Uitspraak 200607111/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AZ1981
- Datum uitspraak
- 1 november 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 juli 2006 is appellant met ingang van 24 juli 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200607111/1.
Datum uitspraak: 1 november 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/41196 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 18 september 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2006 is appellant met ingang van 24 juli 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 september 2006, verzonden op 20 september 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 oktober 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, is in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht het instellen van beroep, als bedoeld in de artikel 94 en 96, tegen een besluit, als bedoeld in artikel 93, niet aan enige termijn gebonden.
Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, staat, in afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, geen hoger beroep open tegen een uitspraak van onder meer de rechtbank over een besluit of handeling op grond van onder meer hoofdstuk 5.
Ingevolge artikel 94, eerste lid, voor zover thans van belang, stelt de minister uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 59, de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.
Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, doet de rechtbank mondeling of schriftelijk uitspraak.
Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.
Ingevolge artikel 96, eerste lid, voor zover thans van belang, sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week indien het beroep, bedoeld in artikel 94, ongegrond is verklaard en de vreemdeling beroep instelt tegen het voortduren van de vrijheidsontneming.
Ingevolge het derde lid verklaart de rechtbank het beroep gegrond, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel, bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.2. De aangevallen uitspraak is er een, als bedoeld in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000, omdat de rechtbank deze uitspraak op die bepaling heeft gebaseerd. Welke grondslag zij had behoren te kiezen, is daarbij niet van belang. Tegen deze uitspraak staat derhalve ingevolge voormeld artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen hoger beroep bij de Afdeling open.
2.3. Appellant betoogt in de grieven I en II dat de Afdeling niettemin van het hoger beroep kennis kan nemen, aangezien de rechtbank een onjuiste grondslag voor haar uitspraak heeft aangewezen. Volgens hem heeft zij, door het door hem op 22 augustus 2006 ingestelde beroep tegen het besluit van 20 juli 2006 als een beroep, als bedoeld in artikel 96, eerste lid, aan te merken, miskend dat de rechtmatigheid van de bewaring, zoals die bij het besluit van 20 juli 2006 is opgelegd, nog niet door een rechter was beoordeeld en intrekking van het door hem op 18 augustus 2006 ingestelde beroep er niet toe leidt dat dat besluit in rechte onaantastbaar is.
2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 januari 2005 zaak nr. 200409209/1, AB 2005, 192), kan voor kennisneming van een appèl in weerwil van voormeld artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 onder meer grond bestaan, indien de rechtbank buiten het bereik van de bepaling of bepalingen, die zij zonder hogere voorziening tegen haar oordeel daarover kan toepassen, is getreden.
2.5. Appellant heeft op 18 augustus 2006 beroep tegen het besluit van 20 juli 2006 ingesteld. Op 21 augustus 2006 heeft hij dit beroep ingetrokken, naar hij stelde omdat de dag van de behandeling van het beroep ter zitting door de rechtbank voor hem ongelegen kwam. Op 22 augustus 2006 heeft hij tegen dat besluit wederom beroep ingesteld.
Van beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontneming is ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 eerst sprake, indien het besluit tot opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel door de rechtbank ongegrond is verklaard. Nu dat niet is gebeurd en appellant ingevolge artikel 69, derde lid, tegen het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel steeds beroep kan instellen, is het beroep van 22 augustus 2006 aan te merken als een beroep, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000. Ook maakt intrekking van het op 18 augustus 2006 ingestelde beroep niet dat het besluit van 20 juli 2006 in rechte onaantastbaar is.
De rechtbank heeft het beroep van 22 augustus 2006 dan ook ten onrechte aangemerkt als een beroep, als bedoeld in artikel 96 van de Vw 2000 en is aldus buiten het bereik getreden van de bepaling die zij zonder hogere voorziening tegen haar oordeel kon toepassen. De Afdeling kan dan ook van het hoger beroep kennisnemen.
Uit het vorenoverwogene vloeit voorts voort dat de grieven I en II slagen, het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, omdat de rechtbank geen juist toetsingskader heeft gehanteerd. De overige grieven behoeven geen bespreking.
2.6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.
2.6.1. In beroep heeft appellant betoogd dat zijn inbewaringstelling onrechtmatig is, omdat de minister, gelet op het tijdstip van bekendmaking van het besluit van 20 juli 2006 op 21 juli 2006 te 9.50 uur, de rechtbank niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 18 augustus 2006 te 9.50 uur, dan wel niet zo spoedig mogelijk na intrekking van het beroep van die inbewaringstelling in kennis heeft gesteld.
2.6.2. Het besluit van 20 juli 2006 is op 21 juli 2006 aan appellant uitgereikt. De termijn, gesteld bij artikel 94, eerste lid, is aldus op 22 juli 2006 aangevangen en op 18 augustus 2006 geëindigd. Nu deze termijn in dagen is gesteld, had de minister op laatstvermelde dag tot en met 's avonds 24.00 uur de tijd om de vereiste kennisgeving aan de rechtbank te doen. Omdat appellant op die dag beroep heeft ingesteld, hoefde de minister de rechtbank geen kennisgeving van de inbewaringstelling te doen.
Hoewel de minister gehouden was de rechtbank na de intrekking van het aanvankelijk ingestelde beroep alsnog van de opgelegde maatregel in kennis te stellen en hij dat niet heeft gedaan, was in dit geval van een verzuim in verband daarmee geen sprake, aangezien appellant daags na de intrekking opnieuw beroep heeft ingesteld. De beroepsgrond faalt.
2.6.3. Het betoog van appellant dat zijn inbewaringstelling niet gerechtvaardigd is, nu de minister een eerdere inbewaringstelling vanwege vormfouten heeft opgeheven en hij aan de nieuwe inbewaringstelling geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd faalt evenzeer, reeds omdat de inbewaringstelling thans ook berust op de grond dat hij ongewenst is verklaard.
2.6.4. Ook het betoog dat de minister niet voorvarend handelt, faalt, nu appellant, naar de minister onweersproken heeft gesteld, louter door interne aangelegenheden op de ambassade van Congo niet eerder gepresenteerd kan worden.
2.7. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 18 september 2006 in zaak no. AWB 06/41196;
III. verklaart de bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Bakker
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006
395