Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W12.04.0644/IV

Ontwerpbesluit tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 130 van de Werkloosheidswet ten behoeve van het experimenteren met stageplaatsen voor jongeren (Besluit experimenten stageplaatsen voor jongeren in de WW), met nota van toelichting.

Kenmerk
W12.04.0644/IV
Datum advies
27 januari 2005
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 14 juni 2005, nr 112
  • Sociale zaken en Werkgelegenheid
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 130 van de Werkloosheidswet ten behoeve van het experimenteren met stageplaatsen voor jongeren (Besluit experimenten stageplaatsen voor jongeren in de WW), met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 27 december 2004, no.04.004832, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 130 van de Werkloosheidswet ten behoeve van het experimenteren met stageplaatsen voor jongeren (Besluit experimenten stageplaatsen voor jongeren in de WW), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit bevat nadere regels over het met toepassing van het nieuwe artikel 130 (een zogenoemd experimenteerartikel) van de Werkloosheidswet (WW) uit te voeren experiment JOP-stages.(zie noot 1) Met dit experiment wordt beoogd de inschakeling in de arbeid van jonge werkloze jongeren te bevorderen, door hen gedurende drie maanden met behoud van de werkloosheidsuitkering een stage te laten volgen bij een bedrijf waar gekwalificeerd werk kan worden verricht.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen.
Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1a. Aanduiding en bereik van het experiment
In artikel 1 van het ontwerpbesluit zijn definities van enkele begrippen opgenomen. Een definitie van wat onder een experiment in de zin van het ontwerpbesluit wordt verstaan, ontbreekt echter. Vervolgens begint artikel 2 met de woorden "Het experiment heeft tot doel", zonder dat eerst duidelijk is gemaakt over welk experiment het gaat.
De Raad adviseert in artikel 1 dan wel in artikel 2, maar voordat het doel van het experiment wordt uiteengezet, een aanduiding van het experiment op te nemen.

b. Gezien artikel 3, eerste lid, richt het besluit zich op jongeren tot 22 jaar die een WW-uitkering hebben. Veel jongeren in die leeftijdscategorie zullen echter nog niet of nauwelijks WW-rechten hebben opgebouwd.
De Raad adviseert in de toelichting een indicatie op te nemen van het aantal potentiële stagiaires om wie het zal kunnen gaan, en aldus inzicht te geven in de mogelijke betekenis van dit ontwerpbesluit. Mocht blijken dat het hier gaat om een categorie van slechts beperkte omvang, dan zou in de toelichting tevens moeten worden ingegaan op de vraag of een dergelijke omstandigheid niet in de weg staat
aan een verantwoorde uitvoering van het voorstel als experiment, en op de vraag of de kosten van de evaluatie van het experiment dan in redelijke verhouding staan tot de uitgaven die overigens zijn gemoeid met het experiment. Voorts is van belang dat inzicht wordt geboden in de mate van belangstelling die van werkgeverszijde is te verwachten voor het leveren van hun aandeel in het experiment.

2. Evaluatie van het experiment: criteria en periode
De ervaring heeft het belang van stages voor het bevorderen van de arbeidsmarktkansen van jongeren voldoende laten zien. In zoverre behoeft het nut van dergelijke stages niet nog eens nader bewezen te worden door het houden van een experiment, en zou ook de vorm gekozen kunnen worden van een tijdelijke maatregel, vooruitlopend op een eventuele meer definitieve regeling. Waar echter in het ontwerpbesluit is gekozen voor het experiment als methode van beleid, zal de Raad het voorstel beoordelen naar de eisen die in algemene zin aan een dergelijk experiment gesteld moeten worden.(zie noot 2)

a. Artikel 6 betreft een voorschrift over het regelmatig verstrekken van gegevens ten behoeve van de verslaglegging over het verloop van het experiment. Die gegevens zijn, blijkens de toelichting op die bepaling, nodig om de resultaten en effecten goed in beeld te krijgen, zodat indien dat nodig is tijdig kan worden bijgestuurd, of kan worden overgegaan tot voortijdige beëindiging van het experiment.(zie noot 3) De gegevens die voortkomen uit de rapportage aan het eind van het experiment zullen worden gebruikt om het parlement het verloop van het experiment mede te delen, aldus de toelichting.
De Raad merkt op dat het uitvoeren van een experiment niet alleen impliceert dat vooraf is overwogen wat met het experiment wordt beoogd, maar ook dat de criteria worden geformuleerd aan de hand waarvan, al dan niet ook tussentijds, de uitkomsten van het experiment zullen worden geëvalueerd. In artikel 130, vierde lid, WW is bepaald dat de minister het verloop van het experiment in de praktijk evenals zijn standpunt inzake de voortzetting ervan, anders dan als experiment, aan de Staten-Generaal meldt. Criteria voor de evaluatie van het experiment zijn vanwege de verscheidenheid van de in artikel 130 bedoelde experimenten begrijpelijkerwijs niet in die bepaling genoemd. Die criteria dienen daarom in het desbetreffende uitvoeringsbesluit te worden opgenomen. In het ontwerpbesluit komt echter niet zo'n bepaling voor, terwijl ook in de toelichting niet wordt aangegeven hoe de evaluatie van het experiment zal of moet plaatsvinden.(zie noot 4)
In verband hiermee adviseert de Raad in het ontwerpbesluit ten minste op te nemen aan de hand van welke criteria het experiment zal worden geëvalueerd, en wanneer deze evaluatie dient plaats te vinden.

b. In het onderdeel "Rapportage" van de toelichting worden drie onderwerpen genoemd waarop inzicht nodig is met het oog op de meting van het resultaat van het experiment. Daarbij ontbreekt het aantal keren dat de stage voortijdig wordt beëindigd wegens het aanvaarden van een normale arbeidsplaats na een sollicitatie. Immers, de sollicitatieplicht vervalt niet, zodat deze tussentijdse beëindiging zich kan voordoen. Dergelijke beëindiging kan als gegeven van belang zijn voor de evaluatie, in het bijzonder om te weten of solliciteren vanuit een stageplaats voordelen heeft.
De Raad adviseert de toelichting aan te vullen.

c. Ingevolge artikel 7, tweede lid, vervalt het besluit met ingang van 1 januari 2007. Daarmee is de looptijd van het experiment nog geen twee jaar. Een dergelijke periode is zo kort, dat zij vrijwel geen ruimte biedt voor een serieuze evaluatie van het experiment en om inzicht te krijgen in de verschillen tussen werkloze jongeren met een stage en zonder een stage. Die korte looptijd kan ook een probleem zijn uit een oogpunt van tijdige besluitvorming inzake continuering van het voorgestelde regime (al dan niet als experiment), mocht de evaluatie daarvoor voldoende aanleiding geven.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op het voorgaande.

3. Overige opmerkingen
a. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt dat de uitkeringsgerechtigde niet vaker dan twee maal per jaar werkzaamheden verricht op een stageplaats.
Deze bepaling laat de mogelijkheid open dat betrokkene twee keer (eventueel ook aaneensluitend) een stage volgt bij dezelfde werkgever.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de vraag of deze mogelijkheid is beoogd, en of gebruik ervan wenselijk wordt geacht.

b. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, bepaalt dat het niet is toegestaan dat de stagiair zonder begeleiding voor 100% productieve arbeid verricht. Ingevolge onderdeel f van dit artikellid wordt een stagiair bij zijn werkzaamheden begeleid. Uit de toelichting(zie noot 5) blijkt dat 100% productieve arbeid wél is toegestaan indien de stagiair begeleiding ontvangt op zijn werkplek. Dit roept de vraag op of dan niet kan worden aangenomen dat de stagiair werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst, met de daaraan verbonden rechten.(zie noot 6)
De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan, en het voorstel zo nodig aan te passen.

c. In het onderdeel "Experiment, artikel 4" van de toelichting wordt vermeld dat de derde afwijking van artikel 76a WW de sollicitatieplicht betreft. In die laatstgenoemde bepaling is echter niets opgenomen over de sollicitatieplicht. In plaats van artikel 76a WW moet bedoeld zijn artikel 2, derde lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW, zoals die luidt na de wijziging van 20 december 2004 (Stcrt. 250). Die ministeriële regeling is gebaseerd op artikel 76a WW.
De Raad adviseert de tekst van de toelichting hieraan aan te passen.

4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W12.04.0644/IV met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

Ontwerpbesluit.
- In artikel 4, eerste lid, de zinnen behorende bij de verschillende onderdelen a tot en met g met het oog op een taalkundig goede aansluiting op de zin in de aanhef steeds met "dat" laten beginnen.
- Het opschrift van artikel 7 "Looptijd" vervangen door: Looptijd en overgangsbepaling.

Nota van toelichting.
- In het onderdeel "Doel experiment, Artikel 2" van de toelichting de met gedachtenpuntjes aangegeven zinnen zodanig redigeren dat deze taalkundig beter aansluiten bij de zin in de aanhef waarbij ze behoren.
- Bovendien in hetzelfde onderdeel de zin "Daarom worden de JOP-stages vormgegeven in een experiment op grond van artikel 130 van de WW" wijzigen in: Daarom wordt aan de JOP-stages de vorm van een experiment op grond van artikel 130 van de WW gegeven.
- De opschriften van de onderdelen van de toelichting steeds op dezelfde wijze formuleren wat betreft komma's en hoofdletters.



Nader rapport (reactie op het advies) van 13 april 2005

De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal inhoudelijke opmerkingen in verband waarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit naar het oordeel van de Raad wenselijk is. Deze opmerkingen worden hierna behandeld. Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven.

1. Aanduiding en bereik van het experiment
De Raad adviseert de aanduiding van het experiment op te nemen.

De Raad adviseert inzicht te geven in het bereik van dit besluit.
Het CWI heeft geraamd dat de potentiële doelgroep van het experiment ongeveer 3000 deelnemers per jaar betreft. Deze omvang kan niet als beperkt worden beschouwd. Er is daarom geen aanleiding om in te gaan op de vraag of het aantal deelnemers een verantwoorde uitvoering van het experiment en de kosten van de evaluatie, in redelijke verhouding staan tot de uitgaven die gemoeid zijn met het experiment.

Met betrekking tot de aanduiding en bereik van het experiment is het besluit, alsmede de toelichting aangepast.

2. Evaluatie van het experiment: criteria en periode
De Raad heeft vraagtekens gezet bij de noodzaak voor de keuze van een experiment. Omdat nog niet proefondervindelijk is vastgesteld dat stages bijdragen aan de arbeidsmarktkansen van jongeren, zijn de JOP-stages als experiment vormgegeven. Indien uit de evaluatie blijkt dat JOP-stages bijdragen aan de arbeidsmarktkansen van jongeren, zal worden bezien of de JOP-stages als structureel instrument in de Werkloosheidswet opgenomen dienen te worden.

De Raad merkt op dat de wijze waarop, alsmede de criteria aan de hand waarvan, de uitkomsten geëvalueerd zullen worden in het besluit geformuleerd dienen te worden. Naar aanleiding hiervan zijn het besluit en de toelichting aangepast.

Volgens de Raad is voor de rapportage ook het aantal keren dat de stage voortijdig wordt beëindigd wegens het aanvaarden van een normale arbeidsplaats na een sollicitatie van belang. De toelichting is naar aanleiding hiervan aangepast.

Voorts adviseert de Raad in te gaan op de vraag of de korte looptijd van het experiment niet onvoldoende ruimte biedt voor de evaluatie ervan. Naar aanleiding van deze opmerking is de looptijd van het besluit verlengd en vervalt het besluit op 1 juli 2007. In het besluit is tevens de datum waarop de evaluatie gereed dient te zijn gewijzigd in 30 juni 2007.

3. Overige opmerkingen
In de toelichting bij het besluit is naar aanleiding van een opmerking van de Raad aangegeven dat een WW-jongere niet binnen één jaar tweemaal stage mag lopen bij dezelfde werkgever.
Tevens is naar aanleiding van een opmerking van de Raad in het besluit bepaald dat het tijdens de stage niet is toegestaan dat de uitkeringsgerechtigde voor 100% productieve arbeid verricht.

Tenslotte heeft het advies van de Raad om in het onderdeel "Experiment, artikel 4" van de toelichting te verwijzen naar de Regeling vrijstelling verplichtingen WW geleid tot aanpassing van de toelichting.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid



(1) Experiment JOP-stages staat voor: het experiment "Jongeren Ontwikkelings en Ervarings Plaatsen".
(2) Zie het advies van de Raad van State van 23 mei 2000 over het Eindrapport van de interdepartementale werkgroep experimenteerbepalingen "Het proberen waard" van 17 december 1999.
(3) Onderdeel "Rapportage, Artikel 6" van de nota van toelichting.
(4) Zie ook aanwijzing 10B van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(5) Zie de nota van toelichting, onderdeel "Toezichtbaarheid volgens IWI".
(6) Zie de toelichting, onder het kopje Voorwaarden, laatste bolletje.

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon