Ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met richtlijn nr. 2000/34/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van mobiele werknemers, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.04.0354/V
- Datum advies
- 28 september 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 7
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met richtlijn nr. 2000/34/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van mobiele werknemers, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 19 juli 2004, no.04.002867, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met richtlijn nr. 2000/34/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van mobiele werknemers, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit betreft enkele wijzigingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met richtlijn nr. 2000/34/EG.(zie noot 1) In deze richtlijn zijn onder andere minimumnormen vastgesteld voor de arbeids- en rusttijden voor alle werknemers in de vervoerssector voor wie geen afzonderlijke richtlijnen van kracht zijn. Het gaat in dit verband om werknemers in bepaalde onderdelen van het wegvervoer, in de binnenvaart en in de zeevisserij.
De Raad van State maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Handhaving
In paragraaf 3 van het algemene deel van de toelichting wordt geconstateerd dat in de binnenvaart, zowel onder ondernemingen als onder het personeel, nauwelijks tot geen draagvlak bestaat voor arbeidstijdbeperkende regelgeving. De regering geeft aan dat dit een stevige druk legt op het te verwachten nalevingsgedrag en daarmee op de handhavende instanties, en dat de bewijsvoering van overtredingen om technische redenen lastig is en al snel in conflict komt met de privacywetgeving. Er wordt echter geen aandacht besteed aan de aanpak van deze problemen.
De Raad acht handhaving van groot belang, te meer daar het hier gaat om implementatie van regels die strekken tot bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers op de werkplek.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de wijze waarop de naleving en de handhaving van deze regels in de binnenvaart en, voorzover daar sprake is van een overeenkomstig handhavingsprobleem, in de andere sectoren waarop dit besluit betrekking heeft, zullen worden verbeterd.
2. Vrijstelling en ontheffing
Het voorgelegde artikel 6A.3:2 bepaalt dat de minister ontheffing kan verlenen van enkele verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 6A.2:2 en 6A.2:4, dat hij aan een ontheffing voorschriften kan verbinden, alsmede dat hij vrijstelling kan verlenen van de in artikel 6A.2:3 opgenomen verplichting.
De noodzaak van een ontheffingsmogelijkheid is niet toegelicht; evenmin is duidelijk wat voor voorschriften aan een ontheffing kunnen worden verbonden. In zoverre behoeft de toelichting aanvulling. Daar komt bij dat ontheffingen naar hun aard slechts in uitzonderlijke gevallen zullen kunnen worden verleend. Daarom is het van belang dat in de toelichting wordt uiteengezet aan wat voor soort gevallen daarbij kan worden gedacht. Voorzover dat mogelijk is, zou de ontheffingsbevoegdheid, die thans geheel discretionair is, ook enigszins moeten worden genormeerd in artikel 6A.3:2, eerste lid.
De toelichting op het artikel zegt wel iets over de vrijstellingsmogelijkheid en over de gevallen waarin vrijstelling zal kunnen worden verleend. Naar het oordeel van de Raad kunnen de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, in artikel 6A.3:2, derde lid, een plaats krijgen. Daarmee zou ook daar de (thans) discretionaire bevoegdheid worden genormeerd en de rechtszekerheid worden gediend.
De Raad adviseert tot aanpassing van artikel 6A.3:2 en de toelichting daarop.
3. Implementatie
De implementatie van richtlijn nr. 2000/34/EG had uiterlijk op 1 augustus 2003 plaats moeten vinden. In de toelichting wordt niet aangegeven wat de gevolgen daarvan zijn. Dit is des te belangrijker, nu uit de toelichting valt af te leiden dat voor de naleving van arbeidstijdbeperkende maatregelen in de betreffende sectoren nauwelijks draagvlak bestaat.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de eventuele gevolgen van de te late implementatie.
4. Strafbaarstelling
In het ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit en het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de invoering van de bestuurlijke boete wordt voorgesteld alle strafbaarstellingen in het Arbeidstijdenbesluit vervoer te vervangen door beboetbaarstellingen.(zie noot 2) In artikel I, onderdelen M en N, van het ontwerpbesluit wordt echter voorgesteld een artikel over strafbaarstelling in te voegen onderscheidenlijk te wijzigen.
De Raad adviseert beide wijzigingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer op elkaar af te stemmen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W09.04.0354/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- Artikel I, onderdeel K: In artikel 6A.1:2 "omstandigheden, inherent aan de visserij," vervangen door: omstandigheden inherent aan de visserij.
- Artikel I, onderdeel K: In artikel 6A.3:2, derde lid, "het bepaalde in" laten vervallen (Ar 52).
- Artikel I, onderdeel M: In artikel 8:3A "artikel 5.5:6, derde lid" vervangen door: artikel 5.5:6, tweede lid.
Nota van toelichting
- Artikel I, onderdeel D: In de toelichting op artikel 5.2:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer "Om die reden is in artikel 5.2:2 bepaald" vervangen door: Om die reden is in artikel 5.5:6, eerste lid, bepaald.
- Artikel 6A.1:3 (nieuw) voorzien van een toelichting.
- De transponeringstabel en de ondertekening van de toelichting omwisselen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 december 2004
1. In het algemeen deel van de toelichting is in paragraaf 3, binnenvaart, het onderdeel handhaving vervangen. Er wordt nu uiteengezet dat de vertegenwoordigers van de sector in het Deelorgaan binnenvaart van het Overlegorgaan goederenvervoer onderkennen dat er een nauwe relatie is tussen de arbeids- en rusttijden en de voorschriften ten aanzien van de vaartijden en bemanningssterkte, en dat zij tevens van mening zijn dat de handhaving van de voorschriften op het gebied van arbeids- en rusttijden thans onvoldoende is. Mede naar aanleiding daarvan zal de problematiek van de handhaving aan de orde worden gesteld in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
2. Aan de toelichting bij artikel 6A.3:2 is een passage toegevoegd waarin wordt toegelicht dat de ontheffingsmogelijkheid overeenkomt met artikel 6.7:2, eerste lid, van hoofdstuk 6 inzake de zeevaart en dat deze berust op artikel 17ter, zesde lid, van richtlijn nr. 2000/34/EG. Van een normering van de ontheffingsbevoegdheid is afgezien omdat het overeenkomstige artikel 6.6:2 evenmin is genormeerd en de toelichting op dit punt voldoende duidelijkheid biedt.
Om een soortgelijke reden is ook afgezien van een normering van de vrijstellingsmogelijkheid. De toelichting geeft voldoende weer wat de bedoeling is van die mogelijkheid en onder welke omstandigheden daarvan gebruik zal worden gemaakt.
3. Reeds vóór de totstandkoming van de richtlijn is met de betrokken sectoren overleg gevoerd over de gevolgen ervan. Daarbij bleken de belangrijkste knelpunten te zijn de invoering van de 48-urige werkweek voor de sector binnenvaart en de introductie van rusttijden en een maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur voor de zeevisserij. De sectoren hebben dus ruim de tijd gehad om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden. Totdat de richtlijn was geïmplementeerd, was naleving ervan nog vrijwillig. Nu de richtlijn is omgezet in wetgeving is toezicht en handhaving van de normen van de richtlijn mogelijk.
4. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn aangepast aan de Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet.
5. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn in het ontwerpbesluit verwerkt.
Ik moge U hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Richtlijn nr. 2000/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 2000 (PbEG L 195) tot wijziging van Richtlijn 93/104/EG van de Raad betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken.
(2) Dit ontwerpbesluit is bij Kabinetsmissive van 16 juli 2004, no.04.002832, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt.
Het ontwerpbesluit betreft enkele wijzigingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met richtlijn nr. 2000/34/EG.(zie noot 1) In deze richtlijn zijn onder andere minimumnormen vastgesteld voor de arbeids- en rusttijden voor alle werknemers in de vervoerssector voor wie geen afzonderlijke richtlijnen van kracht zijn. Het gaat in dit verband om werknemers in bepaalde onderdelen van het wegvervoer, in de binnenvaart en in de zeevisserij.
De Raad van State maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Handhaving
In paragraaf 3 van het algemene deel van de toelichting wordt geconstateerd dat in de binnenvaart, zowel onder ondernemingen als onder het personeel, nauwelijks tot geen draagvlak bestaat voor arbeidstijdbeperkende regelgeving. De regering geeft aan dat dit een stevige druk legt op het te verwachten nalevingsgedrag en daarmee op de handhavende instanties, en dat de bewijsvoering van overtredingen om technische redenen lastig is en al snel in conflict komt met de privacywetgeving. Er wordt echter geen aandacht besteed aan de aanpak van deze problemen.
De Raad acht handhaving van groot belang, te meer daar het hier gaat om implementatie van regels die strekken tot bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers op de werkplek.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de wijze waarop de naleving en de handhaving van deze regels in de binnenvaart en, voorzover daar sprake is van een overeenkomstig handhavingsprobleem, in de andere sectoren waarop dit besluit betrekking heeft, zullen worden verbeterd.
2. Vrijstelling en ontheffing
Het voorgelegde artikel 6A.3:2 bepaalt dat de minister ontheffing kan verlenen van enkele verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 6A.2:2 en 6A.2:4, dat hij aan een ontheffing voorschriften kan verbinden, alsmede dat hij vrijstelling kan verlenen van de in artikel 6A.2:3 opgenomen verplichting.
De noodzaak van een ontheffingsmogelijkheid is niet toegelicht; evenmin is duidelijk wat voor voorschriften aan een ontheffing kunnen worden verbonden. In zoverre behoeft de toelichting aanvulling. Daar komt bij dat ontheffingen naar hun aard slechts in uitzonderlijke gevallen zullen kunnen worden verleend. Daarom is het van belang dat in de toelichting wordt uiteengezet aan wat voor soort gevallen daarbij kan worden gedacht. Voorzover dat mogelijk is, zou de ontheffingsbevoegdheid, die thans geheel discretionair is, ook enigszins moeten worden genormeerd in artikel 6A.3:2, eerste lid.
De toelichting op het artikel zegt wel iets over de vrijstellingsmogelijkheid en over de gevallen waarin vrijstelling zal kunnen worden verleend. Naar het oordeel van de Raad kunnen de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, in artikel 6A.3:2, derde lid, een plaats krijgen. Daarmee zou ook daar de (thans) discretionaire bevoegdheid worden genormeerd en de rechtszekerheid worden gediend.
De Raad adviseert tot aanpassing van artikel 6A.3:2 en de toelichting daarop.
3. Implementatie
De implementatie van richtlijn nr. 2000/34/EG had uiterlijk op 1 augustus 2003 plaats moeten vinden. In de toelichting wordt niet aangegeven wat de gevolgen daarvan zijn. Dit is des te belangrijker, nu uit de toelichting valt af te leiden dat voor de naleving van arbeidstijdbeperkende maatregelen in de betreffende sectoren nauwelijks draagvlak bestaat.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de eventuele gevolgen van de te late implementatie.
4. Strafbaarstelling
In het ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit en het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de invoering van de bestuurlijke boete wordt voorgesteld alle strafbaarstellingen in het Arbeidstijdenbesluit vervoer te vervangen door beboetbaarstellingen.(zie noot 2) In artikel I, onderdelen M en N, van het ontwerpbesluit wordt echter voorgesteld een artikel over strafbaarstelling in te voegen onderscheidenlijk te wijzigen.
De Raad adviseert beide wijzigingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer op elkaar af te stemmen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W09.04.0354/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- Artikel I, onderdeel K: In artikel 6A.1:2 "omstandigheden, inherent aan de visserij," vervangen door: omstandigheden inherent aan de visserij.
- Artikel I, onderdeel K: In artikel 6A.3:2, derde lid, "het bepaalde in" laten vervallen (Ar 52).
- Artikel I, onderdeel M: In artikel 8:3A "artikel 5.5:6, derde lid" vervangen door: artikel 5.5:6, tweede lid.
Nota van toelichting
- Artikel I, onderdeel D: In de toelichting op artikel 5.2:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer "Om die reden is in artikel 5.2:2 bepaald" vervangen door: Om die reden is in artikel 5.5:6, eerste lid, bepaald.
- Artikel 6A.1:3 (nieuw) voorzien van een toelichting.
- De transponeringstabel en de ondertekening van de toelichting omwisselen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 december 2004
1. In het algemeen deel van de toelichting is in paragraaf 3, binnenvaart, het onderdeel handhaving vervangen. Er wordt nu uiteengezet dat de vertegenwoordigers van de sector in het Deelorgaan binnenvaart van het Overlegorgaan goederenvervoer onderkennen dat er een nauwe relatie is tussen de arbeids- en rusttijden en de voorschriften ten aanzien van de vaartijden en bemanningssterkte, en dat zij tevens van mening zijn dat de handhaving van de voorschriften op het gebied van arbeids- en rusttijden thans onvoldoende is. Mede naar aanleiding daarvan zal de problematiek van de handhaving aan de orde worden gesteld in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
2. Aan de toelichting bij artikel 6A.3:2 is een passage toegevoegd waarin wordt toegelicht dat de ontheffingsmogelijkheid overeenkomt met artikel 6.7:2, eerste lid, van hoofdstuk 6 inzake de zeevaart en dat deze berust op artikel 17ter, zesde lid, van richtlijn nr. 2000/34/EG. Van een normering van de ontheffingsbevoegdheid is afgezien omdat het overeenkomstige artikel 6.6:2 evenmin is genormeerd en de toelichting op dit punt voldoende duidelijkheid biedt.
Om een soortgelijke reden is ook afgezien van een normering van de vrijstellingsmogelijkheid. De toelichting geeft voldoende weer wat de bedoeling is van die mogelijkheid en onder welke omstandigheden daarvan gebruik zal worden gemaakt.
3. Reeds vóór de totstandkoming van de richtlijn is met de betrokken sectoren overleg gevoerd over de gevolgen ervan. Daarbij bleken de belangrijkste knelpunten te zijn de invoering van de 48-urige werkweek voor de sector binnenvaart en de introductie van rusttijden en een maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur voor de zeevisserij. De sectoren hebben dus ruim de tijd gehad om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden. Totdat de richtlijn was geïmplementeerd, was naleving ervan nog vrijwillig. Nu de richtlijn is omgezet in wetgeving is toezicht en handhaving van de normen van de richtlijn mogelijk.
4. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn aangepast aan de Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet.
5. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn in het ontwerpbesluit verwerkt.
Ik moge U hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Richtlijn nr. 2000/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 2000 (PbEG L 195) tot wijziging van Richtlijn 93/104/EG van de Raad betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken.
(2) Dit ontwerpbesluit is bij Kabinetsmissive van 16 juli 2004, no.04.002832, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt.