Voorstel van wet houdende het afschaffen van de beperkte opbouw van minimum vakantierechten tijdens ziekte, de invoering van een vervaltermijn voor de minimum vakantiedagen en de aanpassing van enige andere artikelen in de regeling voor vakantie en verlof in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
- Kenmerk
- W12.10.0247/III
- Datum advies
- 21 juli 2010
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2009/2010, 32 465, nr 4 (alleen nader rapport)
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Wet
Toon inhoud
Voorstel van wet houdende het afschaffen van de beperkte opbouw van minimum vakantierechten tijdens ziekte, de invoering van een vervaltermijn voor de minimum vakantiedagen en de aanpassing van enige andere artikelen in de regeling voor vakantie en verlof in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit advies is een zogenoemd advies conform.
Dit betekent dat de tekst van het advies "zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat". Openbaarmaking van een advies conform blijft achterwege (artikel 25a, vierde lid, van de Wet op de Raad van State). De tekst van het advies wordt dus nergens gepubliceerd, niet in de Staatscourant en niet in de Kamerstukken.
Nader rapport (reactie op het advies) van 23 augustus 2010
De Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Wel heeft de Raad van State enkele redactionele kanttekeningen geplaatst. Deze zijn verwerkt met uitzondering van de onderstaande drie kanttekeningen.
1. De Raad van State geeft in overweging om in het in artikel I, onderdeel E, voorgestelde artikel 640a boek 7 Burgerlijk Wetboek (BW) en het in artikel II voorgestelde artikel 225 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek "het minimum" te vervangen door: "de minimumvakantie".
Deze redactionele kanttekening is niet verwerkt. In andere artikelen van afdeling 3, boek 7, BW wordt consequent gesproken over "het minimum" zoals bedoeld in artikel 7:634 van het BW. Omwille van wettelijke consistentie wordt in de voorgestelde artikelen bij die terminologie aangesloten. Omdat telkens wordt verwezen naar artikel 7:634 van het BW, bestaat er geen onduidelijkheid over wat met dit minimum wordt bedoeld.
2. De Raad van State geeft tevens in overweging om in het in artikel I, onderdeel C, voorgestelde artikel 637 lid 1 boek 7 BW en het in artikel I, onderdeel D, voorgestelde artikel 638 lid 8, eerste volzin, boek 7 BW voor "instemming" telkens in te voegen "schriftelijke".
De huidige bepalingen in het BW betreffende vakantie vereisen niet dat de instemming van de werknemer met het aanmerken van ziektedagen als vakantiedagen schriftelijk moet zijn verleend. In het wetsvoorstel is daarbij aangesloten. In de praktijk functioneert die regeling naar behoren. Er bestaat dan ook geen reden om het wetsvoorstel aan te grijpen om aan het verlenen van instemming een schriftelijkheidsvereiste te koppelen. Dat geldt temeer daar zo’n vormvereiste tot de nodige administratieve handelingen aanleiding geeft. De redactionele kanttekening van de Raad is in het licht van het vorenstaande niet verwerkt.
3. Tenslotte geeft de Raad van State in overweging om in het in artikel I, onderdeel D, voorgestelde artikel 638 lid 8, eerste volzin, boek 7 BW de beperking tot het aantal bovenwettelijke vakantiedagen aan te brengen.
Het doorvoeren van deze redactionele kanttekening heeft inhoudelijke gevolgen die niet passen bij de bedoeling van de voorgestelde wetswijziging en is mitsdien niet verwerkt. Het nieuwe lid 8 van artikel 7:638 van het BW bepaalt dat als een werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is, er met zijn instemming toch vakantiedagen opgenomen kunnen worden. Het gaat daarbij nadrukkelijk ook om het opnemen van vakantiedagen die tot het minimum behoren en niet meer uitsluitend om de bovenwettelijke dagen.
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Justitie, verzoeken het hierbij gevoegde (gewijzigde) voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid