Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit handel in emissierechten (invoering van een systeem van handel in emissierechten met het oog op het beperken van de emissies van stikstofoxiden in de lucht bij grote industriële inrichtingen), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W08.04.0507/V
- Datum advies
- 17 december 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 mei 2005, nr 88
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit handel in emissierechten (invoering van een systeem van handel in emissierechten met het oog op het beperken van de emissies van stikstofoxiden in de lucht bij grote industriële inrichtingen), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 1 november 2004, no.04.004115, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit handel in emissierechten (invoering van een systeem van handel in emissierechten met het oog op het beperken van de emissies van stikstofoxiden in de lucht bij grote industriële inrichtingen), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit voegt in het Besluit handel in emissierechten nadere regels voor de handel in NOx-emissierechten in. De grondslag voor het ontwerpbesluit vormt het bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediende wetsvoorstel handel in NOx-emissierechten.(zie noot 1) Dit wetsvoorstel legt een basis voor het systeem van handel in NOx-emissierechten in de Wet milieubeheer (Wm).
De belangrijkste elementen van het ontwerpbesluit zijn het aanwijzen van de NOx-installaties die onder het systeem van handel in NOx-emissierechten vallen, het vaststellen van de prestatienomen en het bepalen van het verkoopplafond en het spaar- en leenpercentage. Daarnaast wordt een aantal regels dat geldt voor de handel in CO2-emissierechten van overeenkomstige toepassing verklaard op de handel in NOx-emissierechten.
De Raad maakt een aantal kantekeningen en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. In het voorgestelde onderdeel g van artikel 1 is een definitie opgenomen van het begrip "NOx-procesinstallatie". Deze definitie is van belang voor het bepalen van de installaties die onder het systeem van de handel in NOx-emissierechten vallen. De Raad mist een verklaring waarom in de definitie van een NOx-procesinstallatie de feitelijke emissie van ten minste 1.000 kilogram NOx per kalenderjaar als ondergrens wordt gehanteerd, terwijl deze ondergrens bij een NOx-verbrandingsinstallatie wordt uitgedrukt in een minimaal vermogen van één megawatt thermisch. De definitie van een NOx-procesinstallatie lijkt dan ook niet overeen te komen met het artikel 4, tweede lid, onder c, van het Besluit handel in emissierechten dat bepaalt dat het monitoringsprotocol de totale productiecapaciteit van elk van de in een inrichting opgestelde NOx-procesinstallatie bevat.
Bovendien kan dit leiden tot onduidelijkheid voor procesinstallaties die op de grens van 1.000 kilogram NOx per kalenderjaar zitten, omdat pas aan het eind van het kalenderjaar duidelijk is of ze onder het systeem van handel in NOx-emissierechten vallen.
De Raad adviseert de definitie van "NOx-procesinstallatie" aan te passen.
2. Voor bepaalde NOx-procesinstallaties in de glasindustrie krijgt het besluit pas later effect. Het voorgestelde artikel 11, derde lid, bepaalt dat de NOx-installaties uit de glasindustrie waartoe in de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 een gewijzigde vergunning krachtens artikel 8.1 Wm in verband met een "grote ovenrevisie" wordt verleend, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de gewijzigde vergunning van de betrokken inrichting is verleend, onder de werking van het besluit vallen.
De toelichting wijst op het continu-karakter van deze installaties waarbij pas tijdens een grote ovenrevisie emissiereducerende maatregelen kunnen worden getroffen. De Raad wijst erop dat er nog geruime tijd kan verlopen tussen het moment van grote ovenrevisie en het verlenen van een gewijzigde vergunning, die overigens ook nog weer enige tijd later van kracht kan worden.
De Raad beveelt aan om in de toelichting uiteen te zetten waarom de toepasselijkheid van het stelsel van NOx-emissierechten moet zijn gekoppeld aan het verlenen van de gewijzigde vergunning.
3. Het voorgestelde artikel 12, eerste lid, verklaart een aantal bepalingen dat van toepassing is op de CO2-vergunning van overeenkomstige toepassing op een NOx-vergunning. Hierover merkt de Raad het volgende op.
a. Het Besluit handel in emissierechten wordt, zoals is aangegeven in het nader rapport op het advies van de Raad (no.W08.04.0315/V), op verschillende punten gewijzigd. Aangezien de Raad de definitieve tekst van het Besluit handel in emissierechten nog niet kent, wordt in dit advies uitgegaan van de tekst van het ontwerp van het Besluit handel in emissierechten zoals dat ter advisering aan de Raad is voorgelegd. Bij de van overeenkomstige toepassingverklaring in het ontwerpbesluit is met de wijzigingen van het Besluit handel in emissierechten, zoals aangegeven in het nader rapport, geen rekening gehouden. De Raad adviseert derhalve in ieder geval artikel 12, eerste lid, aan te passen.
b. Artikel 4 van het Besluit handel in emissierechten maakt onderscheid tussen verschillende vergunningaanvragen. Het eerste lid regelt de aanvraag voor een vergunning voor het in werking hebben van een inrichting (artikel 16.5, eerste lid, onder a, Wm) en het derde lid de aanvraag voor een vergunning voor uitbreiding of verandering (van de werking) van de inrichting (artikel 16.5, eerste lid, onder b, c en d, Wm).
Artikel 12, eerste lid, verklaart de desbetreffende artikelen uitsluitend van overeenkomstige toepassing op een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, onder a, of een gecombineerde vergunning. Dit betekent dat er geen regels zijn opgenomen voor uitbreiding of verandering van een NOx-inrichting (artikel 16.49, eerste lid, onder b en c, Wm).
De Raad adviseert dit alsnog in het ontwerpbesluit te regelen.
c. Artikel 4, tweede lid, onder e, van het Besluit handel in emissierechten bepaalt dat het monitoringsprotocol de wijze vermeldt waarop met behulp van een berekening of meting de jaarvracht (de totale hoeveelheid van een emissie gedurende een kalenderjaar) wordt bepaald. In de toelichting op artikel 4 staat dat de emissies van NOx worden bepaald door middel van meting en dat in een uitzonderingsgeval de vaststelling van de jaarvracht (deels) plaatsvindt op basis van een berekening.
De toelichting geeft niet aan om welke uitzonderingsgevallen het gaat. De Raad adviseert daarop alsnog in de toelichting in te gaan.
4. Het voorgestelde artikel 13, derde lid, verwijst voor de continue meting van NOx-emissies naar het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: BEES A). Volgens de toelichting wordt gedoeld op het BEES A zoals dat komt te luiden nadat het gewijzigd is ter implementatie van de LCP-richtlijn.(zie noot 2) Verwacht wordt dat deze wijziging medio februari 2005 in werking zal treden. Het ontwerpbesluit dat die wijziging regelt, is thans aanhangig bij de Raad (no.W08.04.0506/V).
De Raad beveelt aan in de toelichting aan te geven of de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit op de inwerkingtreding van het gewijzigde BEES A zal wachten en of dit tot vertraging van de aanvang van de handel in NOx-emissierechten zal leiden. Indien niet wordt gewacht op de wijziging en te voorzien is dat eerder wordt gestart met de handel, dient het ontwerpbesluit in een overgangsregeling te voorzien.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W08.04.0507/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel I, onder C, na "artikel 4" invoegen: , eerste lid,.
- In artikel I, onder D, artikel 10, de definitie van brandstof laten vervallen, aangezien dit begrip niet in hoofdstuk 3 voorkomt.
Tevens de toelichting hierop in de artikelsgewijze toelichting op artikel 10 verplaatsen naar artikel 1, onderdeel f, waar dit begrip wel voorkomt.
- Gelet op het eerste lid van het voorgestelde artikel 13, in artikel I, onder D, artikel 13, tweede en derde lid, "bepaling" vervangen door: meting.
- In de artikelsgewijze toelichting op artikel 5, tweede alinea, "onder a" vervangen door: onder b.
- In de toelichting op de artikelen 15 en 16 niet spreken van bedrijven, maar van inrichtingen.
- De toelichting op de artikelen 15 en 16 aanpassen, omdat deze alleen betrekking heeft op NOx-installaties.
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 april 2005
De Raad van State maakt een aantal kanttekeningen in verband waarmee de Raad van oordeel is dat enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is, en geeft in overweging een besluit te nemen, nadat met deze kanttekeningen rekening zal zijn gehouden.
Hieronder ga ik in op het advies van de Raad van State.
1. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de nota van toelichting aangegeven waarom is gekozen voor een feitelijke emissie van ten minste 1.000 kilogram NOx per kalenderjaar als ondergrens in de definitie van NOx-procesinstallatie. Deze 1.000 kilogram is het equivalent van een minimaal vermogen van één megawatt thermisch, de ondergrens die bij NOx-verbrandingsinstallaties wordt gehanteerd. Het is om inhoudelijke redenen niet mogelijk bij procesinstallaties de ondergrens uit te drukken in een bepaald vermogen van de installatie. Aansluiten bij de productiecapaciteit van de
procesinstallatie is geen werkbaar alternatief, omdat er meer dan 20 verschillende soorten processen zijn en de ondergrens in dat geval per proces zou moeten worden gespecificeerd. Het voorstel van de Raad om de definitie van NOx-procesinstallatie aan te passen, is niet overgenomen omdat er geen alternatief voorhanden is. Overigens wordt elders in het ontwerpbesluit, te weten bij de meetvoorschriften, ook een grens gehanteerd waarbij van de feitelijke emissie wordt uitgegaan (artikel 17; artikel 13 in de aan de Raad voorgelegde versie van het ontwerpbesluit). In de praktijk blijkt deze, in feitelijke emissie uitgedrukte ondergrens overigens geen problemen op te leveren zodat voor onduidelijkheid niet hoeft te worden gevreesd. Dat desondanks in het monitoringsprotocol, naast de verwachte jaarvracht, ook de productiecapaciteit dient te worden aangegeven (artikel 16, tweede lid, onder d, van het ontwerpbesluit; artikel 12, tweede lid, onder c, in de aan de Raad voorgelegde versie), houdt verband met het verkoopplafond dat wordt berekend aan de hand van de productiecapaciteit van een NOx-procesinstallatie (artikel 19, eerste lid, onder b, van het ontwerpbesluit; artikel 15, eerste lid, onder b, in de aan de Raad voorgelegde versie).
2. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is artikel 13, vijfde lid, van het ontwerpbesluit (artikel 11, derde lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) heroverwogen. Ik heb op basis daarvan geconcludeerd, mede na overleg met de glasindustrie, dat de toepasselijkheid van het stelsel van handel in NOx-emissierechten beter op andere wijze kan worden geregeld dan door koppeling aan verlening van een gewijzigde milieuvergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Er kunnen zich namelijk situaties voordoen waarin een wijziging van de milieuvergunning niet nodig is omdat in de vergunning de revisie van de oven al is opgenomen. Om deze reden is artikel 13, vijfde lid, nu gekoppeld aan de feitelijke uitvoering van de ovenrevisie en het daarop volgende opstarten van de oven. Vijftien weken nadat de oven volgens de van de inrichting verkregen informatie wordt opgestart, valt de betrokken oven onder het systeem van handel in NOx-emissierechten. Deze datum is bekend voordat met de revisie wordt begonnen. Voordat met de daadwerkelijke revisie wordt begonnen, dient degene die de inrichting drijft, aan de emissieautoriteit de voorgenomen revisie alsmede de datum waarop de oven naar verwachting weer zal worden opgestart, door te geven (artikel 15 van het ontwerpbesluit). Indien de oven op een andere dan de gemelde datum wordt opgestart, heeft dat overigens geen gevolgen voor het tijdstip waarop de betrokken oven onder het systeem komt te vallen. Hiervoor is gekozen vanwege de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid. De boven beschreven uitgestelde werking geldt niet voor NOx-procesinstallaties waarbij na 1 januari 1994 in het kader van een grote ovenrevisie maatregelen zijn genomen om overeenkomstig de stand der techniek de emissie van NOx voor de betrokken installatie te verminderen. In het kader van het destijds geldende tweesporenbeleid heeft een deel van de glasovens NOx-reductiemaatregelen genomen, terwijl een ander deel ervoor heeft gekozen de emissies van andere stoffen te verminderen. Voor de eerste categorie is er geen reden waarom ze niet direct onder het systeem van handel in NOx-emissierechten zouden kunnen vallen. Deze uitzondering is neergelegd in artikel 13, zesde lid, van het ontwerpbesluit.
3.a. Het advies van de Raad is overgenomen. In artikel 16, eerste lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, eerste lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is bij de van overeenkomstige toepassing verklaring van bepalingen van hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten (Broeikasgasemissies) rekening gehouden met de door de Raad bedoelde wijzigingen in dat deel van dat besluit.
3.b. Het advies van de Raad is niet overgenomen. Anders dan de Raad veronderstelt, zijn in het ontwerpbesluit wel regels opgenomen voor uitbreiding of verandering van een NOx-inrichting. Artikel 16, eerste lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, eerste lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) verklaart namelijk ook artikel 4, vierde lid (nieuw), van het Besluit handel in emissierechten van overeenkomstige toepassing. Dit houdt in dat hetgeen in artikel 4, vierde lid, is geregeld met betrekking tot het uitbreiden of veranderen van een CO2-inrichting, op overeenkomstige wijze moet worden toegepast op het uitbreiden of veranderen van een NOx-inrichting. Om misverstanden over de uitleg van het ontwerpbesluit op dit punt te voorkomen, is de toelichting bij artikel 16 aangevuld.
3.c. De toelichting was op dit punt inderdaad niet duidelijk. Bedoeld was aan te geven dat, anders dan bij de monitoring van CO2, de emissie van NOx voornamelijk gemeten wordt. Naast het meten dient echter een gedeelte van de emissie van NOx te worden berekend. In een aantal gevallen is er een keuze tussen meten of berekenen. Dit is niet zozeer een uitzonderingssituatie in de zin dat alleen in bijzondere gevallen een berekening moet plaatsvinden, als wel dat bij NOx het aandeel dat wordt berekend, niet zo groot is. In de ministeriële regeling inzake de monitoring zal nader worden geregeld in welke gevallen de NOx-emissie gemeten dan wel berekend moet worden. De nota van toelichting is op dit punt verduidelijkt.
4. De wijziging van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: BEES A) waarop de Raad doelt, is inmiddels gepubliceerd (Stb. 2005, nr. 114) en ook reeds (op 7 april 2005) in werking getreden. Artikel III van het ontwerpbesluit (artikel II in de aan de Raad voorgelegde versie) is aangepast omdat er geen voorziening meer nodig is voor het geval het gewijzigde BEES A nog niet in werking zou zijn voordat dit ontwerpbesluit in werking zou treden. Om deze reden is er ook geen overgangsvoor-ziening opgenomen.
5. De redactionele kanttekeningen die de Raad met betrekking tot het ontwerpbesluit en de nota van toelichting in overweging geeft, zijn voorzover nog relevant overgenomen.
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om de volgende wijzigingen in het ontwerpbesluit aan te brengen.
a. De delegatiegrondslag in de aanhef van het ontwerpbesluit is verbreed in verband met enkele aanvullende wijzigingen in hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten.
b. Artikel I, onderdeel A, van het ontwerpbesluit is gewijzigd. De definitie van vergunning is uit artikel 1 van het Besluit handel in emissierechten geschrapt, omdat een dergelijke definitie niet in alle gevallen goed blijkt te kunnen doorwerken in de rest van het besluit. In plaats daarvan is, waar dat nog nodig was, in hoofdstuk 2 van het besluit de verwijzing naar de vergunning steeds gekoppeld aan de wetsbepaling krachtens welke die vergunning wordt verleend. In verband hiermee zijn de artikelen 3, eerste lid, 4, vierde lid (nieuw), onder a, 5, tweede lid, onder d, en 7, aanhef, aangevuld met een verwijzing naar artikel 16.5, eerste lid, Wm.
c. De definitie van NOx-verbrandingsinstallatie in voornoemd artikel 1 is meer in overeenstemming gebracht met de definitie van NOx-installatie in artikel 16.1, derde lid, Wm.
d. Aan voornoemd artikel 1 is een nieuw tweede lid toegevoegd. Daarin is aangegeven dat daar waar in hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten wordt gesproken over een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, Wm (CO2-vergunning), daaronder tevens wordt verstaan een gecombineerde vergunning (een emissievergunning die zowel CO2 als NOx omvat).
e. In de artikelen 2 en 5 van het Besluit handel in emissierechten is de verwijzing naar de bijlage aangepast. Het Besluit handel in emissierechten bevatte slecht één bijlage. Met dit ontwerpbesluit worden er drie bijlagen toegevoegd en krijgt de oorspronkelijke bijlage het opschrift: bijlage I.
f. Ter vermindering van de administratieve lasten voor bedrijven is opgenomen dat volstaan kan worden met het indienen van twee exemplaren van het monitoringsprotocol indien dat op papier wordt ingediend. Hiertoe is artikel 3 van het Besluit handel in emissierechten gewijzigd.
g. In artikel 4, eerste lid, onder b, van het Besluit handel in emissierechten is een omissie ongedaan gemaakt.
h. Artikel I, onderdeel C, van het ontwerpbesluit zoals voorgelegd aan de Raad, is geschrapt. De daarin opgenomen wijziging van artikel 4 van het Besluit handel in emissierechten is overbodig geworden door het nieuwe tweede lid van artikel 1. Verwezen wordt naar het nader rapport onder punt d.
i. De inhoud van artikel 10 in de aan de Raad voorgelegde versie is verplaatst. De definitie van brandstof is reeds bij een eerdere gelegenheid (besluit van 17 december 2004, Stb. 2004, 737) opgenomen in artikel 1 van het Besluit handel in emissierechten. De definitie van product is ook verplaatst naar voornoemd artikel 1, waarbij de werking van deze definitie is beperkt tot hoofdstuk 3 van het Besluit handel in emissierechten, gezien de specifieke betekenis van die term in het systeem van handel in NOx-emissierechten.
j. Artikel 12 van het Besluit handel in emissierechten is aangepast aan de huidige stand van zaken met betrekking tot de accreditatie van verificateurs. Op het moment dat het Besluit handel in emissierechten in werking trad (1 januari 2005), waren de onderhandelingen met de Raad van Accreditatie nog gaande. Om deze reden waren de eisen waaraan de verificateur moet voldoen, opgenomen in het Besluit handel in emissierechten en in de Regeling monitoring handel in emissierechten. Deze eisen zullen nu door de Raad van Accreditatie gesteld gaan worden aan verificateurs. In artikel 12, eerste lid, wordt nog slechts de eis gesteld dat de verklaring over het emissieverslag omtrent de juistheid van de gegevens in het emissieverslag alleen kan worden afgegeven door een verificateur die werkzaam is bij een geaccrediteerde verificatie-instelling. De Raad van Accreditatie zal pas tot het accrediteren van een verificatie-instelling overgaan indien aan de eisen die in nationaal en internationaal verband worden gesteld, wordt voldaan. De eisen die aan de verificatie-instelling worden gesteld, hebben onder meer betrekking op onafhankelijkheid, kennis van het monitoringsprotocol en opleidingseisen die aan de verificateur moeten worden gesteld.
k. Het opschrift van hoofdstuk 3 is uitgebreid. Omdat dit hoofdstuk niet alleen betrekking heeft op emissies van stikstofoxiden, maar ook op NOx-emissierechten (waaronder de berekening daarvan en het verkoopplafond), is die laatste term in het opschrift verwerkt.
l. De verdeling van hoofdstuk 3 in paragrafen is ongedaan gemaakt. Een dergelijke verdeling is, gezien het relatief geringe aantal artikelen, voor de toegankelijkheid van de regeling bij nader inzien niet nodig. Het ontwerpbesluit is op dit punt in overeenstemming gebracht met hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten (Broeikasgasemissies).
m. De tekst van artikel 16, vierde lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, vierde lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is verplaatst naar artikel 4, derde lid. Daarnaast is de bepaling aangescherpt door niet in algemene zin naar hoofdstuk 3 te verwijzen, maar naar het artikel dat de inhoud van het monitoringsprotocol bepaalt (artikel 16).
n. Aan artikel 13, eerste lid, van het ontwerpbesluit (artikel 11, eerste lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is een nieuw onderdeel toegevoegd. Indien zich in een inrichting zowel NOx-procesinstallaties als NOx-verbrandingsinstallaties bevinden, was niet voldoende duidelijk dat ook de NOx-verbrandingsinstallaties die een opgesteld vermogen van minder dan 20 megawatt thermisch hadden, onder het systeem van handel in NOx-emissierechten vielen. Deze omissie is hiermee ongedaan gemaakt.
o. In artikel 13 van het ontwerpbesluit (artikel 11 in de aan de Raad voorgelegde versie) zijn twee nieuwe leden (derde en vierde lid) ingevoegd, waarin de zogenaamde opt-out is opgenomen. Deze mogelijkheid voor kleinere inrichtingen die aan bepaalde criteria voldoen, om op verzoek buiten het systeem van handel in NOx-emissierechten te blijven, is tijdens de behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de invoering van een systeem van handel in emissie-rechten met het oog op het beperken van de emissies van stikstofoxiden (handel in NOx-emissierechten) (Kamerstukken I 2004/05, 29 766, nr. A) toegezegd aan de Tweede Kamer. Verwezen wordt naar Handelingen II 2004/05, blz. 32-2157, en mijn brief van 10 december 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 29 766, nr. 12, blz. 3). Naast voornoemd artikel 13, derde en vierde lid, waarin de uitzondering op de werkingssfeer van het systeem is neergelegd, is in een nieuw artikel 14 het verzoek om een opt-out te verkrijgen, geregeld.
p. In artikel 16, tweede lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, tweede lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is een onderdeel c ingevoegd, waarin is bepaald dat in het monitorings-protocol ook de verwachte NOx-jaarvracht van elke zich in de inrichting bevindende NOx-procesinstallatie moet worden vermeld.
q. In artikel 18 van het ontwerpbesluit (artikel 14 in de aan de Raad voorgelegde versie) is "energie" vervangen door: brandstof. Het ontwerpbesluit is hiermee op dit punt in overeen-stemming gebracht met het wetsvoorstel handel in NOx-emissierechten.
r. Er is een nieuw artikel II opgenomen met betrekking tot verzoeken om een opt-out die voor de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit zijn ingediend. De stappen die voor dat tijdstip met betrekking tot de voorbereiding van de beslissing op een dergelijk verzoek hebben plaatsgevonden, worden hiermee gedekt.
Verder is van de gelegenheid gebruikgemaakt om het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal punten technisch en redactioneel te verduidelijken.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Kamerstukken II 2004/05, 29 766, nr. 2.
(2) Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEG L 309).
Het ontwerpbesluit voegt in het Besluit handel in emissierechten nadere regels voor de handel in NOx-emissierechten in. De grondslag voor het ontwerpbesluit vormt het bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediende wetsvoorstel handel in NOx-emissierechten.(zie noot 1) Dit wetsvoorstel legt een basis voor het systeem van handel in NOx-emissierechten in de Wet milieubeheer (Wm).
De belangrijkste elementen van het ontwerpbesluit zijn het aanwijzen van de NOx-installaties die onder het systeem van handel in NOx-emissierechten vallen, het vaststellen van de prestatienomen en het bepalen van het verkoopplafond en het spaar- en leenpercentage. Daarnaast wordt een aantal regels dat geldt voor de handel in CO2-emissierechten van overeenkomstige toepassing verklaard op de handel in NOx-emissierechten.
De Raad maakt een aantal kantekeningen en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. In het voorgestelde onderdeel g van artikel 1 is een definitie opgenomen van het begrip "NOx-procesinstallatie". Deze definitie is van belang voor het bepalen van de installaties die onder het systeem van de handel in NOx-emissierechten vallen. De Raad mist een verklaring waarom in de definitie van een NOx-procesinstallatie de feitelijke emissie van ten minste 1.000 kilogram NOx per kalenderjaar als ondergrens wordt gehanteerd, terwijl deze ondergrens bij een NOx-verbrandingsinstallatie wordt uitgedrukt in een minimaal vermogen van één megawatt thermisch. De definitie van een NOx-procesinstallatie lijkt dan ook niet overeen te komen met het artikel 4, tweede lid, onder c, van het Besluit handel in emissierechten dat bepaalt dat het monitoringsprotocol de totale productiecapaciteit van elk van de in een inrichting opgestelde NOx-procesinstallatie bevat.
Bovendien kan dit leiden tot onduidelijkheid voor procesinstallaties die op de grens van 1.000 kilogram NOx per kalenderjaar zitten, omdat pas aan het eind van het kalenderjaar duidelijk is of ze onder het systeem van handel in NOx-emissierechten vallen.
De Raad adviseert de definitie van "NOx-procesinstallatie" aan te passen.
2. Voor bepaalde NOx-procesinstallaties in de glasindustrie krijgt het besluit pas later effect. Het voorgestelde artikel 11, derde lid, bepaalt dat de NOx-installaties uit de glasindustrie waartoe in de kalenderjaren 2005 tot en met 2010 een gewijzigde vergunning krachtens artikel 8.1 Wm in verband met een "grote ovenrevisie" wordt verleend, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de gewijzigde vergunning van de betrokken inrichting is verleend, onder de werking van het besluit vallen.
De toelichting wijst op het continu-karakter van deze installaties waarbij pas tijdens een grote ovenrevisie emissiereducerende maatregelen kunnen worden getroffen. De Raad wijst erop dat er nog geruime tijd kan verlopen tussen het moment van grote ovenrevisie en het verlenen van een gewijzigde vergunning, die overigens ook nog weer enige tijd later van kracht kan worden.
De Raad beveelt aan om in de toelichting uiteen te zetten waarom de toepasselijkheid van het stelsel van NOx-emissierechten moet zijn gekoppeld aan het verlenen van de gewijzigde vergunning.
3. Het voorgestelde artikel 12, eerste lid, verklaart een aantal bepalingen dat van toepassing is op de CO2-vergunning van overeenkomstige toepassing op een NOx-vergunning. Hierover merkt de Raad het volgende op.
a. Het Besluit handel in emissierechten wordt, zoals is aangegeven in het nader rapport op het advies van de Raad (no.W08.04.0315/V), op verschillende punten gewijzigd. Aangezien de Raad de definitieve tekst van het Besluit handel in emissierechten nog niet kent, wordt in dit advies uitgegaan van de tekst van het ontwerp van het Besluit handel in emissierechten zoals dat ter advisering aan de Raad is voorgelegd. Bij de van overeenkomstige toepassingverklaring in het ontwerpbesluit is met de wijzigingen van het Besluit handel in emissierechten, zoals aangegeven in het nader rapport, geen rekening gehouden. De Raad adviseert derhalve in ieder geval artikel 12, eerste lid, aan te passen.
b. Artikel 4 van het Besluit handel in emissierechten maakt onderscheid tussen verschillende vergunningaanvragen. Het eerste lid regelt de aanvraag voor een vergunning voor het in werking hebben van een inrichting (artikel 16.5, eerste lid, onder a, Wm) en het derde lid de aanvraag voor een vergunning voor uitbreiding of verandering (van de werking) van de inrichting (artikel 16.5, eerste lid, onder b, c en d, Wm).
Artikel 12, eerste lid, verklaart de desbetreffende artikelen uitsluitend van overeenkomstige toepassing op een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, onder a, of een gecombineerde vergunning. Dit betekent dat er geen regels zijn opgenomen voor uitbreiding of verandering van een NOx-inrichting (artikel 16.49, eerste lid, onder b en c, Wm).
De Raad adviseert dit alsnog in het ontwerpbesluit te regelen.
c. Artikel 4, tweede lid, onder e, van het Besluit handel in emissierechten bepaalt dat het monitoringsprotocol de wijze vermeldt waarop met behulp van een berekening of meting de jaarvracht (de totale hoeveelheid van een emissie gedurende een kalenderjaar) wordt bepaald. In de toelichting op artikel 4 staat dat de emissies van NOx worden bepaald door middel van meting en dat in een uitzonderingsgeval de vaststelling van de jaarvracht (deels) plaatsvindt op basis van een berekening.
De toelichting geeft niet aan om welke uitzonderingsgevallen het gaat. De Raad adviseert daarop alsnog in de toelichting in te gaan.
4. Het voorgestelde artikel 13, derde lid, verwijst voor de continue meting van NOx-emissies naar het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: BEES A). Volgens de toelichting wordt gedoeld op het BEES A zoals dat komt te luiden nadat het gewijzigd is ter implementatie van de LCP-richtlijn.(zie noot 2) Verwacht wordt dat deze wijziging medio februari 2005 in werking zal treden. Het ontwerpbesluit dat die wijziging regelt, is thans aanhangig bij de Raad (no.W08.04.0506/V).
De Raad beveelt aan in de toelichting aan te geven of de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit op de inwerkingtreding van het gewijzigde BEES A zal wachten en of dit tot vertraging van de aanvang van de handel in NOx-emissierechten zal leiden. Indien niet wordt gewacht op de wijziging en te voorzien is dat eerder wordt gestart met de handel, dient het ontwerpbesluit in een overgangsregeling te voorzien.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W08.04.0507/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel I, onder C, na "artikel 4" invoegen: , eerste lid,.
- In artikel I, onder D, artikel 10, de definitie van brandstof laten vervallen, aangezien dit begrip niet in hoofdstuk 3 voorkomt.
Tevens de toelichting hierop in de artikelsgewijze toelichting op artikel 10 verplaatsen naar artikel 1, onderdeel f, waar dit begrip wel voorkomt.
- Gelet op het eerste lid van het voorgestelde artikel 13, in artikel I, onder D, artikel 13, tweede en derde lid, "bepaling" vervangen door: meting.
- In de artikelsgewijze toelichting op artikel 5, tweede alinea, "onder a" vervangen door: onder b.
- In de toelichting op de artikelen 15 en 16 niet spreken van bedrijven, maar van inrichtingen.
- De toelichting op de artikelen 15 en 16 aanpassen, omdat deze alleen betrekking heeft op NOx-installaties.
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 april 2005
De Raad van State maakt een aantal kanttekeningen in verband waarmee de Raad van oordeel is dat enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is, en geeft in overweging een besluit te nemen, nadat met deze kanttekeningen rekening zal zijn gehouden.
Hieronder ga ik in op het advies van de Raad van State.
1. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de nota van toelichting aangegeven waarom is gekozen voor een feitelijke emissie van ten minste 1.000 kilogram NOx per kalenderjaar als ondergrens in de definitie van NOx-procesinstallatie. Deze 1.000 kilogram is het equivalent van een minimaal vermogen van één megawatt thermisch, de ondergrens die bij NOx-verbrandingsinstallaties wordt gehanteerd. Het is om inhoudelijke redenen niet mogelijk bij procesinstallaties de ondergrens uit te drukken in een bepaald vermogen van de installatie. Aansluiten bij de productiecapaciteit van de
procesinstallatie is geen werkbaar alternatief, omdat er meer dan 20 verschillende soorten processen zijn en de ondergrens in dat geval per proces zou moeten worden gespecificeerd. Het voorstel van de Raad om de definitie van NOx-procesinstallatie aan te passen, is niet overgenomen omdat er geen alternatief voorhanden is. Overigens wordt elders in het ontwerpbesluit, te weten bij de meetvoorschriften, ook een grens gehanteerd waarbij van de feitelijke emissie wordt uitgegaan (artikel 17; artikel 13 in de aan de Raad voorgelegde versie van het ontwerpbesluit). In de praktijk blijkt deze, in feitelijke emissie uitgedrukte ondergrens overigens geen problemen op te leveren zodat voor onduidelijkheid niet hoeft te worden gevreesd. Dat desondanks in het monitoringsprotocol, naast de verwachte jaarvracht, ook de productiecapaciteit dient te worden aangegeven (artikel 16, tweede lid, onder d, van het ontwerpbesluit; artikel 12, tweede lid, onder c, in de aan de Raad voorgelegde versie), houdt verband met het verkoopplafond dat wordt berekend aan de hand van de productiecapaciteit van een NOx-procesinstallatie (artikel 19, eerste lid, onder b, van het ontwerpbesluit; artikel 15, eerste lid, onder b, in de aan de Raad voorgelegde versie).
2. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is artikel 13, vijfde lid, van het ontwerpbesluit (artikel 11, derde lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) heroverwogen. Ik heb op basis daarvan geconcludeerd, mede na overleg met de glasindustrie, dat de toepasselijkheid van het stelsel van handel in NOx-emissierechten beter op andere wijze kan worden geregeld dan door koppeling aan verlening van een gewijzigde milieuvergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Er kunnen zich namelijk situaties voordoen waarin een wijziging van de milieuvergunning niet nodig is omdat in de vergunning de revisie van de oven al is opgenomen. Om deze reden is artikel 13, vijfde lid, nu gekoppeld aan de feitelijke uitvoering van de ovenrevisie en het daarop volgende opstarten van de oven. Vijftien weken nadat de oven volgens de van de inrichting verkregen informatie wordt opgestart, valt de betrokken oven onder het systeem van handel in NOx-emissierechten. Deze datum is bekend voordat met de revisie wordt begonnen. Voordat met de daadwerkelijke revisie wordt begonnen, dient degene die de inrichting drijft, aan de emissieautoriteit de voorgenomen revisie alsmede de datum waarop de oven naar verwachting weer zal worden opgestart, door te geven (artikel 15 van het ontwerpbesluit). Indien de oven op een andere dan de gemelde datum wordt opgestart, heeft dat overigens geen gevolgen voor het tijdstip waarop de betrokken oven onder het systeem komt te vallen. Hiervoor is gekozen vanwege de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid. De boven beschreven uitgestelde werking geldt niet voor NOx-procesinstallaties waarbij na 1 januari 1994 in het kader van een grote ovenrevisie maatregelen zijn genomen om overeenkomstig de stand der techniek de emissie van NOx voor de betrokken installatie te verminderen. In het kader van het destijds geldende tweesporenbeleid heeft een deel van de glasovens NOx-reductiemaatregelen genomen, terwijl een ander deel ervoor heeft gekozen de emissies van andere stoffen te verminderen. Voor de eerste categorie is er geen reden waarom ze niet direct onder het systeem van handel in NOx-emissierechten zouden kunnen vallen. Deze uitzondering is neergelegd in artikel 13, zesde lid, van het ontwerpbesluit.
3.a. Het advies van de Raad is overgenomen. In artikel 16, eerste lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, eerste lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is bij de van overeenkomstige toepassing verklaring van bepalingen van hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten (Broeikasgasemissies) rekening gehouden met de door de Raad bedoelde wijzigingen in dat deel van dat besluit.
3.b. Het advies van de Raad is niet overgenomen. Anders dan de Raad veronderstelt, zijn in het ontwerpbesluit wel regels opgenomen voor uitbreiding of verandering van een NOx-inrichting. Artikel 16, eerste lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, eerste lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) verklaart namelijk ook artikel 4, vierde lid (nieuw), van het Besluit handel in emissierechten van overeenkomstige toepassing. Dit houdt in dat hetgeen in artikel 4, vierde lid, is geregeld met betrekking tot het uitbreiden of veranderen van een CO2-inrichting, op overeenkomstige wijze moet worden toegepast op het uitbreiden of veranderen van een NOx-inrichting. Om misverstanden over de uitleg van het ontwerpbesluit op dit punt te voorkomen, is de toelichting bij artikel 16 aangevuld.
3.c. De toelichting was op dit punt inderdaad niet duidelijk. Bedoeld was aan te geven dat, anders dan bij de monitoring van CO2, de emissie van NOx voornamelijk gemeten wordt. Naast het meten dient echter een gedeelte van de emissie van NOx te worden berekend. In een aantal gevallen is er een keuze tussen meten of berekenen. Dit is niet zozeer een uitzonderingssituatie in de zin dat alleen in bijzondere gevallen een berekening moet plaatsvinden, als wel dat bij NOx het aandeel dat wordt berekend, niet zo groot is. In de ministeriële regeling inzake de monitoring zal nader worden geregeld in welke gevallen de NOx-emissie gemeten dan wel berekend moet worden. De nota van toelichting is op dit punt verduidelijkt.
4. De wijziging van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: BEES A) waarop de Raad doelt, is inmiddels gepubliceerd (Stb. 2005, nr. 114) en ook reeds (op 7 april 2005) in werking getreden. Artikel III van het ontwerpbesluit (artikel II in de aan de Raad voorgelegde versie) is aangepast omdat er geen voorziening meer nodig is voor het geval het gewijzigde BEES A nog niet in werking zou zijn voordat dit ontwerpbesluit in werking zou treden. Om deze reden is er ook geen overgangsvoor-ziening opgenomen.
5. De redactionele kanttekeningen die de Raad met betrekking tot het ontwerpbesluit en de nota van toelichting in overweging geeft, zijn voorzover nog relevant overgenomen.
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om de volgende wijzigingen in het ontwerpbesluit aan te brengen.
a. De delegatiegrondslag in de aanhef van het ontwerpbesluit is verbreed in verband met enkele aanvullende wijzigingen in hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten.
b. Artikel I, onderdeel A, van het ontwerpbesluit is gewijzigd. De definitie van vergunning is uit artikel 1 van het Besluit handel in emissierechten geschrapt, omdat een dergelijke definitie niet in alle gevallen goed blijkt te kunnen doorwerken in de rest van het besluit. In plaats daarvan is, waar dat nog nodig was, in hoofdstuk 2 van het besluit de verwijzing naar de vergunning steeds gekoppeld aan de wetsbepaling krachtens welke die vergunning wordt verleend. In verband hiermee zijn de artikelen 3, eerste lid, 4, vierde lid (nieuw), onder a, 5, tweede lid, onder d, en 7, aanhef, aangevuld met een verwijzing naar artikel 16.5, eerste lid, Wm.
c. De definitie van NOx-verbrandingsinstallatie in voornoemd artikel 1 is meer in overeenstemming gebracht met de definitie van NOx-installatie in artikel 16.1, derde lid, Wm.
d. Aan voornoemd artikel 1 is een nieuw tweede lid toegevoegd. Daarin is aangegeven dat daar waar in hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten wordt gesproken over een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, Wm (CO2-vergunning), daaronder tevens wordt verstaan een gecombineerde vergunning (een emissievergunning die zowel CO2 als NOx omvat).
e. In de artikelen 2 en 5 van het Besluit handel in emissierechten is de verwijzing naar de bijlage aangepast. Het Besluit handel in emissierechten bevatte slecht één bijlage. Met dit ontwerpbesluit worden er drie bijlagen toegevoegd en krijgt de oorspronkelijke bijlage het opschrift: bijlage I.
f. Ter vermindering van de administratieve lasten voor bedrijven is opgenomen dat volstaan kan worden met het indienen van twee exemplaren van het monitoringsprotocol indien dat op papier wordt ingediend. Hiertoe is artikel 3 van het Besluit handel in emissierechten gewijzigd.
g. In artikel 4, eerste lid, onder b, van het Besluit handel in emissierechten is een omissie ongedaan gemaakt.
h. Artikel I, onderdeel C, van het ontwerpbesluit zoals voorgelegd aan de Raad, is geschrapt. De daarin opgenomen wijziging van artikel 4 van het Besluit handel in emissierechten is overbodig geworden door het nieuwe tweede lid van artikel 1. Verwezen wordt naar het nader rapport onder punt d.
i. De inhoud van artikel 10 in de aan de Raad voorgelegde versie is verplaatst. De definitie van brandstof is reeds bij een eerdere gelegenheid (besluit van 17 december 2004, Stb. 2004, 737) opgenomen in artikel 1 van het Besluit handel in emissierechten. De definitie van product is ook verplaatst naar voornoemd artikel 1, waarbij de werking van deze definitie is beperkt tot hoofdstuk 3 van het Besluit handel in emissierechten, gezien de specifieke betekenis van die term in het systeem van handel in NOx-emissierechten.
j. Artikel 12 van het Besluit handel in emissierechten is aangepast aan de huidige stand van zaken met betrekking tot de accreditatie van verificateurs. Op het moment dat het Besluit handel in emissierechten in werking trad (1 januari 2005), waren de onderhandelingen met de Raad van Accreditatie nog gaande. Om deze reden waren de eisen waaraan de verificateur moet voldoen, opgenomen in het Besluit handel in emissierechten en in de Regeling monitoring handel in emissierechten. Deze eisen zullen nu door de Raad van Accreditatie gesteld gaan worden aan verificateurs. In artikel 12, eerste lid, wordt nog slechts de eis gesteld dat de verklaring over het emissieverslag omtrent de juistheid van de gegevens in het emissieverslag alleen kan worden afgegeven door een verificateur die werkzaam is bij een geaccrediteerde verificatie-instelling. De Raad van Accreditatie zal pas tot het accrediteren van een verificatie-instelling overgaan indien aan de eisen die in nationaal en internationaal verband worden gesteld, wordt voldaan. De eisen die aan de verificatie-instelling worden gesteld, hebben onder meer betrekking op onafhankelijkheid, kennis van het monitoringsprotocol en opleidingseisen die aan de verificateur moeten worden gesteld.
k. Het opschrift van hoofdstuk 3 is uitgebreid. Omdat dit hoofdstuk niet alleen betrekking heeft op emissies van stikstofoxiden, maar ook op NOx-emissierechten (waaronder de berekening daarvan en het verkoopplafond), is die laatste term in het opschrift verwerkt.
l. De verdeling van hoofdstuk 3 in paragrafen is ongedaan gemaakt. Een dergelijke verdeling is, gezien het relatief geringe aantal artikelen, voor de toegankelijkheid van de regeling bij nader inzien niet nodig. Het ontwerpbesluit is op dit punt in overeenstemming gebracht met hoofdstuk 2 van het Besluit handel in emissierechten (Broeikasgasemissies).
m. De tekst van artikel 16, vierde lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, vierde lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is verplaatst naar artikel 4, derde lid. Daarnaast is de bepaling aangescherpt door niet in algemene zin naar hoofdstuk 3 te verwijzen, maar naar het artikel dat de inhoud van het monitoringsprotocol bepaalt (artikel 16).
n. Aan artikel 13, eerste lid, van het ontwerpbesluit (artikel 11, eerste lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is een nieuw onderdeel toegevoegd. Indien zich in een inrichting zowel NOx-procesinstallaties als NOx-verbrandingsinstallaties bevinden, was niet voldoende duidelijk dat ook de NOx-verbrandingsinstallaties die een opgesteld vermogen van minder dan 20 megawatt thermisch hadden, onder het systeem van handel in NOx-emissierechten vielen. Deze omissie is hiermee ongedaan gemaakt.
o. In artikel 13 van het ontwerpbesluit (artikel 11 in de aan de Raad voorgelegde versie) zijn twee nieuwe leden (derde en vierde lid) ingevoegd, waarin de zogenaamde opt-out is opgenomen. Deze mogelijkheid voor kleinere inrichtingen die aan bepaalde criteria voldoen, om op verzoek buiten het systeem van handel in NOx-emissierechten te blijven, is tijdens de behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de invoering van een systeem van handel in emissie-rechten met het oog op het beperken van de emissies van stikstofoxiden (handel in NOx-emissierechten) (Kamerstukken I 2004/05, 29 766, nr. A) toegezegd aan de Tweede Kamer. Verwezen wordt naar Handelingen II 2004/05, blz. 32-2157, en mijn brief van 10 december 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 29 766, nr. 12, blz. 3). Naast voornoemd artikel 13, derde en vierde lid, waarin de uitzondering op de werkingssfeer van het systeem is neergelegd, is in een nieuw artikel 14 het verzoek om een opt-out te verkrijgen, geregeld.
p. In artikel 16, tweede lid, van het ontwerpbesluit (artikel 12, tweede lid, in de aan de Raad voorgelegde versie) is een onderdeel c ingevoegd, waarin is bepaald dat in het monitorings-protocol ook de verwachte NOx-jaarvracht van elke zich in de inrichting bevindende NOx-procesinstallatie moet worden vermeld.
q. In artikel 18 van het ontwerpbesluit (artikel 14 in de aan de Raad voorgelegde versie) is "energie" vervangen door: brandstof. Het ontwerpbesluit is hiermee op dit punt in overeen-stemming gebracht met het wetsvoorstel handel in NOx-emissierechten.
r. Er is een nieuw artikel II opgenomen met betrekking tot verzoeken om een opt-out die voor de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit zijn ingediend. De stappen die voor dat tijdstip met betrekking tot de voorbereiding van de beslissing op een dergelijk verzoek hebben plaatsgevonden, worden hiermee gedekt.
Verder is van de gelegenheid gebruikgemaakt om het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal punten technisch en redactioneel te verduidelijken.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Kamerstukken II 2004/05, 29 766, nr. 2.
(2) Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEG L 309).