Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 (introductie administratieverplichting).
- Kenmerk
- W11.01.0310/V
- Datum advies
- 13 september 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 mei 2002, nr 89
- Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 (introductie administratieverplichting).
Bij Kabinetsmissive van 12 juli 2001, no.01.003392, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 (introductie administratieverplichting).
Het ontwerpbesluit legt in het Reglement voor de binnenvisserij 1985 de basis voor een administratieverplichting voor aanvoerders en afnemers van zoetwatervis, met de bedoeling de afzetmogelijkheden van illegaal gevangen vis te beperken. Tevens worden met het oog op de handhaving bepalingen toegevoegd waarin ook het onder zich of aan boord hebben van verboden vangmiddelen wordt verboden.(zie noot 1) De Raad van State acht enkele aanpassingen nodig om de bepalingen effectief te doen zijn.
1. Volgens de toelichting op artikel I, onderdeel A, strekt de opneming van een definitie voor "zoetwatervis" ertoe om aan te geven voor welke vissoorten de administratieverplichting (het in te voegen artikel 10a (artikel I, onderdeel F)) is bedoeld. In het voorgestelde artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, wordt dit begrip gedefinieerd door te verwijzen naar de aanwijzing van vissoorten in de Regeling aanwijzing vissen, schaal- en schelpdieren met de toevoeging dat het moet gaan om vissen die afkomstig zijn uit wateren bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, van de Visserijwet 1963 of uit andere, buiten Nederland gelegen wateren waarin zoetwatervis aanwezig is. Kort gezegd, wat betreft Nederland, wateren die niet als zee- of kustwater zijn aangewezen. De Raad begrijpt dit samenstel van bepalingen aldus dat in geval van overtreding ook het afkomstig zijn van de vis uit die andere wateren moet worden bewezen. Dat kan in de praktijk tot bewijsproblemen leiden. De Raad beveelt dan ook een opzet aan waarin het de minister is die bij ministeriële regeling aanwijst welke vis afkomstig is uit de wateren als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Visserrijwet 1963 of uit andere, buiten Nederland gelegen wateren en waarvoor de in het ontwerpbesluit geregelde verplichting geldt. In de definitiebepaling kan dan naar deze regeling worden verwezen (zoetwatervis: vis, aangewezen bij de in artikel … bedoelde regeling).
2a. In paragraaf 2 van de toelichting wordt opgemerkt dat ten aanzien van vis die wordt aangekocht vanuit andere landen dan Nederland eisen zullen worden gesteld met betrekking tot het aantonen dat het daadwerkelijk gaat om geïmporteerde vis. Daarbij wordt, naar de Raad aanneemt, gedoeld op de ministeriële regeling op grond van artikel 10a, tweede lid. De formeelwettelijke grondslag voor deze nadere regels is te vinden in artikel 16, derde lid, van de Visserijwet 1963, waarin is bepaald dat bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid van dat artikel mede voorschriften kunnen worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen. Met het oog op een duidelijke doordelegatie van deze regelgevende bevoegdheid zal artikel 10a, tweede lid, moeten worden aangevuld. Zoals het nu luidt heeft de delegatie aan de minister betrekking op louter administratieve verplichtingen en niet ook op het leveren van bewijs.
b. Indien het hier zal gaan om specifieke verplichtingen die niet ook aan de aanvoer, aankoop en verkoop van niet-geïmporteerde vis zullen worden gesteld, wordt het risico gelopen dat een invoerbelemmerende maatregel als bedoeld in artikel 28 van het EG-Verdrag wordt ingevoerd. Hiermee zal bij het vaststellen van de ministeriële regeling rekening moeten worden gehouden.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 7 maart 2002
De Raad van State maakt een aantal opmerkingen die in het navolgende worden besproken.
1. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad is de in artikel 1, eerste lid, onderdeel q, opgenomen definitie van "zoetwatervis" vervallen. In plaats daarvan is in artikel 10a opgenomen dat bij ministeriële regeling de soorten vis, waarvoor de administratieverplichting gaat gelden, worden aangewezen.
Voor deze opzet is gekozen om bewijsproblemen in de praktijk te voorkomen. De nota van toelichting is op dit punt aangepast.
2.a. Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad is artikel 10a, tweede lid, zodanig gewijzigd dat bij ministeriële regeling ook nadere regels kunnen worden gesteld in het belang van de naleving. De nota van toelichting is op dit punt aangepast.
b. Uiteraard zal bij het vaststellen van regels ten aanzien van geïmporteerde vis er voor gewaakt worden dat geen sprake is van een invoerbelemmerende maatregel.
3. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit enkele wijzigingen van redactionele aard door te voeren.
Ik moge U hierbij het (gewijzigde) ontwerpbesluit en de (gewijzigde) nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
(1) Vergelijkbaar met bijvoorbeeld artikel 6c van het Reglement zee- en kustvisserij.