Uitspraak 200605347/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AY8691
- Datum uitspraak
- 31 augustus 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 juni 2006 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200605347/1.
Datum uitspraak: 31 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/28360 en 06/28363 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 juli 2006 in het geding tussen:
[vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2006 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 27 juli 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven, gelezen in hun onderlinge samenhang, klaagt de minister dat, voor zover thans van belang, de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het besluit van 12 juni 2006 onvoldoende consistent en coherent van opbouw is, omdat hij het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, doch niet gemotiveerd, welke onderdelen van het asielrelaas positieve overtuigingskracht missen, heeft miskend dat hij zich, gelet op de onverbrekelijke samenhang tussen de herkomst, identiteit en nationaliteit en het asielrelaas, op het standpunt heeft mogen stellen dat, nu de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot haar herkomst, identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig zijn, reeds om die reden evenmin geloof aan haar asielrelaas kan worden gehecht.
2.1.1. In het besluit van 12 juni 2006 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, nu de vreemdeling ter staving van haar nationaliteit, identiteit en reisverhaal geen documenten heeft overgelegd en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen, van het asielrelaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan om het geloofwaardig te kunnen achten. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat, nu de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot haar gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig zijn, evenmin geloof aan haar asielrelaas kan worden gehecht.
2.1.2. Indien het ontbreken van documenten, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, aan de desbetreffende vreemdeling is toe te rekenen, moet, volgens het gevoerde beleid, van het asielrelaas, daaronder begrepen de verklaringen met betrekking tot zijn herkomst, identiteit en nationaliteit, voor zover dat niet met enig bewijsmateriaal is gestaafd, positieve overtuigingskracht uitgaan om het geloofwaardig te kunnen achten. Indien de minister zich op het standpunt stelt dat die verklaringen wegens het ontbreken daarvan ongeloofwaardig zijn, kan verdere bespreking van het asielrelaas, daaronder begrepen de vluchtmotieven van de desbetreffende vreemdeling, achterwege blijven, omdat de vluchtmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van die vreemdeling.
2.1.3. Aldus heeft de voorzieningenrechter ten onrechte niet onderzocht of de minister het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling heeft mogen tegenwerpen. Dat de minister in het besluit van 12 juni 2006 geen oordeel over de vluchtmotieven van de vreemdeling heeft gegeven, brengt op zichzelf niet met zich dat het standpunt van de minister met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling niet voldoende consistent en coherent van opbouw is.
De grieven slagen.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 juni 2006 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
2.2.1. In dat besluit heeft de minister uiteengezet, dat en waarom artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling wordt tegengeworpen en het asielrelaas ongeloofwaardig is. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, de vreemdeling onvoldoende informatie over haar gestelde leefomgeving en het schoolsysteem in Noord-Korea heeft verstrekt.
2.2.2. In de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft de minister geen grond behoeven te vinden haar het ontbreken van documenten niet toe te rekenen. Dat de vreemdeling, naar deze heeft gesteld, na haar vertrek uit Noord-Korea ongeveer negen jaar illegaal in China heeft verbleven en gedurende de reis naar Nederland volledig afhankelijk was van de reisagent, doet niet af aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de staving, waar mogelijk, van haar nationaliteit, identiteit en reisrelaas met documenten. Onder deze omstandigheden heeft de minister het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling mogen tegenwerpen. Dat brengt met zich dat van het asielrelaas van de vreemdeling, om het geloofwaardig te achten, positieve overtuigingskracht diende uit te gaan.
2.2.3. Hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, nu de vreemdeling onvoldoende informatie met betrekking tot haar directe leefomgeving en het schoolsysteem in Noord-Korea heeft verstrekt, haar verklaringen met betrekking tot haar herkomst, identiteit en nationaliteit positieve overtuigingskracht missen en derhalve ongeloofwaardig zijn. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van één van de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 opgesomde gronden.
2.2.4. Voor zover de vreemdeling heeft bedoeld te betogen dat de minister, door niet te reageren op de in het zwaarwegend advies gemaakte kanttekeningen bij de handelwijze van de contactambtenaar tijdens het aanvullende eerste gehoor, onzorgvuldig heeft gehandeld, berust dat betoog op een onjuiste lezing van het besluit van 12 juni 2006, aangezien de minister op pagina 5 van dat besluit op die kanttekeningen heeft gereageerd.
2.2.5. Volgens het rapport van dat aanvullende eerste gehoor heeft de vreemdeling bij die gelegenheid desgevraagd verklaard dat de contactambtenaar haar op een correcte wijze te woord heeft gestaan en zij geen opmerkingen over de gang van zaken en de handelwijze van die contactambtenaar heeft. Niet is gebleken dat zij onvoldoende in de gelegenheid is geweest om haar gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Onder deze omstandigheden biedt het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het gehoor onzorgvuldig is verlopen.
2.2.6. Nu de in beroep voorgedragen gronden aldus geen aanleiding geven voor een ander oordeel, zal de Afdeling het inleidende beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 juli 2006 in zaak no. AWB 06/28360;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Hazen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006
452