Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Voertuigreglement tot uitvoering van richtlijn nr. 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 tot wijziging van richtlijn nr. 92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.04.0370/V
- Datum advies
- 10 september 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 7
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Voertuigreglement tot uitvoering van richtlijn nr. 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 tot wijziging van richtlijn nr. 92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 23 juli 2004, no.04.002929, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Voertuigreglement tot uitvoering van richtlijn nr. 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 tot wijziging van richtlijn nr. 92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt tot wijziging van het Voertuigreglement in verband met implementatie van richtlijn nr.2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 tot wijziging van richtlijn nr.92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen. Het beoogt vooral de invoering van snelheidsbegrenzers voor vrachtauto’s en bussen met een nader bepaald gewicht.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een tweetal opmerkingen met betrekking tot de implementatie van artikel 1, onderdeel artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2002/85/EG. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wenselijk is.
1. Het onderdeel artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van artikel 1 van de richtlijn schrijft voor dat de in de aanhef van artikel 4, tweede lid, genoemde categorieën van voertuigen die in overeenstemming zijn met de in richtlijn 88/77/EEG vermelde grenswaarden en geregistreerd zijn tussen 1 oktober 2001 en 1 januari 2005 met ingang van 1 januari 2006 moeten voldoen aan de nieuwe eisen indien die voertuigen zowel nationaal als internationaal vervoer verzorgen en met ingang van 1 januari 2007 indien die voertuigen alleen voor nationaal vervoer worden gebruikt.
a. Het ontwerpbesluit houdt 1 januari 2006 aan voor beide categorieën voertuigen. Deze datum wordt in de toelichting gemotiveerd met een beroep op de richtlijn. Nu de richtlijn voor bepaalde voertuigen een uiterste datum van 1 januari 2007 toestaat adviseert de Raad in de toelichting nader in te gaan op de gemaakte keuze voor 1 januari 2006.
b. Zoals in de toelichting is beschreven, geldt deze bepaling voor de in de aanhef van artikel 4, tweede lid, genoemde categorieën van voertuigen die in overeenstemming zijn met de in richtlijn 88/77/EEG vermelde grenswaarden en geregistreerd zijn tussen 1 oktober 2001 en 1 januari 2005. In het ontwerpbesluit kiest de minister er echter voor om de werkingssfeer van deze bepaling uit te breiden tot die voertuigen die aan alle gestelde voorwaarden voldoen, maar die niet in overeenstemming zijn met de in richtlijn 88/77/EEG vermelde grenswaarden. Als reden hiervoor wordt gegeven dat de aanvullende eis met betrekking tot de grenswaarden in richtlijn 88/77/EEG het zeer moeilijk maakt om de retrofit daadwerkelijk uit te voeren. Het laten vervallen van deze eis, waardoor deze bepaling voor alle voertuigen die overigens aan de voorwaarden voldoen zal gelden, maakt de regeling wel uitvoerbaar, aangezien “wel makkelijk te herkennen” is of een voertuig voorzien is van een dieselmotor.
Het college merkt op dat de richtlijn de thans voorgestelde afwijking niet toestaat, gelet op het uitputtende karakter van de regeling. De richtlijn staat op een aantal punten toe dat de lidstaten keuzes maken, maar niet op het punt van de in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, gestelde eisen.
De Raad adviseert het voorstel in overeenstemming te brengen met de richtlijn.
2. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W09.04.0370/V met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
In de aanhef van het ontwerpbesluit en in de nota van toelichting bij de vermelding van de Europese richtlijn met het nummer 2002/85/EG met in achtneming van aanwijzing 89, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving de PB-vermelding opnemen, respectievelijk verplaatsen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 oktober 2004
1a. De opmerking van de Raad van State betreffende de datum waarop de verschillende categorieën motorvoertuigen moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer is aanleiding geweest tot het aanbrengen van een wijziging in de nota van toelichting.
In de nota van toelichting is aangegeven dat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die de richtlijn biedt om een snelheidsbegrenzer voor bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg en bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen, pas verplicht te stellen vanaf 1 januari 2007, indien deze voertuigen alleen worden gebruikt voor nationaal vervoer. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, omdat niet mogelijk is vast te stellen of een voertuig alleen wordt gebruikt voor nationaal vervoer.
1b. Zoals in de nota van toelichting is uiteengezet betreft het hier een formulering die uit handhavingsoogpunt noodzakelijk is. Op grond van de richtlijn behoeven alleen bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg en bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen en voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 88/77/EEG vermelde grenswaarden, door middel van een retrofit van een snelheidsbegrenzer te worden voorzien. Deze categorie voortuigen is echter niet te onderscheiden van voertuigen die voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden.
Daarom wordt door middel van dit besluit voorgeschreven dat alle voertuigen met een dieselmotor uit de betreffende categorieën van een snelheidsbegrenzer moeten worden voorzien. Het begrip “dieselmotor” omvat zowel motoren die in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 88/77/EEG vermelde grenswaarden, als motoren die in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden. Indien de houder van een voertuig kan aantonen dat de motor van het voertuig in overeenstemming is met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden, zal op grond van artikel 5,3,15, vijfde lid, van het Voertuigreglement een aantekening worden gemaakt op het kentekenbewijs met de strekking dat het voertuig niet behoeft te worden voorzien van een snelheidsbegrenzer.
Ook op communautair niveau bestaat overeenstemming over de wenselijkheid dat de retrofit niet alleen betrekking heeft op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg en bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen en voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 88/77/EEG vermelde grenswaarden, maar ook op de categorie bedrijfsauto’s en bussen die voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden. Ondergetekende heeft het vertrouwen dat door de Europese Commissie een voorstel waarmee dit knelpunt wordt weggenomen in procedure zal worden gebracht. Aan deze opmerking van de Raad is dan ook geen gevolg gegeven.
2. Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
Het ontwerpbesluit strekt tot wijziging van het Voertuigreglement in verband met implementatie van richtlijn nr.2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 tot wijziging van richtlijn nr.92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen. Het beoogt vooral de invoering van snelheidsbegrenzers voor vrachtauto’s en bussen met een nader bepaald gewicht.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een tweetal opmerkingen met betrekking tot de implementatie van artikel 1, onderdeel artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2002/85/EG. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wenselijk is.
1. Het onderdeel artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van artikel 1 van de richtlijn schrijft voor dat de in de aanhef van artikel 4, tweede lid, genoemde categorieën van voertuigen die in overeenstemming zijn met de in richtlijn 88/77/EEG vermelde grenswaarden en geregistreerd zijn tussen 1 oktober 2001 en 1 januari 2005 met ingang van 1 januari 2006 moeten voldoen aan de nieuwe eisen indien die voertuigen zowel nationaal als internationaal vervoer verzorgen en met ingang van 1 januari 2007 indien die voertuigen alleen voor nationaal vervoer worden gebruikt.
a. Het ontwerpbesluit houdt 1 januari 2006 aan voor beide categorieën voertuigen. Deze datum wordt in de toelichting gemotiveerd met een beroep op de richtlijn. Nu de richtlijn voor bepaalde voertuigen een uiterste datum van 1 januari 2007 toestaat adviseert de Raad in de toelichting nader in te gaan op de gemaakte keuze voor 1 januari 2006.
b. Zoals in de toelichting is beschreven, geldt deze bepaling voor de in de aanhef van artikel 4, tweede lid, genoemde categorieën van voertuigen die in overeenstemming zijn met de in richtlijn 88/77/EEG vermelde grenswaarden en geregistreerd zijn tussen 1 oktober 2001 en 1 januari 2005. In het ontwerpbesluit kiest de minister er echter voor om de werkingssfeer van deze bepaling uit te breiden tot die voertuigen die aan alle gestelde voorwaarden voldoen, maar die niet in overeenstemming zijn met de in richtlijn 88/77/EEG vermelde grenswaarden. Als reden hiervoor wordt gegeven dat de aanvullende eis met betrekking tot de grenswaarden in richtlijn 88/77/EEG het zeer moeilijk maakt om de retrofit daadwerkelijk uit te voeren. Het laten vervallen van deze eis, waardoor deze bepaling voor alle voertuigen die overigens aan de voorwaarden voldoen zal gelden, maakt de regeling wel uitvoerbaar, aangezien “wel makkelijk te herkennen” is of een voertuig voorzien is van een dieselmotor.
Het college merkt op dat de richtlijn de thans voorgestelde afwijking niet toestaat, gelet op het uitputtende karakter van de regeling. De richtlijn staat op een aantal punten toe dat de lidstaten keuzes maken, maar niet op het punt van de in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, gestelde eisen.
De Raad adviseert het voorstel in overeenstemming te brengen met de richtlijn.
2. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W09.04.0370/V met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
In de aanhef van het ontwerpbesluit en in de nota van toelichting bij de vermelding van de Europese richtlijn met het nummer 2002/85/EG met in achtneming van aanwijzing 89, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving de PB-vermelding opnemen, respectievelijk verplaatsen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 oktober 2004
1a. De opmerking van de Raad van State betreffende de datum waarop de verschillende categorieën motorvoertuigen moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer is aanleiding geweest tot het aanbrengen van een wijziging in de nota van toelichting.
In de nota van toelichting is aangegeven dat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die de richtlijn biedt om een snelheidsbegrenzer voor bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg en bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen, pas verplicht te stellen vanaf 1 januari 2007, indien deze voertuigen alleen worden gebruikt voor nationaal vervoer. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, omdat niet mogelijk is vast te stellen of een voertuig alleen wordt gebruikt voor nationaal vervoer.
1b. Zoals in de nota van toelichting is uiteengezet betreft het hier een formulering die uit handhavingsoogpunt noodzakelijk is. Op grond van de richtlijn behoeven alleen bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg en bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen en voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 88/77/EEG vermelde grenswaarden, door middel van een retrofit van een snelheidsbegrenzer te worden voorzien. Deze categorie voortuigen is echter niet te onderscheiden van voertuigen die voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden.
Daarom wordt door middel van dit besluit voorgeschreven dat alle voertuigen met een dieselmotor uit de betreffende categorieën van een snelheidsbegrenzer moeten worden voorzien. Het begrip “dieselmotor” omvat zowel motoren die in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 88/77/EEG vermelde grenswaarden, als motoren die in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden. Indien de houder van een voertuig kan aantonen dat de motor van het voertuig in overeenstemming is met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden, zal op grond van artikel 5,3,15, vijfde lid, van het Voertuigreglement een aantekening worden gemaakt op het kentekenbewijs met de strekking dat het voertuig niet behoeft te worden voorzien van een snelheidsbegrenzer.
Ook op communautair niveau bestaat overeenstemming over de wenselijkheid dat de retrofit niet alleen betrekking heeft op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg en bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen en voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 88/77/EEG vermelde grenswaarden, maar ook op de categorie bedrijfsauto’s en bussen die voor wat betreft de motor in overeenstemming zijn met de in richtlijn nr. 70/220/EEG vermelde grenswaarden. Ondergetekende heeft het vertrouwen dat door de Europese Commissie een voorstel waarmee dit knelpunt wordt weggenomen in procedure zal worden gebracht. Aan deze opmerking van de Raad is dan ook geen gevolg gegeven.
2. Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat