Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gezagsregisters, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.03.0454/I
- Datum advies
- 12 december 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 juni 2004, nr 106
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gezagsregisters, met nota van toelichting.
Een aantal wijzigingen in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) inzake de voorziening betreffende het gezag en de onderliggende rechtsverhouding tussen ouders en kinderen (familierechtelijke betrekking) noopt tot daarmee overeenstemmende aanpassing van de aantekeningen die in de registers worden geplaatst.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen, in verband waarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Relatie met de Wet bescherming persoonsgegevens
Het op artikel 1:244 BW gebaseerde Besluit gezagsregisters (hierna: het Besluit) bepaalt welke beslissingen inzake het gezag over minderjarige kinderen dienen te worden aangetekend in de bij de rechtbanken berustende openbare registers. Gezien de totstandkomingsdatum van het Besluit - 1969 - acht de Raad het van belang dat in de nota van toelichting uitvoeriger wordt ingegaan op de vraag of het Besluit op het punt van de openbaarheid in overeenstemming is met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), die op 1 september 2001 in werking is getreden. De nota van toelichting merkt naar aanleiding van de voorgestelde wijziging van artikel 10, eerste lid, slechts op dat het Besluit een openbaar register betreft dat in principe voor eenieder toegankelijk is. Een specifiek belang behoeft niet te worden aangetoond. Voorts wordt opgemerkt dat met het oog daarop in artikel 10, eerste lid, is bepaald dat een verzoek om informatie uit het register betrekking dient te hebben op een bepaalde minderjarige. Het mag met andere woorden niet gaan om een zogeheten bulkbevraging. De Raad adviseert toe te lichten hoe deze passage uit de nota van toelichting zich verhoudt tot de wettelijke plicht te voorzien in passende waarborgen jegens de betrokkene zoals die in het bijzonder tot uitdrukking komt in de artikelen 9 en 11 juncto artikel 15 Wbp.
2. Te ruime bevoegdheid tot aantekening in het register
Volgens de voorgestelde toevoeging aan artikel 2, eerste lid, onderdeel d, wordt in een gezagsregister, behalve op grond van enkele genoemde bepalingen van het BW, ook aantekening gehouden van maatregelen van voorlopige voogdij op grond van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen, op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie "alsmede op grond van enige andere wet". Volgens de nota van toelichting zijn de laatstgenoemde woorden opgenomen met het oog op mogelijke toekomstige specifieke wetgeving op dit terrein. De Raad acht
evenwel op dit moment geen noodzaak aanwezig de reikwijdte van deze bepaling met de laatstgenoemde woorden te verruimen en adviseert daarom deze woorden achterwege te laten.
3. Aantekening van een buitengerechtelijke beslissing
De in onderdeel C voorgestelde wijziging van artikel 8 strekt ertoe dat niet alleen een gerechtelijke beslissing maar ook een buitengerechtelijke beslissing aangetekend moet worden. In de toelichting op dit onderdeel wordt als voorbeeld van een buitengerechtelijke beslissing in het bijzonder genoemd het geval van artikel 1:252 BW. Niet duidelijk is of er nog andere buitengerechtelijke beslissingen zijn die moeten worden aangetekend. Indien dit het geval is adviseert de Raad deze in de nota van toelichting te noemen, zo niet dan ware in artikel 8, eerste lid, de buitengerechtelijke beslissing van artikel 1:252 BW uitdrukkelijk te noemen.
4. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 december 2003, no.W03.03.0454/I met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- Het algemeen deel van de nota van toelichting redigeren alsof het besluit al is vastgesteld (aanwijzing 220 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
Nader rapport (reactie op het advies) van 27 april 2004
1. Gelet op de datum van totstandkoming van het Besluit gezagsregisters
-1969- acht de Raad van State het wenselijk dat nader wordt ingegaan op de vraag of het besluit op het punt van de openbaarheid in overeenstemming is met de Wet bescherming persoonsgegevens en of er passende waarborgen zijn jegens de betrokkene.
Het gezagsregister is een bij wet ingesteld openbaar register dat tot doel heeft inzichtelijk te maken bij welke persoon of personen het gezag over een minderjarige berust in de gevallen waarin er geen gezag van rechtswege over het kind bestaat. In deze gevallen wordt namelijk in het gezag over de minderjarige voorzien door middel van een rechterlijke beslissing, dan wel bij buiten huwelijk c.q. geregistreerd partnerschap geboren kinderen, door middel van een aantekening in het register door de griffier.
Het is van belang dat een ieder zich ervan kan vergewissen bij wie het gezag over een minderjarige berust. Deze persoon of personen treden namelijk op als wettelijk vertegenwoordiger(s) van de minderjarige en zijn ook verantwoordelijk voor diens gedrag. Zij kunnen bijvoorbeeld wanneer het kind schade veroorzaakt, hiervoor aansprakelijk worden gesteld.
Uiteraard dient er ook zorgvuldig te worden omgegaan met de persoonsgegevens van de in het register opgenomen minderjarigen.
Het register dient te voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden in de richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) en in de daaruit voortvloeiende Wet bescherming persoonsgegevens ten aanzien van de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Dat brengt met zich dat de betrokkene passende waarborgen geboden dienen te worden ten aanzien van de verwerking van diens persoonsgegevens. Deze waarborgen vinden hun concretisering in het feit dat in het register alleen die gegevens opgenomen en vervolgens daaruit verstrekt worden die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het doel waarvoor het register is ingesteld. Voorts is te dien einde aan artikel 10, eerste lid, van het besluit nog toegevoegd dat een verzoek om informatie uit het register betrekking dient te hebben op een bepaalde minderjarige. Dat betekent dat deze in het verzoek specifiek dient te worden aangeduid, hetgeen geschiedt door vermelding van de naam en de geboortedatum van het desbetreffende kind. Dit geldt zowel voor inzage in het register als voor de verkrijging van een uittreksel uit het register. Op deze wijze wordt ondubbelzinnig vastgelegd dat bevraging van het register in algemene zin, bijvoorbeeld over alle minderjarigen die op een bepaalde datum geboren zijn of in een bepaalde stad woonachtig zijn (een zogeheten bulkbevraging) niet mogelijk is. Hiermee wordt voldaan aan de normen in de artikelen 9, eerste lid en 11, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
De Raad verwijst in zijn advies ook naar artikel 15 van de Wet bescherming persoonsgegevens, inhoudende dat de verantwoordelijke ervoor dient te zorgen dat de voormelde bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens worden nageleefd. Dat betekent voor de gevallen die door het besluit bestreken worden, dat de griffier en de hem voor de uitvoering van zijn werkzaamheden ter beschikking staande organisatie verantwoordelijk zijn voor de naleving van de normen die in de Wet bescherming persoonsgegevens zijn vervat en voor de normen die het besluit op dit punt bevat.
De nota van toelichting is overeenkomstig het voorgaande aangevuld.
2. De Raad meent dat door de toevoeging "alsmede op grond van enige andere wet" aan artikel 2, eerste lid, onderdeel d, de bevoegdheid tot aantekening in het register te ruim is geformuleerd. De formulering is opgenomen teneinde te voorkomen dat het besluit gezagsregisters bij elke relevante wettelijke wijziging waarbij in de maatregel van voorlopige voogdij buiten het Burgerlijk Wetboek zou worden voorzien en die slechts de verwijzing naar één bepaling zou kunnen betreffen, telkenmale dient te worden gewijzigd.
Om deze reden meen ik, anders dan de Raad van State, dat het zinvol is de zinsnede in kwestie te handhaven.
3. Aangezien thans alleen in het geval van artikel 252, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek sprake is van een buitengerechtelijke beslissing inzake het gezag over een minderjarige, is overeenkomstig het advies van de Raad van State, uitdrukkelijk verwezen naar de voormelde bepaling.
4. Aan de redactionele kanttekening is uitvoering gegeven.
De gelegenheid is te baat genomen om nog een enkele onvolkomenheid te verhelpen. Aan artikel 2, eerste lid, onderdeel d, is tevens een verwijzing naar artikel 271 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toegevoegd, nu daarin wordt bepaald dat bij schorsing in de uitoefening van het gezag van de ouders, of indien het gezag bij één ouder berust, van de ouder, de rechter een voogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening belast met de voorlopige voogdij over het kind.
Verder is onder ogen gezien dat bij Wet van 23 januari 1997 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de herziening van de voorlopige maatregelen van kinderbescherming (Stb. 1997, 38) de maatregel van voorlopige toevertrouwing van een minderjarige aan de Raad voor de kinderbescherming op bevel van de officier van justitie is vervangen door de voorlopige voogdij die door de rechter wordt opgedragen aan een voogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening. Teneinde artikel 8 van het besluit hiermee alsnog in overeenstemming te brengen, is daarin de verwijzing naar een bevel van de officier van justitie geschrapt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen, in verband waarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Relatie met de Wet bescherming persoonsgegevens
Het op artikel 1:244 BW gebaseerde Besluit gezagsregisters (hierna: het Besluit) bepaalt welke beslissingen inzake het gezag over minderjarige kinderen dienen te worden aangetekend in de bij de rechtbanken berustende openbare registers. Gezien de totstandkomingsdatum van het Besluit - 1969 - acht de Raad het van belang dat in de nota van toelichting uitvoeriger wordt ingegaan op de vraag of het Besluit op het punt van de openbaarheid in overeenstemming is met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), die op 1 september 2001 in werking is getreden. De nota van toelichting merkt naar aanleiding van de voorgestelde wijziging van artikel 10, eerste lid, slechts op dat het Besluit een openbaar register betreft dat in principe voor eenieder toegankelijk is. Een specifiek belang behoeft niet te worden aangetoond. Voorts wordt opgemerkt dat met het oog daarop in artikel 10, eerste lid, is bepaald dat een verzoek om informatie uit het register betrekking dient te hebben op een bepaalde minderjarige. Het mag met andere woorden niet gaan om een zogeheten bulkbevraging. De Raad adviseert toe te lichten hoe deze passage uit de nota van toelichting zich verhoudt tot de wettelijke plicht te voorzien in passende waarborgen jegens de betrokkene zoals die in het bijzonder tot uitdrukking komt in de artikelen 9 en 11 juncto artikel 15 Wbp.
2. Te ruime bevoegdheid tot aantekening in het register
Volgens de voorgestelde toevoeging aan artikel 2, eerste lid, onderdeel d, wordt in een gezagsregister, behalve op grond van enkele genoemde bepalingen van het BW, ook aantekening gehouden van maatregelen van voorlopige voogdij op grond van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen, op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie "alsmede op grond van enige andere wet". Volgens de nota van toelichting zijn de laatstgenoemde woorden opgenomen met het oog op mogelijke toekomstige specifieke wetgeving op dit terrein. De Raad acht
evenwel op dit moment geen noodzaak aanwezig de reikwijdte van deze bepaling met de laatstgenoemde woorden te verruimen en adviseert daarom deze woorden achterwege te laten.
3. Aantekening van een buitengerechtelijke beslissing
De in onderdeel C voorgestelde wijziging van artikel 8 strekt ertoe dat niet alleen een gerechtelijke beslissing maar ook een buitengerechtelijke beslissing aangetekend moet worden. In de toelichting op dit onderdeel wordt als voorbeeld van een buitengerechtelijke beslissing in het bijzonder genoemd het geval van artikel 1:252 BW. Niet duidelijk is of er nog andere buitengerechtelijke beslissingen zijn die moeten worden aangetekend. Indien dit het geval is adviseert de Raad deze in de nota van toelichting te noemen, zo niet dan ware in artikel 8, eerste lid, de buitengerechtelijke beslissing van artikel 1:252 BW uitdrukkelijk te noemen.
4. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 december 2003, no.W03.03.0454/I met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- Het algemeen deel van de nota van toelichting redigeren alsof het besluit al is vastgesteld (aanwijzing 220 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
Nader rapport (reactie op het advies) van 27 april 2004
1. Gelet op de datum van totstandkoming van het Besluit gezagsregisters
-1969- acht de Raad van State het wenselijk dat nader wordt ingegaan op de vraag of het besluit op het punt van de openbaarheid in overeenstemming is met de Wet bescherming persoonsgegevens en of er passende waarborgen zijn jegens de betrokkene.
Het gezagsregister is een bij wet ingesteld openbaar register dat tot doel heeft inzichtelijk te maken bij welke persoon of personen het gezag over een minderjarige berust in de gevallen waarin er geen gezag van rechtswege over het kind bestaat. In deze gevallen wordt namelijk in het gezag over de minderjarige voorzien door middel van een rechterlijke beslissing, dan wel bij buiten huwelijk c.q. geregistreerd partnerschap geboren kinderen, door middel van een aantekening in het register door de griffier.
Het is van belang dat een ieder zich ervan kan vergewissen bij wie het gezag over een minderjarige berust. Deze persoon of personen treden namelijk op als wettelijk vertegenwoordiger(s) van de minderjarige en zijn ook verantwoordelijk voor diens gedrag. Zij kunnen bijvoorbeeld wanneer het kind schade veroorzaakt, hiervoor aansprakelijk worden gesteld.
Uiteraard dient er ook zorgvuldig te worden omgegaan met de persoonsgegevens van de in het register opgenomen minderjarigen.
Het register dient te voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden in de richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) en in de daaruit voortvloeiende Wet bescherming persoonsgegevens ten aanzien van de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Dat brengt met zich dat de betrokkene passende waarborgen geboden dienen te worden ten aanzien van de verwerking van diens persoonsgegevens. Deze waarborgen vinden hun concretisering in het feit dat in het register alleen die gegevens opgenomen en vervolgens daaruit verstrekt worden die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het doel waarvoor het register is ingesteld. Voorts is te dien einde aan artikel 10, eerste lid, van het besluit nog toegevoegd dat een verzoek om informatie uit het register betrekking dient te hebben op een bepaalde minderjarige. Dat betekent dat deze in het verzoek specifiek dient te worden aangeduid, hetgeen geschiedt door vermelding van de naam en de geboortedatum van het desbetreffende kind. Dit geldt zowel voor inzage in het register als voor de verkrijging van een uittreksel uit het register. Op deze wijze wordt ondubbelzinnig vastgelegd dat bevraging van het register in algemene zin, bijvoorbeeld over alle minderjarigen die op een bepaalde datum geboren zijn of in een bepaalde stad woonachtig zijn (een zogeheten bulkbevraging) niet mogelijk is. Hiermee wordt voldaan aan de normen in de artikelen 9, eerste lid en 11, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
De Raad verwijst in zijn advies ook naar artikel 15 van de Wet bescherming persoonsgegevens, inhoudende dat de verantwoordelijke ervoor dient te zorgen dat de voormelde bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens worden nageleefd. Dat betekent voor de gevallen die door het besluit bestreken worden, dat de griffier en de hem voor de uitvoering van zijn werkzaamheden ter beschikking staande organisatie verantwoordelijk zijn voor de naleving van de normen die in de Wet bescherming persoonsgegevens zijn vervat en voor de normen die het besluit op dit punt bevat.
De nota van toelichting is overeenkomstig het voorgaande aangevuld.
2. De Raad meent dat door de toevoeging "alsmede op grond van enige andere wet" aan artikel 2, eerste lid, onderdeel d, de bevoegdheid tot aantekening in het register te ruim is geformuleerd. De formulering is opgenomen teneinde te voorkomen dat het besluit gezagsregisters bij elke relevante wettelijke wijziging waarbij in de maatregel van voorlopige voogdij buiten het Burgerlijk Wetboek zou worden voorzien en die slechts de verwijzing naar één bepaling zou kunnen betreffen, telkenmale dient te worden gewijzigd.
Om deze reden meen ik, anders dan de Raad van State, dat het zinvol is de zinsnede in kwestie te handhaven.
3. Aangezien thans alleen in het geval van artikel 252, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek sprake is van een buitengerechtelijke beslissing inzake het gezag over een minderjarige, is overeenkomstig het advies van de Raad van State, uitdrukkelijk verwezen naar de voormelde bepaling.
4. Aan de redactionele kanttekening is uitvoering gegeven.
De gelegenheid is te baat genomen om nog een enkele onvolkomenheid te verhelpen. Aan artikel 2, eerste lid, onderdeel d, is tevens een verwijzing naar artikel 271 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toegevoegd, nu daarin wordt bepaald dat bij schorsing in de uitoefening van het gezag van de ouders, of indien het gezag bij één ouder berust, van de ouder, de rechter een voogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening belast met de voorlopige voogdij over het kind.
Verder is onder ogen gezien dat bij Wet van 23 januari 1997 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de herziening van de voorlopige maatregelen van kinderbescherming (Stb. 1997, 38) de maatregel van voorlopige toevertrouwing van een minderjarige aan de Raad voor de kinderbescherming op bevel van de officier van justitie is vervangen door de voorlopige voogdij die door de rechter wordt opgedragen aan een voogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening. Teneinde artikel 8 van het besluit hiermee alsnog in overeenstemming te brengen, is daarin de verwijzing naar een bevel van de officier van justitie geschrapt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie