Ontwerpbesluit strekkende tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Oss van 10 november 2000, no.194, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
- Kenmerk
- W08.01.0389/V
- Datum advies
- 23 augustus 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 9 oktober 2001, nr 195
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit strekkende tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Oss van 10 november 2000, no.194, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met een schrijven van 24 juli 2001, no.MJZ2001078273, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, strekkende tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Oss van 10 november 2000, no.194, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
In het onteigeningsbesluit zijn de gronden van reclamanten sub b en sub c begrepen die benodigd zijn voor de realisering van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I", respectievelijk "Bedrijfsdoeleinden II" van het bestemmingsplan "De Geer-Oost en -Zuid". Ten aanzien van een deel van deze gronden wordt naar aanleiding van de bedenkingen van deze reclamanten opgemerkt dat die bestemmingen in verband met de dwarse ligging van hun percelen niet door hen zelf kunnen worden gerealiseerd en dat de gemeente om haar moverende redenen geen grondruil wil aangaan en het overleg daarover niets heeft opgeleverd. Daarom wordt geoordeeld dat het bestemmingsplan bij handhaving van de bestaande eigendomssituatie door de reclamanten niet gerealiseerd kan worden in de beoogde doelmatige vorm van uitvoering. Daarnaast wordt echter ook overwogen dat in het kader van het minnelijk overleg dat aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan wellicht alsnog overeenstemming bereikt zou kunnen worden, indien daarbij een mogelijke grondruil wordt betrokken.
Vorengenoemde overwegingen doen bij de Raad van State de vraag rijzen op welke gronden van openbaar belang de gemeente de voorstellen tot grondruil heeft kunnen afwijzen, hoewel grondruil in het kader van het minnelijk overleg niet wordt uitgesloten. Uit het ontwerpbesluit blijkt niet dat de Kroon dit punt heeft onderzocht.
Het college adviseert het ontwerpbesluit aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 september 2001
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
Voornoemd advies heeft met name betrekking op de overwegingen in het ontwerpbesluit, houdende een beoordeling van de bedenkingen van de reclamanten onder b. en onder c. inzake het zelf realiseren van de op hun grond geprojecteerde bestemmingen. In dit verband merk ik het volgende op.
De onteigeningswet bevat zelf geen bepaling waarin de mogelijkheid tot een beroep op zelfrealisatie met zoveel woorden is neergelegd. Zij wordt in de (Kroon-) jurisprudentie op grond van de onteigeningswet afgeleid uit het noodzaakvereiste. Artikel 79 van de onteigeningswet bepaalt voor de zogenaamde Titel IV- onteigeningen onder meer dat de goedkeuring aan een onteigeningsbesluit wordt onthouden in het geval van het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak tot onteigening.
Om dit te kunnen beoordelen hanteert de Kroon een vaste formule, wanneer een beroep wordt gedaan op de figuur van zelfrealisatie. Deze formule is ook in het onderwerpelijke ontwerpbesluit op bladzijde 4 en volgende opgenomen. Toepassing van deze formule heeft tot gevolg, dat een grondeigenaar onder de volgende voorwaarden een beroep op de figuur van zelfrealisatie kan doen:
1. Indien de grondeigenaar beschikt over voldoende kennis, ervaring en financiële middelen en
2. Indien de grondeigenaar zich bereid verklaart het plan uit te voeren zoals dat de gemeente voor ogen staat en dat kan aantonen en
3. indien de grondeigenaar bereid is een exploitatieovereenkomst te sluiten.
Met de volgende argumenten kunnen gemeenten dit beroep op zelfrealisatie in veel gevallen pareren:
1. Er is sprake van een plan dat integraal in onderlinge samenhang moet worden uitgevoerd, terwijl de daartoe benodigde grond niet in zijn geheel in het bezit is van de grondeigenaar die zich op zelfrealisatie beroept;
2. De grond van de belanghebbenden is dermate verspreid gelegen dat van een doelmatige realisering van het plan geen sprake kan zijn. In dit verband kan gedacht worden aan de situatie dat de eigenaar niet beschikt over voldoende aaneengesloten grond om binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan tot zelfrealisering over te gaan;
3. De wijze van planuitvoering die de belanghebbende voor staat, is in strijd met de planuitvoering die de gemeente voor ogen staat. In de (Kroon-) jurisprudentie aangaande de figuur van de zelfrealisatie is dit een belangrijk element: de gemeente moet weliswaar aantonen dat er sprake is van een minder geschikt uitvoeringsalternatief, maar de gemeente bepaalt in eerste instantie wat de meest wenselijke vorm van planuitoefening is;
4. De belanghebbende voldoet niet aan de door de gemeente voorgestane planuitvoering. Deze situatie kan zich voordoen wanneer de belanghebbende niet aannemelijk maakt dat hij bereid is zich te conformeren aan de planuitvoering die de gemeente voor ogen staat of indien de belanghebbende over te weinig grond beschikt en daardoor bij de uitvoering afhankelijk is van de medewerking van de gemeente, terwijl de gemeente niet wil of kan meewerken.
In het voorliggende ontwerpbesluit is in overeenstemming met de vorengeschetste (Kroon-) jurisprudentie onder meer overwogen, dat gezien de ligging van de gronden van de reclamanten onder b. en onder c. zij niet in staat zijn om zonder medewerking van de gemeente (lees: een noodzakelijke grondruil) tot realisering van de op hun gronden geprojecteerde bestemming over te gaan in de vorm die de gemeente voor ogen staat en welke vorm in het publiek belang ook het meest gewenst wordt geacht.
Op de figuur van zelfrealisatie kan dan ook door de reclamanten alleen met vrucht een beroep worden gedaan indien het zelf verwezenlijken van de op hun grond geprojecteerde bestemmingen mogelijk is bij bestaande eigendomsverhoudingen. De gemeenten kunnen niet verplicht worden bij een onmogelijkheid daarvan aan een noodzakelijke grondruil hun medewerking te verlenen. Een toetsing door de Kroon of de gemeente in redelijkheid tot afwijzing van grondruil kon overgaan, gaat naar mijn oordeel in dit kader van de toetsing van de onteigening te ver en beperkt te zeer de beleidsvrijheid van de gemeente in dezen.
Overigens is in het kader van het onderzoek gebleken, dat de gemeente onder meer in een brief van 8 maart 2001 aan de reclamanten onder b. heeft aangegeven, dat de "voorgestelde grondruilen zeer ingrijpende eigendomsveranderingen betekenen, die ons inziens nodig zijn om de beoogde zelfrealisering mogelijk te maken. Wij menen dat het van belang is om niet onnodig af te wijken van de lijn, die impliciet bij eerdere minnelijke aankopen in dit plangebied is gevolgd. Die lijn houdt in, dat wij geen grondruilen aangaan t.b.v. het zelf realiseren als het zelf realiseren in de bestaande eigendomsverhoudingen niet mogelijk is". De gemeente heeft dan ook in het onderhavige geval niet zonder enige reden de voorstellen tot grondruil afgewezen.
In het kader van het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal het aanbieden van een grondruil wellicht alsnog tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden. De onteigeningswet voorziet overigens niet in een verplichting tot het aanbieden van grondruil evenmin in een verplichting tot het aanbieden van vervangende grond.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn de overwegingen dienaangaande in vorenbedoelde zin aangevuld.
Ik moge Uwe Majesteit dan ook verzoeken het hierbij aangeboden, gewijzigde ontwerpbesluit te bekrachtigen.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
In het onteigeningsbesluit zijn de gronden van reclamanten sub b en sub c begrepen die benodigd zijn voor de realisering van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I", respectievelijk "Bedrijfsdoeleinden II" van het bestemmingsplan "De Geer-Oost en -Zuid". Ten aanzien van een deel van deze gronden wordt naar aanleiding van de bedenkingen van deze reclamanten opgemerkt dat die bestemmingen in verband met de dwarse ligging van hun percelen niet door hen zelf kunnen worden gerealiseerd en dat de gemeente om haar moverende redenen geen grondruil wil aangaan en het overleg daarover niets heeft opgeleverd. Daarom wordt geoordeeld dat het bestemmingsplan bij handhaving van de bestaande eigendomssituatie door de reclamanten niet gerealiseerd kan worden in de beoogde doelmatige vorm van uitvoering. Daarnaast wordt echter ook overwogen dat in het kader van het minnelijk overleg dat aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan wellicht alsnog overeenstemming bereikt zou kunnen worden, indien daarbij een mogelijke grondruil wordt betrokken.
Vorengenoemde overwegingen doen bij de Raad van State de vraag rijzen op welke gronden van openbaar belang de gemeente de voorstellen tot grondruil heeft kunnen afwijzen, hoewel grondruil in het kader van het minnelijk overleg niet wordt uitgesloten. Uit het ontwerpbesluit blijkt niet dat de Kroon dit punt heeft onderzocht.
Het college adviseert het ontwerpbesluit aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 september 2001
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
Voornoemd advies heeft met name betrekking op de overwegingen in het ontwerpbesluit, houdende een beoordeling van de bedenkingen van de reclamanten onder b. en onder c. inzake het zelf realiseren van de op hun grond geprojecteerde bestemmingen. In dit verband merk ik het volgende op.
De onteigeningswet bevat zelf geen bepaling waarin de mogelijkheid tot een beroep op zelfrealisatie met zoveel woorden is neergelegd. Zij wordt in de (Kroon-) jurisprudentie op grond van de onteigeningswet afgeleid uit het noodzaakvereiste. Artikel 79 van de onteigeningswet bepaalt voor de zogenaamde Titel IV- onteigeningen onder meer dat de goedkeuring aan een onteigeningsbesluit wordt onthouden in het geval van het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak tot onteigening.
Om dit te kunnen beoordelen hanteert de Kroon een vaste formule, wanneer een beroep wordt gedaan op de figuur van zelfrealisatie. Deze formule is ook in het onderwerpelijke ontwerpbesluit op bladzijde 4 en volgende opgenomen. Toepassing van deze formule heeft tot gevolg, dat een grondeigenaar onder de volgende voorwaarden een beroep op de figuur van zelfrealisatie kan doen:
1. Indien de grondeigenaar beschikt over voldoende kennis, ervaring en financiële middelen en
2. Indien de grondeigenaar zich bereid verklaart het plan uit te voeren zoals dat de gemeente voor ogen staat en dat kan aantonen en
3. indien de grondeigenaar bereid is een exploitatieovereenkomst te sluiten.
Met de volgende argumenten kunnen gemeenten dit beroep op zelfrealisatie in veel gevallen pareren:
1. Er is sprake van een plan dat integraal in onderlinge samenhang moet worden uitgevoerd, terwijl de daartoe benodigde grond niet in zijn geheel in het bezit is van de grondeigenaar die zich op zelfrealisatie beroept;
2. De grond van de belanghebbenden is dermate verspreid gelegen dat van een doelmatige realisering van het plan geen sprake kan zijn. In dit verband kan gedacht worden aan de situatie dat de eigenaar niet beschikt over voldoende aaneengesloten grond om binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan tot zelfrealisering over te gaan;
3. De wijze van planuitvoering die de belanghebbende voor staat, is in strijd met de planuitvoering die de gemeente voor ogen staat. In de (Kroon-) jurisprudentie aangaande de figuur van de zelfrealisatie is dit een belangrijk element: de gemeente moet weliswaar aantonen dat er sprake is van een minder geschikt uitvoeringsalternatief, maar de gemeente bepaalt in eerste instantie wat de meest wenselijke vorm van planuitoefening is;
4. De belanghebbende voldoet niet aan de door de gemeente voorgestane planuitvoering. Deze situatie kan zich voordoen wanneer de belanghebbende niet aannemelijk maakt dat hij bereid is zich te conformeren aan de planuitvoering die de gemeente voor ogen staat of indien de belanghebbende over te weinig grond beschikt en daardoor bij de uitvoering afhankelijk is van de medewerking van de gemeente, terwijl de gemeente niet wil of kan meewerken.
In het voorliggende ontwerpbesluit is in overeenstemming met de vorengeschetste (Kroon-) jurisprudentie onder meer overwogen, dat gezien de ligging van de gronden van de reclamanten onder b. en onder c. zij niet in staat zijn om zonder medewerking van de gemeente (lees: een noodzakelijke grondruil) tot realisering van de op hun gronden geprojecteerde bestemming over te gaan in de vorm die de gemeente voor ogen staat en welke vorm in het publiek belang ook het meest gewenst wordt geacht.
Op de figuur van zelfrealisatie kan dan ook door de reclamanten alleen met vrucht een beroep worden gedaan indien het zelf verwezenlijken van de op hun grond geprojecteerde bestemmingen mogelijk is bij bestaande eigendomsverhoudingen. De gemeenten kunnen niet verplicht worden bij een onmogelijkheid daarvan aan een noodzakelijke grondruil hun medewerking te verlenen. Een toetsing door de Kroon of de gemeente in redelijkheid tot afwijzing van grondruil kon overgaan, gaat naar mijn oordeel in dit kader van de toetsing van de onteigening te ver en beperkt te zeer de beleidsvrijheid van de gemeente in dezen.
Overigens is in het kader van het onderzoek gebleken, dat de gemeente onder meer in een brief van 8 maart 2001 aan de reclamanten onder b. heeft aangegeven, dat de "voorgestelde grondruilen zeer ingrijpende eigendomsveranderingen betekenen, die ons inziens nodig zijn om de beoogde zelfrealisering mogelijk te maken. Wij menen dat het van belang is om niet onnodig af te wijken van de lijn, die impliciet bij eerdere minnelijke aankopen in dit plangebied is gevolgd. Die lijn houdt in, dat wij geen grondruilen aangaan t.b.v. het zelf realiseren als het zelf realiseren in de bestaande eigendomsverhoudingen niet mogelijk is". De gemeente heeft dan ook in het onderhavige geval niet zonder enige reden de voorstellen tot grondruil afgewezen.
In het kader van het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal het aanbieden van een grondruil wellicht alsnog tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden. De onteigeningswet voorziet overigens niet in een verplichting tot het aanbieden van grondruil evenmin in een verplichting tot het aanbieden van vervangende grond.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn de overwegingen dienaangaande in vorenbedoelde zin aangevuld.
Ik moge Uwe Majesteit dan ook verzoeken het hierbij aangeboden, gewijzigde ontwerpbesluit te bekrachtigen.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer