Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200608609/2

Uitspraak 200608609/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AZ5480
Datum uitspraak
27 december 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft verweerder aan Dutch Infra Tech B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan en bewerken van diverse soorten, deels gevaarlijke, afvalstoffen aan de Boezembocht (nabij nr. 30) te Rotterdam.
  • Voorlopige voorziening
  • Afval

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200608609/2.
Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "A&G Maasvlakte B.V.", gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft verweerder aan Dutch Infra Tech B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan en bewerken van diverse soorten, deels gevaarlijke, afvalstoffen aan de Boezembocht (nabij nr. 30) te Rotterdam.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 30 november 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij separate brief van 30 november 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 december 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door drs. ing. C.B.E. van Geffen, gemachtigde, dr. ing. H.A.E. Simons, deskundige, en [manager] bij verzoekster, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Schrijnemaekers-Spätjens, drs. ing. R.D. Heijsman, J. Daams en J.W.T. Voerman, allen ambtenaar van DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M.J.H. Clercx, adviseur, en [adjunct-directeur], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Vergunninghoudster heeft ter zitting aangevoerd dat verzoekster geen belanghebbende bij het bestreden besluit is en dat het verzoek daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht definieert het begrip belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De Voorzitter stelt vast dat het bedrijf van verzoekster in dezelfde regio en hetzelfde marktsegment als vergunninghoudster actief is, waardoor verzoekster geacht kan worden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te hebben. Verzoekster kan naar het oordeel van de Voorzitter dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt. Gelet hierop verwacht de Voorzitter dat de Afdeling op dit punt geen grond aanwezig zal achten voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er bestaat in zoverre geen aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.3. Verzoekster voert onder meer aan dat moet worden betwijfeld of bij het verlenen van de vergunning de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide in acht kunnen worden genomen. Hiertoe verwijst verzoekster naar een in haar opdracht opgesteld rapport van 15 december 2006 over de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het oprichten en in werking zijn van de inrichting van vergunninghoudster.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit een in zijn opdracht uitgevoerde aanvullende berekening blijkt dat de door verzoekster genoemde grenswaarden in acht kunnen worden genomen. Hiertoe verwijst verweerder naar het van deze berekening opgemaakte rapport van 12 december 2006.

2.3.2. De Voorzitter overweegt als volgt. In het door verzoekster ingebrachte rapport van 15 december 2006 wordt onder meer geconcludeerd dat als gevolg van het in werking zijn van de inrichting de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes over het jaar 2006 op de Boezembocht vaker wordt overschreden dan op grond van artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 is toegestaan. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd, kan de hierdoor gezaaide twijfel over de deugdelijkheid van het onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit dat in het kader van de aanvraag en nadien in opdracht van verweerder is verricht, onvoldoende wegnemen. In dit verband is van belang dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt waarom met betrekking tot de verkeersintensiteit op de Boezembocht gebruik kan worden gemaakt van de gegevens met betrekking tot de Veilingweg, terwijl in het door verzoekster ingebrachte rapport is uitgegaan van de verkeersintensiteit op de Boezembocht zelf. Dat de ten behoeve van het laatstgenoemde rapport uitgevoerde verkeerstellingen niet representatief zouden zijn, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, vormt een onvoldoende onderbouwing voor het gebruik van de gegevens met betrekking tot de Veilingweg. Voorts is onduidelijk of in de aanvullende berekening van verweerder is uitgegaan van een voldoende representatief te achten locatie van de inrichting, nu verweerder ter zitting heeft erkend dat de in de berekening gebruikte locatie niet geheel accuraat is.

Gezien het vorenstaande heeft verzoekster naar het oordeel van de Voorzitter voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat bij het verlenen van de vergunning de in artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 opgenomen grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes niet in acht kan worden genomen. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de kosten die zijn gemaakt voor het aan verzoekster uitgebrachte deskundigenrapport van 15 december 2006 overweegt de Voorzitter dat de kosten van een deskundige redelijkerwijs zijn gemaakt indien het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Gelet op de omvang van het deskundigenrapport ziet de Voorzitter aanleiding om in de berekening van de vergoeding van de kosten daarvoor, in zoverre in afwijking van het door verzoekster ingevulde proceskostenformulier, uit te gaan van een aantal aan het opstellen van het rapport bestede uren van vierentwintig.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 oktober 2006, kenmerk 421604 20238669;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van de bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.875,14 (zegge: achttienhonderdvijfenzeventig euro en veertien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Sparreboom
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006

195-442.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon