Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende aanwijzing van herstellingen die moeten worden aangemerkt als kleine herstellingen als bedoeld in artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit kleine herstellingen).
- Kenmerk
- W08.02.0520/V
- Datum advies
- 17 januari 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 juni 2003, nr 108
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende aanwijzing van herstellingen die moeten worden aangemerkt als kleine herstellingen als bedoeld in artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit kleine herstellingen).
Bij Kabinetsmissive van 21 november 2002, no.02.005301, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende aanwijzing van herstellingen die moeten worden aangemerkt als kleine herstellingen als bedoeld in artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit kleine herstellingen).
Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).(zie noot 1) In de bijlage bij het ontwerpbesluit worden herstellingen aangewezen die moeten worden aangemerkt als kleine herstellingen als bedoeld in artikel 240 BW.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de voorgestelde terugwerkende kracht.
In het voorgestelde artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit is bepaald dat het (ontwerp)besluit op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zal treden. In het tweede lid van artikel 2 van het ontwerpbesluit is bepaald dat dit inwerkingtredingsbesluit erin kan voorzien dat terugwerkende kracht wordt verleend aan de bepalingen van het (ontwerp)besluit. De nota van toelichting gaat niet in op de bijzondere reden voor het mogelijk verlenen van terugwerkende kracht aan de regeling.
De Raad adviseert in de toelichting te motiveren waarom en voor welke gevallen wordt voorzien in de mogelijkheid van terugwerkende kracht.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 2 april 2003
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan de opmerkingen van de Raad aandacht zal zijn geschonken.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op.
Ten tijde van het opstellen van het onderhavige ontwerpbesluit werd er vanuit gegaan dat artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de bepaling waarop dit ontwerpbesluit is gebaseerd, in ieder geval vóór het onderhavige ontwerpbesluit in werking zou treden. Alsdan zou dit ontwerpbesluit terugwerken tot en met dat tijdstip van inwerkingtreding. Nu inmiddels is gebleken dat de hiervoor geschetste situatie niet zal plaatsvinden, is artikel 2, tweede lid, van het ontwerpbesluit komen te vervallen.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Justitie, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Wet van 21 november 2002 tot vaststelling van titel 7.4 (huur) van het Burgerlijk Wetboek, Stb. 2002, 587, nog niet in werking getreden.
Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).(zie noot 1) In de bijlage bij het ontwerpbesluit worden herstellingen aangewezen die moeten worden aangemerkt als kleine herstellingen als bedoeld in artikel 240 BW.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de voorgestelde terugwerkende kracht.
In het voorgestelde artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit is bepaald dat het (ontwerp)besluit op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zal treden. In het tweede lid van artikel 2 van het ontwerpbesluit is bepaald dat dit inwerkingtredingsbesluit erin kan voorzien dat terugwerkende kracht wordt verleend aan de bepalingen van het (ontwerp)besluit. De nota van toelichting gaat niet in op de bijzondere reden voor het mogelijk verlenen van terugwerkende kracht aan de regeling.
De Raad adviseert in de toelichting te motiveren waarom en voor welke gevallen wordt voorzien in de mogelijkheid van terugwerkende kracht.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 2 april 2003
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan de opmerkingen van de Raad aandacht zal zijn geschonken.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op.
Ten tijde van het opstellen van het onderhavige ontwerpbesluit werd er vanuit gegaan dat artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de bepaling waarop dit ontwerpbesluit is gebaseerd, in ieder geval vóór het onderhavige ontwerpbesluit in werking zou treden. Alsdan zou dit ontwerpbesluit terugwerken tot en met dat tijdstip van inwerkingtreding. Nu inmiddels is gebleken dat de hiervoor geschetste situatie niet zal plaatsvinden, is artikel 2, tweede lid, van het ontwerpbesluit komen te vervallen.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Justitie, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Wet van 21 november 2002 tot vaststelling van titel 7.4 (huur) van het Burgerlijk Wetboek, Stb. 2002, 587, nog niet in werking getreden.