdelen nadere regels ter uitvoering van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. In het ontwerpbesluit wordt de positie van de raad van toezicht van een pensioenfonds versterkt. Zo wordt in het voorgestelde artikel 28c, eerste lid, aan de raad van toezicht de bevoegdheid toegekend om bestuurders van het fonds te schorsen of te ontslaan wegens disfunctioneren. Het voorgestelde artikel 28c, derde lid, bepaalt dat de raad van toezicht de benoeming van een kandidaat bestuurder kan beletten indien deze niet voldoet aan de profielschets.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over het voorgestelde artikel 28c van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: het besluit). Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
In de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt niet bepaald welk orgaan de bevoegdheid toekomt om te besluiten over de benoeming en het ontslag van bestuurders. Artikel 111 van de Pensioenwet en artikel 113 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepalen slechts dat in de statuten van een pensioenfonds of beroepspensioenfonds bepalingen worden opgenomen over de wijze waarop bestuurders worden benoemd en ontslagen. Voorts wordt in artikel 100 van de Pensioenwet , dat de samenstelling van het paritair bestuur regelt, in het zevende lid, bepaald dat het bestuur van een pensioenfonds een kandidaat bestuurder kan afwijzen indien deze niet aan de profielschets voldoet. (zie noot 1)
Artikel 103 van de Pensioenwet bepaalt dat het intern toezicht bij een bedrijfstakpensioenfonds met een paritair of onafhankelijk bestuur wordt uitgeoefend door een raad van toezicht. Het interne toezicht bij een ondernemingspensioenfonds met een paritair of onafhankelijk bestuur wordt uitgeoefend door een raad van toezicht of jaarlijkse visitatie door een visitatiecommissie. Artikel 110a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalt dat het interne toezicht bij een beroepspensioenfonds wordt uitgeoefend door een raad van toezicht, door jaarlijkse visitatie of door de niet uitvoerende bestuurders indien de bestuurstaken worden verdeeld over uitvoerende en niet uitvoerende bestuurders.
In de artikelen 104 van de Pensioenwet en 110a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (zie noot 2) zijn de samenstelling en de taken van de raad van toezicht en de visitatiecommissie geregeld. Het derde lid, onderdeel b, van beide artikelen bepaalt dat de profielschets voor bestuurders aan de goedkeuring van de raad van toezicht is onderworpen. Het vijfde lid bepaalt dat de raad van toezicht disfunctioneren van het bestuur meldt aan het verantwoordingsorgaan, het belanghebbendenorgaan en aan de partij die bevoegd is tot benoeming van het bestuur. Indien de partij die bevoegd is tot benoeming van het bestuur naar aanleiding van de melding niet binnen een redelijke termijn naar tevredenheid van de raad van toezicht handelt, meldt de raad van toezicht het disfunctioneren van het bestuur aan de Nederlandsche Bank. Het tiende lid van beide artikelen bepaalt ten slotte dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels inzake dit artikel kunnen worden gesteld.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat er welbewust voor is gekozen om de nadere uitwerking van de procedure voor benoeming en ontslag van de leden van het bestuur niet in de wet te regelen door bijvoorbeeld de bevoegdheid toe te kennen aan de raad van toezicht, maar deze open te laten. (zie noot 3) In de memorie van antwoord op het voorlopig verslag van de Eerste Kamer werd opgemerkt dat er bewust voor is gekozen ‘de nadere uitwerking van een aantal onderwerpen over te laten aan de partijen in het veld om ruimte te bieden voor maatwerk per fonds. Dit geldt ook voor de nadere uitwerking van de procedure voor benoeming en ontslag van de leden van het bestuur. Deze nadere uitwerking zal een plaats krijgen in de nieuwe code voor goed pensioenfondsbestuur, die op dit moment wordt ontwikkeld door de Pensioenfederatie en de Stichting van de Arbeid.’ (zie noot 4)
Op 6 september 2013 hebben de Pensioenfederatie en de Stichting van de Arbeid samen de Code Pensioenfondsen (hierna: de code) vastgesteld. In Bijlage 2 bij de code wordt de procedure voor benoeming en ontslag van bestuurders uitgewerkt. Zo wordt bepaald dat bij een paritair model bestuurders worden benoemd door het bestuur op voordracht of na verkiezing vanuit de geleding van de werkgever(s), werknemers en pensioengerechtigden en na het horen van de raad van toezicht. Aan het bestuur kunnen onafhankelijke leden worden toegevoegd die worden benoemd op voorstel van het bestuur en na het horen van de raad van toezicht. Bestuurders worden ontslagen door het bestuur na het horen van de raad van toezicht.
In een onafhankelijk model worden bestuurders benoemd door het belanghebbendenorgaan op voorstel van het bestuur en na het horen van de raad van toezicht. Bestuurders worden ontslagen door het belanghebbendenorgaan, na horen van betreffende bestuurslid en de raad van toezicht. Bij een besluit tot ontslag van het gehele bestuur dient het belanghebbendenorgaan de overwegingen van de raad van toezicht bij de melding van het disfunctioneren te betrekken.
Aan de code wordt in het voorgestelde artikel 11 van het besluit, in verbinding met artikel 33, tweede lid van de Pensioenwet en artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, een formele status toegekend. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 11c wordt de code aangewezen als principe voor goed pensioenfondsbestuur en op grond van het tweede lid dient een pensioenfonds in het jaarverslag mededeling te doen over de naleving van de code.
Met het voorgestelde artikel 28c, eerste lid, van het besluit wordt vooraleerst afgeweken van het uitgangspunt in de wet dat niet wordt bepaald welk orgaan bevoegd is tot ontslag. Met het voorgestelde artikel 28c, derde lid, van het besluit wordt vervolgens afgeweken van het uitgangspunt in de wet dat de raad van toezicht weliswaar door de goedkeuring van de profielschets wordt betrokken bij de benoeming van een bestuurder maar daarover geen beslissingsbevoegdheid heeft. Ten slotte wordt afgeweken van hetgeen in de code over benoeming en ontslag van bestuurders, en de rol van de raad van toezicht en het belanghebbendenorgaan daarbij, is geregeld. (zie noot 5)
Met het toekennen aan de raad van toezicht van de bevoegdheden om bestuurders van het fonds te schorsen of te ontslaan wegens disfunctioneren, en om de benoeming van een kandidaat bestuurder te beletten, wordt de positie van de raad van toezicht aanmerkelijk versterkt. Daarbij wordt voorbijgegaan aan de rol van het belanghebbendenorgaan in een onafhankelijk model. In de nota van toelichting wordt het voorgaande niet gemotiveerd.
Op zichzelf heeft de Afdeling begrip voor de voorgestelde versterking van de positie van de raad van toezicht. Naar het oordeel van de Afdeling rijst echter de vraag hoe het voorgestelde artikel 28c van het besluit aansluit bij het kader van artikel 104 van de Pensioenwet. Evenmin is duidelijk in hoeverre de voorgestelde bepaling kan worden gebaseerd op de delegatiegrondslag van het tiende lid.
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de voorgestelde wijziging in de verhouding tussen het bestuur, het belanghebbendenorgaan en de raad van toezicht in het licht van het wettelijk kader en de code. Voorts adviseert zij in de toelichting dragend te motiveren dat het voorgestelde artikel 28c kan worden gebaseerd op het tiende lid van artikel 104 van de Pensioenwet en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 december 2013
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State om in de toelichting in te gaan op de voorgestelde wijziging in de verhouding tussen het bestuur, het belanghebbendenorgaan en de raad van toezicht is de toelichting aangepast.
In reactie op de opmerking van de Afdeling advisering van de Raad van State over het tiende lid van het nieuwe artikel 104 van de Pensioenwet als grondslag, zij vermeld dat het kabinet het genoemde artikellid uit de Pensioenwet een voldoende wettelijke basis acht voor artikel 28c uit het ontwerpbesluit. Artikel 104 van de Pensioenwet heeft betrekking op de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht. Dit geldt ook voor artikel 28c. Om discussie te voorkomen zal echter bij eerste gelegenheid de wettelijke grondslag in artikel 104 van de Pensioenwet verduidelijkt worden. Het vergelijkbare artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zal ook worden aangepast.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Een gelijkluidende bepaling voor het onafhankelijk bestuur is opgenomen in artikel 101, tweede lid, van de Pensioenwet.
(2) Hierna zal enkel artikel 104 van de Pensioenwet worden genoemd, het navolgende geldt echter mutatis mutandis voor artikel 110a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
(3) Kamerstukken II 2012/13, 33 182, nr. 4.
(4) Kamerstukken II 2012/13, 33 182, D, blz. 7.
(5) Daarbij wijst de Afdeling er overigens op dat een complicatie kan ontstaan indien in de statuten is bepaald dat bestuursleden worden benoemd door het bestuur en de raad van toezicht besluit tot collectief ontslag van datzelfde bestuur. Niet duidelijk is welk orgaan dan bevoegd is tot benoeming van bestuursleden.