Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200603688/1

Uitspraak 200603688/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AZ1003
Datum uitspraak
5 september 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 januari 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200603688/1.
Datum uitspraak: 5 september 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/45355 van de rechtbank
's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 13 april 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 april 2006, verzonden op 25 april 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 juni 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Grief 1 klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat de motivering van het besluit dat de vreemdeling zelf onvoldoende initiatieven heeft ontplooid teneinde zijn vertrek uit Nederland mogelijk te maken onvoldoende is, uitgaat van onjuiste feiten en heeft miskend dat de minister het besluit voldoende heeft gemotiveerd.

2.2. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

In artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is als beperking, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet, opgenomen die, verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

2.3. Volgens paragraaf C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) komt een staatloze vreemdeling, van wie de asielaanvraag is afgewezen en die kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning onder die beperking.

2.4. Aan de weigering heeft de minister ten grondslag gelegd dat de vreemdeling geen vreemdeling is die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, omdat er, gelet op de eerdere toezegging van de Syrische autoriteiten ten behoeve van hem een laissez-passer te verstrekken, geen reden is om op voorhand aan te nemen dat een nieuwe aanvraag van de vreemdeling bij de Syrische ambassade niet gehonoreerd zal worden.

Voorts heeft de vreemdeling volgens de minister niet al het mogelijke gedaan om de beschikking te krijgen over reisdocumenten om zijn vertrek zelfstandig te bewerkstelligen.

2.5. Volgens voormelde paragraaf C2/8 van de Vc 2000 is het uitgangspunt van gevoerde beleid dat alle vreemdelingen die een nationaliteit hebben naar hun land van herkomst kunnen terugkeren. Er is op dit moment geen land bekend dat de volkenrechtelijke verplichting om eigen onderdanen terug te nemen niet naleeft, aldus die passage. Het in paragraaf C2/8 van de Vc 2000 beschreven beleid ziet alleen op vreemdelingen die kunnen aantonen dat zij staatloos zijn en dat zij buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. De betrokkene dient aan de hand van objectief toetsbare bescheiden aan te tonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land, alwaar de persoon verblijf heeft of heeft gehad, geen toestemming zullen verlenen voor zijn terugkeer, aldus die passage.

In paragraaf C2/8.3 is vermeld dat de vreemdeling zich, om in aanmerking te kunnen komen voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het hier omschreven gevoerde beleid, tot de vertegenwoordiging van zijn land van herkomst en eventuele landen van eerder verblijf dient te wenden.

De staatloze komt volgens die passage in aanmerking voor toelating, als cumulatief aan de volgende vereisten wordt voldaan:

- de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren; hij heeft zich aantoonbaar gewend tot de vertegenwoordiging van het land of de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land of de landen waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfplaats had, en/of tot andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend; en

- hij heeft zich gewend tot de Internationale Organisatie voor Migratie voor facilitering van zijn vertrek en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek van de vreemdeling te realiseren vanwege het feit dat de vreemdeling stelt niet te kunnen beschikken over reisdocumenten; en

- hij heeft, al dan niet door tussenkomst van de vreemdelingenpolitie, verzocht om bemiddeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad; en

- er is sprake van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten; het dient daarbij te gaan om objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in de eerste plaats zijn onderbouwd met bescheiden; en

- hij verblijft zonder verblijfstitel in Nederland en voldoet niet aan andere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning.

2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2003 in zaak nr. 200307174/1, ter voorlichting van partijen aangehecht), volgt uit voormelde passages dat het volgens het gevoerde beleid aan de desbetreffende vreemdeling is om zijn staatloosheid en het ontbreken van toegang of wedertoegang tot een land buiten Nederland met documenten aan te tonen en dat de desbetreffende vreemdeling die tijdens zijn asielprocedure niet kan aantonen dat hij staatloos is en buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, geen verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, van het Vb 2000 wordt verleend. Indien de desbetreffende vreemdeling na afloop van zijn asielprocedure alsnog kan aantonen dat hij aan de vereisten voor verlening van die verblijfsvergunning voldoet, kan deze hem op aanvraag worden verleend.

2.7. De minister betoogt terecht dat volgens de hiervoor onder 2.5. weergegeven passages van de vreemdeling, om voor vergunningverlening in aanmerking te kunnen komen, wordt gevergd dat hij alles in het werk stelt om zijn vertrek zelfstandig te bewerkstelligen. Niet is gebleken dat de vreemdeling in de periode van 12 januari 1998 tot 12 januari 2005 heeft geprobeerd zelfstandig naar Syrië terug te keren. Dat de vreemdeling na het besluit van 12 januari 2005 twee pogingen heeft gedaan om terug te keren door zich te richten tot de Syrische ambassade en de Internationale Organisatie voor Migratie, heeft de minister onder die omstandigheden niet tot de conclusie hoeven leiden dat de vreemdeling al het mogelijke in het werk heeft gesteld om zijn vertrek zelfstandig te bewerkstelligen. De minister heeft voldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de vreemdeling onvoldoende initiatieven heeft ontplooid om zijn vertrek uit Nederland mogelijk te maken en aldus niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten, vermeld in voormelde paragraaf C2/8.3. van de Vc 2000, om voor vergunningverlening in aanmerking te kunnen komen.

Reeds hierom slaagt de grief.

2.8. In grief 2 klaagt de minister dat de rechtbank de problematiek inzake de gedwongen uitzettingen naar Syrië ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken.

2.9. De grief slaagt. Dat de minister gedwongen verwijderingen naar Syrië gedurende enige tijd heeft opgeschort kan voor de vreemdeling, wat daar verder van zij, bij de beoordeling van het besluit van 4 oktober 2005 geen rol spelen, nu zich dat na dat besluit heeft voorgedaan.

2.10. De grieven 3 en 4 hebben geen zelfstandige betekenis.

2.11. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 4 oktober 2005 op rechtmatigheid beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.11.1. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de minister hem ten onrechte geen verblijfsvergunning voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken heeft verleend, nu de kans dat hem een laissez-passer zal worden verstrekt erg klein is.

Deze grond faalt, reeds omdat de vreemdeling, zoals hiervoor onder 2.7. is overwogen, niet alles in het werk heeft gesteld om zelfstandig zijn vertrek te bewerkstelligen en daarom volgens het gevoerde beleid, vermeld in paragraaf C2/8.3. van de Vc 2000, niet voor vergunningverlening in aanmerking komt.

2.11.2. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat bij het besluit van 4 oktober 2005 ten onrechte niet is beslist op de door hem ingediende zogenoemde 14-1 brief.

Deze beroepsgrond kan niet slagen bij gebrek aan feitelijke grondslag. In voormeld besluit is op deze brief beslist.

2.12. De conclusie is dat het inleidende beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond moet worden verklaard.

2.13. Voor een procesveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen van 13 april 2006 in zaak no. AWB 05/45355;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Os-Ravesloot
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006

248-490.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon