Ontwerpbesluit houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van spoorwegpersoneel (Besluit spoorwegpersoneel), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.03.0427/V
- Datum advies
- 6 januari 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 11
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van spoorwegpersoneel (Besluit spoorwegpersoneel), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 11 oktober 2003, no.03.004248 heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van spoorwegpersoneel (Besluit spoorwegpersoneel), met nota van toelichting.
In het ontwerpbesluit zijn ter uitwerking van bepalingen in de Spoorwegwet nadere regels opgenomen die betrekking hebben op veiligheidsfuncties binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot de functie van conducteur, de te stellen taalvaardigheidseisen, medische en psychologische geschiktheidseisen en de nadere psychologische keuring. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Conducteur
Artikel 2 van het ontwerpbesluit bevat een opsomming van de andere veiligheidsfuncties dan de functie van machinist binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem. Daar behoort de functie van conducteur niet bij. Het algemene deel van de toelichting zet uiteen dat het bij deze en andere functies niet gaat om een functie waarbij er sprake is van een aanmerkelijke invloed op de veiligheid van het spoorverkeer noch van grote samenhang met of afhankelijkheid van de wel genoemde functies. De Raad heeft er begrip voor dat er bij de aanduiding van veiligheidsfuncties keuzes moeten worden gemaakt. Toch heeft hij behoefte aan een nadere argumentatie wat betreft de functie van conducteur. De conducteur is verantwoordelijk voor het vertrek van personentreinen, terwijl hij tevens belangrijke verantwoordelijkheden draagt bij calamiteiten.
Bij dit vertrek hebben zich de laatste jaren enkele ernstige ongelukken voorgedaan. De Raad beveelt aan de toelichting op dit punt aan te vullen.
2. Taalvaardigheidseisen
In artikel 13 van het ontwerpbesluit worden voor veiligheidsfunctionarissen taalvaardigheidseisen gesteld die essentieel zijn voor de procescommunicatie. Ingevolge het tweede lid van dat artikel gelden die eisen niet voor personen die de veiligheidsfunctie van gereedschapsmachinist en veiligheidsman uitoefenen. Blijkens de toelichting houdt dit verband met het feit dat voor deze functionarissen procescommunicatie geen essentieel onderdeel is van de tot hun functies behorende taken. Daarbij wordt in de toelichting opgemerkt dat wel gebruikelijk is dat zij, vanuit het oogpunt van veilige arbeidsomstandigheden, de door de werkploeg gebruikte taal in voldoende mate kunnen begrijpen en spreken.
Gelet op hetgeen in de toelichting wordt uiteengezet en op de taak- en bevoegdheidsomschrijving van in het bijzonder de veiligheidsman in artikel 9 en in mindere mate de werktreinbegeleider in artikel 10 is de Raad niet overtuigd van de noodzaak van de uitzondering in het tweede lid van artikel 13. Hij beveelt aan deze nader te beargumenteren.
3. Medische en psychologische geschiktheidseisen
Ingevolge de artikelen 26, tweede lid, en 27, tweede lid, gelden de in het eerste lid van beide artikelen opgesomde medische en psychologische geschiktheidseisen niet voor machinisten en rangeerders met minimale bevoegdheden bedoeld in artikel 4, derde lid, en 5, tweede lid. In de toelichting op die bepalingen wordt hierover vermeld dat dit niet betekent dat die functionarissen niet medisch of psychologisch geschikt behoeven te zijn voor hun functie, doch de beoordeling daarvan wordt in het kader van de zorgplicht van degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend aan deze overgelaten.
Die redenering overtuigt het college niet. Het gaat hier immers om veiligheidsfunctionarissen die, weliswaar op een niet voor reizigers bedoeld emplacement of een gedeelte daarvan, hun functie uitoefenen. Daarbij wordt omgegaan met zwaar materieel waarbij wel andere functionarissen aanwezig zijn. Die anderen maar ook de desbetreffende veiligheidsfunctionaris zelf kunnen bij verkeerde omgang met het materieel door deze functionaris in gevaar komen.
Met het oog hierop beveelt de Raad aan de artikelen 26, tweede lid, en 27, tweede lid, met inachtneming van het vorenstaande nader te bezien.
4. Nadere psychologische keuring.
Ingevolge artikel 32, tweede lid, blijft de in artikel 29, tweede of derde lid, bedoelde verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven aan een gereedschapsmachinist of aan een persoon die de in artikel 2, onderdelen a, c, d en f, genoemde veiligheidsfuncties uitoefent, geldig voor onbepaalde tijd. Blijkens de toelichting op dat artikellid kan evenwel een nieuwe psychologische keuring nodig zijn indien na het ondergaan van de initiële keuring twijfel rijst aan de psychologische geschiktheid van betrokkene.
Dit blijkt evenwel niet uit het ontwerp. In verband hiermee acht het college het gewenst dit, mede gelet op aanwijzing 214 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, alsnog in een aan artikel 32 toe te voegen derde lid op te nemen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 6 januari 2004, no.W09.03.0427/V met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 4, derde lid, het laatste gedeelte van die bepaling vanaf “die niet zijn voorzien van een technische beveiliging” met invoeging van de woorden “en die” verplaatsen en invoegen achter het woord “spoorvoertuigen” teneinde het misverstand te voorkomen dat gedacht kan worden dat dat zinsdeel slaat op het woord emplacementen of gedeelten daarvan.
- In artikel 5, tweede lid, een vergelijkbare wijziging als die met betrekking tot artikel 4, derde lid, aanbrengen.
- In de artikelen 14 tot en met 19, steeds in het eerste lid, in het zinsdeel “vastgestelde en door Onze Minister goedgekeurde eisen, die betrekking kunnen hebben op” het woord “kunnen” schrappen teneinde een imperatieve formulering te verkrijgen.
- In artikel 24, tweede lid, onder a, laatste gedachtestreepje, aan het slot van de aangehaalde Europese beschikking met inachtneming van aanwijzing 89, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) invoegen: (PbEG L 245).
- Voorts in artikel 24, eerste lid, onderdeel c, laatste gedachtestreepje de daar aangehaalde Europese beschikking volledig aanhalen, eveneens met inbegrip van de publicatieaanduiding.
Nota van toelichting
- In de toelichting op de artikelen 4 tot en met 10, in de eerste zin van het voorlaatste tekstblok “De in het tweede en derde lid aangegeven bevoegdheidsbeperking” wijzigen in: De in het tweede en derde lid van artikel 4 aangegeven bevoegdheidsbeperking.
- In de toelichting op artikel 24 de daar aangehaalde Europese beschikking volledig aanhalen, met inbegrip van de publicatieaanduiding (aanwijzing 89, eerste lid, Ar).
Besloten wordt daarom op bladzijde 1, regel 39, van het c.a. na “personentreinen” toe te voegen: , terwijl hij tevens belangrijke verantwoordelijkheden draagt bij calamiteiten.
Nader rapport (reactie op het advies) van 26 november 2004
1. Bij de taak van de conducteur is mede in ogenschouw genomen dat door ontwikkelingen bij de verschillende vervoerders een steeds grotere verscheidenheid is ontstaan. Het vertrekproces - aangenomen wordt dat de Raad daarop doelt waar hij spreekt van recente ongevallen - bij de Thalys-treinen is beduidend anders dan bij NS Reizigers, en is nog weer anders bij de conducteurloze treinen van diverse regionale vervoerders. Ook bij NS Reizigers zijn functies ontstaan die soms in de plaats komen van de conducteur, zonder hem op alle onderdelen te vervangen. Een vervoerder kan er overigens ook voor kiezen om de verantwoordelijkheid voor het vertrek bij de machinist te leggen. Gezien de geschetste verscheidenheid is het opstellen van een standaardeis voor een standaardtaak niet meer zinvol en overigens ook niet doenlijk. Daarom wordt het aan de vervoerder overgelaten om zijn vertrekproces op veilige wijze in te richten. Bij de beoordeling van vervoerders in het kader van de verlening van een veiligheidsattest is het vertrekproces daarom een vast onderwerp.
De nota van toelichting is in vorenstaande zin aangevuld.
2. De taalvaardigheid van personeel bij werkzaamheden aan de infrastructuur is uitgebreid onderwerp van overleg met de betrokken organisaties geweest. Ook zijn daarmee, met instemming van de infrabeheerder, toen nog NS Railinfrabeheer, praktijkproeven gedaan, die naar tevredenheid zijn verlopen. De behoefte om de taalvaardigheid van de veiligheidsman en de gereedschapmachinist te laten bepalen door de op de werklocatie gebruikte taal, hangt rechtstreeks samen met de openstelling van de markt voor dergelijke werken voor buitenlandse aannemers. Voor het vaktechnische werk maken zij normaliter gebruik van hun eigen personeel, dat de Nederlandse taal gewoonlijk niet machtig is. Een Nederlands sprekende veiligheidsman of gereedschapmachinist zal zich niet met dit buitenlandse personeel kunnen verstaan. Daarentegen zal de betrokken buitenlandse aannemer met regelmaat gebruik kunnen maken van personeel uit zijn eigen land, dat de benodigde Nederlandse examens heeft afgelegd. De onderlinge communicatie kan dan probleemloos in de moedertaal plaatsvinden. Voor die functionarissen die niet alleen binnen de werkplek, maar ook met Nederlandse functionarissen buiten de werkplek moeten communiceren, is vaardigheid in de Nederlandse taal wel een vereiste. Dit betreft in het bijzonder de leider werkplekbeveiliging en de werktreinbegeleider, die met het personeel van de Verkeersleiding moeten kunnen communiceren.
De in de nota van toelichting opgenomen argumenten voor de in het tweede lid van artikel 13 gemaakte uitzondering voor gereedschapsmachinisten en veiligheidslieden zijn in vorenstaande zin aangevuld.
3. De voorgestelde tekst komt overeen met de keuringseisen zoals die reeds in 1996 waren opgenomen in de door de vroegere taakorganisatie Railned B.V. afdeling spoorwegveiligheid ontwikkelde normbladen. Het rijden met spoorwegvoertuigen is gewoonlijk slechts een ondergeschikt deel van de taak van de betrokken personen. Op enkele daartoe geschikte emplacementen bezitten voertuigmonteurs een dergelijke minimale bevoegdheid als machinist. De eisen die hun elektrotechnische opleiding (inclusief hoogspanning) stelt, zijn ook toereikend voor hun rijbevoegdheid. Op diverse plaatsen is personeel van industrieën bevoegd om op enkele lokale sporen te rangeren. Dit rangeerwerk is veelal slechts een gering deel van de dagtaak van het betrokken personeel. In de vele decennia ervaring met dergelijk industriepersoneel is nooit de behoefte aan een verplichte medische en psychologische keuring gebleken. Een derde groep personen met minimale bevoegdheid zijn de bedienaren van de zgn. rangeerrobots, waarmee treinstellen stapvoets door een wasmachine worden getrokken. Naast deze geringe snelheid hebben de rangeerrobots een bereik van slechts één of enkele sporen. In andere situaties komt de minimale bevoegdheid vrijwel niet voor. Gezien deze zeer specifieke verhoudingen en achtergronden, en gelet op de opgedane ervaringen, is er geen aanleiding voor een verplichte keuring.
4. Naar aanleiding van het advies van de Raad is artikel 32 van het ontwerpbesluit aangevuld met een expliciete regeling betreffende het tussentijds psychologisch onderzoek. De in artikel 31 van het ontwerpbesluit voorziene regeling inzake de geldigheidsduur van verklaringen van medische geschiktheid is aangevuld met een expliciete regeling betreffende het tussentijds medisch onderzoek.
5. Aan de in de bijlage van het advies opgenomen redactionele kanttekeningen betreffende de artikelen 4, derde lid, en 5, tweede lid, van het ontwerpbesluit is geen gevolg gegeven aangezien de door de Raad aangehaalde zinsnede, anders dan de Raad meent, juist betrekking heeft op emplacementen of gedeelten daarvan. Aan de overige in de bijlage van het advies opgenomen redactionele kanttekeningen is gevolg gegeven.
6. Bij nadere overweging is het wenselijk gebleken het ontwerpbesluit en de daarbij behorende nota van toelichting op enkele punten bij te stellen.
Gezien het feit dat de met ingang van 1 januari 2005 in werking getreden herziene Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen niet meer voorziet in vakbekwaamheidseisen m.b.t. het vervoer van gevaarlijke stoffen, is de aantekening inzake de bevoegdheid betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen, welke aantekening deel uitmaakte van de in artikel 34,onderdeel f, van het onderhavige besluit vervatte opsomming van gegevens die de bedrijfspas ten minste dient te bevatten, komen te vervallen.
Artikel 42 van het ontwerpbesluit is uitgebreid met de mogelijkheid om van het bepaalde bij en krachtens dit besluit ontheffing te verlenen aan machinisten, rangeerders en wagencontroleurs, die bij het in dienst treden van een hoofdnetvervoerder reeds beschikken over naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat relevante ervaring met het rijden over spoorwegen waarop het besluit niet van toepassing is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om metrobestuurders die in dient treden bij een hoofdnetvervoerder.
De nota van toelichting is aan de in de artikelen 37 en 42 aangebrachte wijzigingen aangepast.
Tenslotte is de nota van toelichting op een aantal punten geactualiseerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat