Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit Nieuwe voedingsmiddelen in verband met de verordeningen (EG) 1829/2003 en 1830/2003, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W13.04.0049/III
- Datum advies
- 23 maart 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 mei 2004, nr 89
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit Nieuwe voedingsmiddelen in verband met de verordeningen (EG) 1829/2003 en 1830/2003, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 3 februari 2004, no.04.000409, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit Nieuwe voedingsmiddelen in verband met de verordeningen (EG) 1829/2003 en 1830/2003, met nota van toelichting.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de verhouding van de verordeningen tot een akkoord van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
Verordeningen versus WTO-akkoord
De Raad wijst op de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen van de WTO (hierna: TBT-akkoord).(zie noot 1) Artikel 2, tweede lid van dit verdrag verplicht Lidstaten te verzekeren dat technische maatregelen niet worden opgesteld, aangenomen of toegepast met het doel onnodige belemmeringen voor de internationale handel te creëren en dat zij niet leiden tot het ontstaan van dergelijke belemmeringen. Technische voorschriften mogen daartoe niet meer beperkingen voor het handelsverkeer inhouden dan nodig is om een legitiem doel te bereiken, rekening houdend met de risico’s die aan het niet bereiken van dat doel verbonden zijn.
Een aantal landen heeft gedurende de afgelopen jaren bij de WTO bezwaren opgeworpen tegen Europese wetgeving inzake genetische gemodificeerde organismen. Ook tegen de verordeningen die in dit besluit aan de orde zijn heeft een aantal landen bij de WTO bezwaren aangetekend toen deze verordeningen nog in een ontwerpstadium waren. De WTO heeft daarop nog niet beslist. In het onderhavige ontwerpbesluit wordt een aantal gedragsnormen uit de verordening aangewezen als strafbaar of beboetbaar feit. In de toelichting wordt niet ingegaan op het beleid inzake de handhaving van deze gedragsnormen, terwijl algemeen bekend is dat er bezwaren als hiervoor bedoeld tegen de verordeningen zijn ingebracht. De toelichting zou daarom dienen aan te geven op welke wijze in Nederland de handhaving van de in het ontwerpbesluit voorgestelde verboden vorm zal krijgen. Daarbij dient in het bijzonder te worden ingegaan op de handhaving van artikel 13, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1829/2003.
Dat tweede lid van deze bepaling verplicht onder b) om de kenmerken of eigenschappen zoals aangegeven in de vergunning te vermelden, wanneer een levensmiddel aanleiding kan geven tot ethische of religieuze bezwaren.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 31 maart 2004
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de verhouding van de verordeningen tot een akkoord van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Hieronder wordt ingegaan op de opmerking van de Raad.
Beide verordeningen zijn pas vastgesteld en gepubliceerd nadat de Europese Gemeenschappen hebben voldaan aan artikel 2 van het TBT-akkoord. Anders dan de Raad meent, zijn na de vaststelling en de publicatie van beide verordeningen tot op heden geen bezwaren meer ingebracht tegen beide verordeningen. Wel loopt in het verband van de WTO een procedure tegen het de facto moratorium dat de Europese Unie sinds oktober 1998 heeft toegepast op de toelating van producten die zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde organismen, maar die procedure staat los van beide verordeningen. De suggestie van de Raad is daarom niet overgenomen.
Ik moge U hierbij, in overeenstemming met mijn ambtgenoten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken, het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Trb. Jaargang 1995, Nr. 130, blz. 136 en verder.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de verhouding van de verordeningen tot een akkoord van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
Verordeningen versus WTO-akkoord
De Raad wijst op de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen van de WTO (hierna: TBT-akkoord).(zie noot 1) Artikel 2, tweede lid van dit verdrag verplicht Lidstaten te verzekeren dat technische maatregelen niet worden opgesteld, aangenomen of toegepast met het doel onnodige belemmeringen voor de internationale handel te creëren en dat zij niet leiden tot het ontstaan van dergelijke belemmeringen. Technische voorschriften mogen daartoe niet meer beperkingen voor het handelsverkeer inhouden dan nodig is om een legitiem doel te bereiken, rekening houdend met de risico’s die aan het niet bereiken van dat doel verbonden zijn.
Een aantal landen heeft gedurende de afgelopen jaren bij de WTO bezwaren opgeworpen tegen Europese wetgeving inzake genetische gemodificeerde organismen. Ook tegen de verordeningen die in dit besluit aan de orde zijn heeft een aantal landen bij de WTO bezwaren aangetekend toen deze verordeningen nog in een ontwerpstadium waren. De WTO heeft daarop nog niet beslist. In het onderhavige ontwerpbesluit wordt een aantal gedragsnormen uit de verordening aangewezen als strafbaar of beboetbaar feit. In de toelichting wordt niet ingegaan op het beleid inzake de handhaving van deze gedragsnormen, terwijl algemeen bekend is dat er bezwaren als hiervoor bedoeld tegen de verordeningen zijn ingebracht. De toelichting zou daarom dienen aan te geven op welke wijze in Nederland de handhaving van de in het ontwerpbesluit voorgestelde verboden vorm zal krijgen. Daarbij dient in het bijzonder te worden ingegaan op de handhaving van artikel 13, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1829/2003.
Dat tweede lid van deze bepaling verplicht onder b) om de kenmerken of eigenschappen zoals aangegeven in de vergunning te vermelden, wanneer een levensmiddel aanleiding kan geven tot ethische of religieuze bezwaren.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 31 maart 2004
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de verhouding van de verordeningen tot een akkoord van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Hieronder wordt ingegaan op de opmerking van de Raad.
Beide verordeningen zijn pas vastgesteld en gepubliceerd nadat de Europese Gemeenschappen hebben voldaan aan artikel 2 van het TBT-akkoord. Anders dan de Raad meent, zijn na de vaststelling en de publicatie van beide verordeningen tot op heden geen bezwaren meer ingebracht tegen beide verordeningen. Wel loopt in het verband van de WTO een procedure tegen het de facto moratorium dat de Europese Unie sinds oktober 1998 heeft toegepast op de toelating van producten die zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde organismen, maar die procedure staat los van beide verordeningen. De suggestie van de Raad is daarom niet overgenomen.
Ik moge U hierbij, in overeenstemming met mijn ambtgenoten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken, het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Trb. Jaargang 1995, Nr. 130, blz. 136 en verder.