Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit maatschappelijke ondersteuning in verband met wijzigingen ten aanzien van de uitkeringen aan gemeenten en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W13.13.0047/III
- Datum advies
- 28 maart 2013
- Vindplaats
- Staatscourant 2015, nr. 4916
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit maatschappelijke ondersteuning in verband met wijzigingen ten aanzien van de uitkeringen aan gemeenten en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 5 maart 2013, no.13.000399, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit maatschappelijke ondersteuning in verband met wijzigingen ten aanzien van de uitkeringen aan gemeenten en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit ziet in de eerste plaats op de vermindering en beëindiging van specifieke uitkeringen die ingevolge het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden verstrekt. De desbetreffende bepalingen hebben terugwerkende kracht. De desbetreffende uitkeringen zijn inmiddels opgegaan in de zogenaamde decentralisatie-uitkeringen. Voorts worden bepalingen over het verstrekken van zogenaamde stimuleringsuitkeringen geschrapt. Tenslotte wordt voor die gevallen dat een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning bestaat uit het verschaffen in eigendom van een roerende zaak dan wel uit een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die in eigendom is van de aanvrager, de thans geldende beperking van de periode gedurende welke een eigen bijdrage kan worden gevraagd, afgeschaft. In plaats daarvan komt te gelden dat de maximaal verschuldigde eigen bijdrage niet hoger is dan de kostprijs van de maatschappelijke ondersteuning.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over het ontbreken van overgangsrecht bij de afschaffing van de beperking van de duur van de eigenbijdrageregeling, het tijdstip van wijziging van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen en het ontbreken van het advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Zij is van oordeel dat in verband daarmee (enige) aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Overgangsrecht bij beperking duur eigen bijdrageregeling
Het ontwerpbesluit bepaalt dat de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van de maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, niet hoger is dan de kostprijs van de maatschappelijke ondersteuning.(zie noot 1) Dit voorschrift vervangt een voorschrift dat bepaalt dat, indien de voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van een roerende zaak dan wel een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die in eigendom is van de aanvrager, gedurende maximaal negenendertig perioden van vier weken(zie noot 2) een eigen bijdrage in rekening kan worden gebracht. Er is, aldus de toelichting, met het oog op een gelijke behandeling van cliënten voor gekozen de gewijzigde regeling ook te doen gelden voor personen die ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging in het genot waren en nog in genot zijn van een voorziening waarvoor de eigen bijdrage wordt geheven. Het besluit heeft in dit opzicht onmiddellijke werking.
De Afdeling merkt in de eerste plaats op dat de toelichting niet ingaat op de vraag hoeveel personen mogelijk door de nieuwe maatregel worden geraakt en hoe hoog de bedragen kunnen zijn die aan burgers nu mogelijk (extra) als eigen bijdrage in rekening worden gebracht. De toelichting geeft enkel aan dat het om kostbare voorzieningen kan gaan.
De Afdeling wijst er vervolgens op dat er geen overgangsregeling is getroffen. Daardoor kunnen de gevolgen van het ontwerpbesluit zich ook uitstrekken tot degenen aan wie op het moment van inwerkingtreding van het besluit reeds een voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning is toegekend.
In de eerste plaats is het de Afdeling niet duidelijk hoe in de praktijk uitvoering zal worden gegeven aan de onmiddellijke werking van de regeling. Zo is het de vraag hoe van voorzieningen die in een mogelijk ver verleden zijn toegekend (mogelijk na afloop van de 3 jaren dat een eigen bijdrage is betaald) de kostprijs wordt bepaald en of de desbetreffende cliënten alsnog worden verplicht een eigen bijdrage te betalen die oploopt tot de gehele kostprijs van die voorziening. Voorts gaat de toelichting onvoldoende in op de gevolgen van de wijziging voor de burgers die reeds een voorziening hebben gekregen.
Waar burgers er bij het verkrijgen van de voorziening van mochten uit gaan dat gedurende maximaal 39 perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening zou worden gebracht, kunnen zij nu alsnog worden verplicht een eigen bijdrage te betalen tot het moment dat de kostprijs van de voorziening in het geheel is voldaan. Deze personen zullen zich hierop niet hebben kunnen instellen. Niet duidelijk is in hoeverre zij de verstrekte voorzieningen zouden hebben aangevraagd, indien zij van een zodanige wijziging hadden geweten.
De Afdeling merkt voorts op dat de vraag of overgangsrecht nodig is, een afweging betreft tussen het rechtsgelijkheidsbeginsel enerzijds en het rechtszekerheidsbeginsel anderzijds. Daarnaast zijn de doelstelling en de aard van de regeling alsmede de positie van verschillende groepen van betrokken burgers van belang.(zie noot 3) Hierbij is nadrukkelijk ook de budgettaire ruimte van de betrokken overheden aan de orde. De toelichting bij het ontwerpbesluit geeft echter, naar het oordeel van de Afdeling, onvoldoende blijk van een zorgvuldige afweging tussen de wens van de regering om alle gevallen op gelijke wijze te (doen) behandelen enerzijds en de gerechtvaardigde verwachtingen van die burgers die reeds een voorziening hebben ontvangen anderzijds. Daarbij klemt dat informatie over de mogelijke gevolgen van het ontwerpbesluit voor de betrokken burgers ontbreekt.
De Afdeling adviseert, gelet op al het bovenstaande, de onmiddellijke werking dragend te motiveren, in te gaan op de gevolgen van de onmiddellijke werking voor burgers en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
2. Wijziging van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen
Het ontwerpbesluit voorziet met terugwerkende kracht in de wijziging respectievelijk beëindiging van de verstrekking van specifieke uitkeringen ingevolge het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Voor de omzetting van specifieke uitkeringen naar decentralisatie-uitkeringen is echter ook aanpassing van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen noodzakelijk. De toelichting stelt dat die wijziging nog zal worden geformaliseerd. Nu het hier gaat om wijzigingen die met terugwerkende kracht vanaf 2010 respectievelijk 2011 moeten komen te gelden, is niet duidelijk waarom deze niet in het voorliggende ontwerpbesluit zijn opgenomen.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan, en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
3. Advisering door de VNG
Op grond van de bestuursafspraken 2011-2015 wordt de VNG in de gelegenheid gesteld een bestuurlijke reactie te geven op voorstellen voor regelgeving met relevantie voor decentrale overheden. Deze reactie dient te worden meegezonden naar de Afdeling advisering van de Raad van State. De toelichting vermeldt dat geen afzonderlijke consultatie van de VNG heeft plaatsgevonden. Gelet op de gevolgen die de regeling kan hebben, adviseert de Afdeling om het ontwerpbesluit alsnog voor een bestuurlijke reactie aan de VNG voor te leggen. Mocht het ontwerpbesluit naar aanleiding van dat advies ingrijpend worden gewijzigd, dan verwacht de Afdeling dat het ontwerpbesluit opnieuw aan haar ter advisering wordt voorgelegd.
4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies behorende bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.13.0047/III met redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging geeft.
- In artikel II, artikel I, onderdeel E, doen terugwerken tot het tijdstip onmiddellijk voordat Hoofdstuk II komt te vervallen.
- In de toelichting de passage onder het kopje ‘Misverstand’ schrappen omdat deze geen verband houdt met de onderhavige regeling.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 oktober 2013
De Afdeling Advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over het ontbreken van overgangsrecht bij de afschaffing van de beperking van de duur van de eigenbijdrageregeling, het tijdstip van wijziging van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen en het ontbreken van het advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Zij is van oordeel dat in verband daarmee (enige) aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Overgangsrecht bij beperking duur eigen bijdrageregeling
Het advies van de Afdeling om de onmiddellijke werking dragend te motiveren, in te gaan op de gevolgen van de onmiddellijke werking voor burgers en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen, heeft mij bij nadere overweging aanleiding gegeven, het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen.
Er is alsnog een overgangsbepaling opgenomen die de werking van de wijziging in regeling van de eigen bijdrage beperkt tot degenen aan wie na de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit een voorziening wordt toegekend. Voor personen aan wie reeds een eigen bijdrage is opgelegd, geldt derhalve onverkort de grens van 39 perioden van vier weken.
2. Wijziging van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen
De Afdeling stelt terecht vast dat voor de omzetting van specifieke uitkeringen naar decentralisatie-uitkeringen ook aanpassing van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen noodzakelijk is. De Afdeling merkt op dat niet duidelijk is waarom deze aanpassing niet in het voorliggende ontwerpbesluit is opgenomen. De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan, en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
Aan het advies van de Afdeling is geen gevolg gegeven. Daaraan ligt de volgende overweging ten grondslag.
De systematiek van het verstrekken van decentralisatie-uitkeringen gaat uit van een verdeling van de beschikbare middelen op basis van maatstaven. Het budget van een decentralisatie-uitkering wordt door middel van een unieke verdeling op basis een selectie van maatstaven waar gewichten aan worden gehangen in overleg tussen de fondsbeheerders van het Gemeentefonds (het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Financiën) en het kernministerie verdeeld. De decentralisatie-uitkeringen kunnen pas worden vastgesteld als de maatstaven definitief zijn; daarvan is veelal pas na twee jaar sprake. Het is dan ook staande praktijk dat de uitkeringen pas na twee jaar worden opgenomen in het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen.
3. Advisering door de VNG
Gelet op de gevolgen die de regeling kan hebben, adviseert de Afdeling om het ontwerpbesluit alsnog voor een bestuurlijke reactie aan de VNG voor te leggen.
Op 7 mei heeft de VNG schriftelijk gereageerd op het ontwerpbesluit. Deze waren in de voorbereidende fase ook met de VNG besproken.
De VNG kan instemmen met het voorstel tot afschaffing van de beperking van de periode gedurende welke een eigen bijdrage kan worden gevraagd voor een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning die wordt verschaft in eigendom dan wel bestaat uit een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die eigendom is van de aanvrager.
Ook de VNG hecht aan rechtszekerheid voor degenen aan wie eerder reeds een eigen bijdrage is opgelegd. Zij adviseert derhalve de wijziging in te laten gaan op het moment dat een burger een voorziening of een vervangende voorziening toegekend krijgt.
De VNG stelt dat deze werkwijze voor gemeenten uitvoerbaar is.
4. Redactionele kanttekeningen
Aan de redactionele kanttekeningen van de Afdeling is aandacht besteed.
Ik moge U het ontwerp-besluit en de nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Artikel I, onderdeel H, derde lid, (artikel 4.1, vijfde lid)
(2) Ofwel: drie jaar.
(3) Vergelijk het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 14 januari 2011 inzake de wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten in verband met de invoering van een verhoogd collegegeld voor langstudeerders (Wet verhoging collegegeld langstudeerders), Kamerstukken II 2010/11, 32 618, nr. 4, blz. 12.