Ontwerpbesluit houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de Noordwesttangent, gedeelte Bredaseweg-Dalem Zuid, met bijkomende werken, een en ander gelegen in de gemeenten Tilburg en Gilze en Rijen.
- Kenmerk
- W09.04.0138/V
- Datum advies
- 23 april 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 13 juli 2004, nr 131
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de Noordwesttangent, gedeelte Bredaseweg-Dalem Zuid, met bijkomende werken, een en ander gelegen in de gemeenten Tilburg en Gilze en Rijen.
Krachtens machtiging van Uwe Majesteit heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, met een schrijven van 29 maart 2004, no.HKW/R 2004/3138, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de Noordwesttangent, gedeelte Bredaseweg-Dalem Zuid, met bijkomende werken, een en ander gelegen in de gemeenten Tilburg en Gilze en Rijen.
In het ontwerpbesluit wordt over hetgeen reclamant sub 3 als zienswijze naar voren heeft gebracht onder meer kort samengevat het volgende opgemerkt. Reclamant is uitgenodigd voor een hoorzitting om zijn ingediende zienswijzen nader toe te lichten. Hij heeft echter aangegeven dat hij eerst gehoord wilde worden nadat hij afschriften van enige ter inzage gelegde onteigeningsstukken alsmede bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning had ontvangen. De eerder genoemde afschriften zijn eind november 2003 aan reclamanten toegezonden, maar de overige door reclamant sub 3 opgevraagde stukken heeft verzoeker om onteigening, gelet op de bepalingen van de onteigeningswet en de Leidraad Administratieve onteigeningsprocedure van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, hem niet verstrekt. Daarop heeft reclamant laten weten af te zien van de mogelijkheid om op de daartoe vastgestelde datum gehoord te worden.
De Raad merkt op dat uit het ontwerpbesluit niet blijkt of met betrekking tot de inzage van door reclamant sub 3 om toezending gevraagde maar hem niet toegezonden stukken sprake was van een weigeringsgrond genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, zodat de vraag rijst of jegens reclamant op zorgvuldige wijze toepassing is gegeven aan de onteigeningswet. De Raad adviseert in het ontwerpbesluit hierop nader in te gaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 26 april 2004
De Raad maakt in voornoemd advies de volgende opmerking. In het ontwerpbesluit wordt over hetgeen reclamant sub 3 als zienswijze naar voren heeft gebracht onder meer kort samengevat het volgende opgemerkt. Reclamant is uitgenodigd voor een hoorzitting om zijn ingediende zienswijzen nader toe te lichten. Hij heeft echter aangegeven dat hij eerst gehoord wilde worden nadat hij afschriften van enige ter inzage gelegde onteigeningsstukken alsmede bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning had ontvangen. De eerder genoemde afschriften zijn eind november 2003 aan reclamant toegezonden, maar de overige door reclamant sub 3 opgevraagde stukken heeft verzoeker om onteigening, gelet op de bepalingen van de onteigeningswet en de Leidraad Administratieve onteigeningsprocedure van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, hem niet verstrekt. Daarop heeft reclamant laten weten af te zien van de mogelijkheid om op de daartoe vastgestelde datum gehoord te worden. De Raad merkt op, dat uit het ontwerpbesluit niet blijkt of met betrekking tot de inzage van door reclamant sub 3 om toezending gevraagde maar hem niet toegezonden stukken sprake was van een weigeringsgrond genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, zodat de vraag rijst of jegens reclamant op zorgvuldige wijze toepassing is gegeven aan de onteigeningswet. De Raad adviseert in het ontwerpbesluit hierop nader in te gaan.
Met betrekking tot deze opmerking van de Raad wil ik voorop stellen dat naar aanleiding van het verzoek van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg van 30 juli 2004 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet ten behoeve van de aanleg van de Noordwesttangent de ingevolge de onteigeningswet en genoemde leidraad vereiste onteigeningsstukken ter inzage zijn gelegd in de periode van 29 september 2003 tot en met 27 oktober 2003.
Met het vereisen van deze stukken heeft de wetgever beoogt een (limitatieve) opsomming te geven van documenten die tezamen de als vaststaand aan te merken plannen van het werk en van onteigening uiteenzetten en verklaren. Belanghebbenden kunnen gedurende de terinzagelegging van de onteigeningsstukken zienswijzen indienen over deze plannen.
Ik wil benadrukken, dat de door reclamant sub 3 gevraagde bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning geen onderdeel uitmaken van de onteigeningsstukken die ingevolgde de onteigeningswet ter inzage dienen te worden gelegd. Voorts zijn deze documenten (voornamelijk) door hem opgevraagd om nader inzicht te verkrijgen in tracégedeelten die niet betrokken zijn in de onderhavige plannen van het werk en van onteigening.
Op grond van de onteigeningswet ligt het niet in mijn bevoegdheid om van de gemeente Tilburg te verlangen dat zij in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure naast genoemde stukken op verzoek van belanghebbenden eveneens bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning overlegt. In zoverre belanghebbenden prijs stellen op het inzien van dergelijke documenten dienen zij zich ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur zelfstandig tot de gemeente Tilburg te wenden met het verzoek om openbaarheid van deze documenten. In dat kader zal door de gemeente beoordeeld dienen te worden of toepassing wordt gegeven aan artikel 10 van deze wet (weigeringsgronden).
Tot slot merk ik nog op, dat bedoelde documenten op 4 maart 2004 tijdens een bewonersavond voor de Noordwesttangent wegdeel A58-Bredasweg door de gemeente Tilburg aan reclamant zijn overhandigd. De gemeente heeft hieromtrent aangegeven, dat dit niet eerder heeft kunnen gebeuren door de onzekerheid die er tot voor kort was ten aanzien van de verkeersfunctie van de Langenbergseweg en de consequenties daarvan voor het ontwerp van de Noordwesttangent.
Gelet op het voorgaande kom ik wederom tot de conclusie dat met het geen doorgang vinden van het nader horen van reclamant sub 3 als bedoeld in artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet in het onderhavige geval geen onzorgvuldige toepassing is gegeven aan de onteigeningswet.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
In het ontwerpbesluit wordt over hetgeen reclamant sub 3 als zienswijze naar voren heeft gebracht onder meer kort samengevat het volgende opgemerkt. Reclamant is uitgenodigd voor een hoorzitting om zijn ingediende zienswijzen nader toe te lichten. Hij heeft echter aangegeven dat hij eerst gehoord wilde worden nadat hij afschriften van enige ter inzage gelegde onteigeningsstukken alsmede bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning had ontvangen. De eerder genoemde afschriften zijn eind november 2003 aan reclamanten toegezonden, maar de overige door reclamant sub 3 opgevraagde stukken heeft verzoeker om onteigening, gelet op de bepalingen van de onteigeningswet en de Leidraad Administratieve onteigeningsprocedure van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, hem niet verstrekt. Daarop heeft reclamant laten weten af te zien van de mogelijkheid om op de daartoe vastgestelde datum gehoord te worden.
De Raad merkt op dat uit het ontwerpbesluit niet blijkt of met betrekking tot de inzage van door reclamant sub 3 om toezending gevraagde maar hem niet toegezonden stukken sprake was van een weigeringsgrond genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, zodat de vraag rijst of jegens reclamant op zorgvuldige wijze toepassing is gegeven aan de onteigeningswet. De Raad adviseert in het ontwerpbesluit hierop nader in te gaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 26 april 2004
De Raad maakt in voornoemd advies de volgende opmerking. In het ontwerpbesluit wordt over hetgeen reclamant sub 3 als zienswijze naar voren heeft gebracht onder meer kort samengevat het volgende opgemerkt. Reclamant is uitgenodigd voor een hoorzitting om zijn ingediende zienswijzen nader toe te lichten. Hij heeft echter aangegeven dat hij eerst gehoord wilde worden nadat hij afschriften van enige ter inzage gelegde onteigeningsstukken alsmede bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning had ontvangen. De eerder genoemde afschriften zijn eind november 2003 aan reclamant toegezonden, maar de overige door reclamant sub 3 opgevraagde stukken heeft verzoeker om onteigening, gelet op de bepalingen van de onteigeningswet en de Leidraad Administratieve onteigeningsprocedure van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, hem niet verstrekt. Daarop heeft reclamant laten weten af te zien van de mogelijkheid om op de daartoe vastgestelde datum gehoord te worden. De Raad merkt op, dat uit het ontwerpbesluit niet blijkt of met betrekking tot de inzage van door reclamant sub 3 om toezending gevraagde maar hem niet toegezonden stukken sprake was van een weigeringsgrond genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, zodat de vraag rijst of jegens reclamant op zorgvuldige wijze toepassing is gegeven aan de onteigeningswet. De Raad adviseert in het ontwerpbesluit hierop nader in te gaan.
Met betrekking tot deze opmerking van de Raad wil ik voorop stellen dat naar aanleiding van het verzoek van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg van 30 juli 2004 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet ten behoeve van de aanleg van de Noordwesttangent de ingevolge de onteigeningswet en genoemde leidraad vereiste onteigeningsstukken ter inzage zijn gelegd in de periode van 29 september 2003 tot en met 27 oktober 2003.
Met het vereisen van deze stukken heeft de wetgever beoogt een (limitatieve) opsomming te geven van documenten die tezamen de als vaststaand aan te merken plannen van het werk en van onteigening uiteenzetten en verklaren. Belanghebbenden kunnen gedurende de terinzagelegging van de onteigeningsstukken zienswijzen indienen over deze plannen.
Ik wil benadrukken, dat de door reclamant sub 3 gevraagde bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning geen onderdeel uitmaken van de onteigeningsstukken die ingevolgde de onteigeningswet ter inzage dienen te worden gelegd. Voorts zijn deze documenten (voornamelijk) door hem opgevraagd om nader inzicht te verkrijgen in tracégedeelten die niet betrokken zijn in de onderhavige plannen van het werk en van onteigening.
Op grond van de onteigeningswet ligt het niet in mijn bevoegdheid om van de gemeente Tilburg te verlangen dat zij in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure naast genoemde stukken op verzoek van belanghebbenden eveneens bestektekeningen, bestekomschrijvingen en de uitvoeringsplanning overlegt. In zoverre belanghebbenden prijs stellen op het inzien van dergelijke documenten dienen zij zich ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur zelfstandig tot de gemeente Tilburg te wenden met het verzoek om openbaarheid van deze documenten. In dat kader zal door de gemeente beoordeeld dienen te worden of toepassing wordt gegeven aan artikel 10 van deze wet (weigeringsgronden).
Tot slot merk ik nog op, dat bedoelde documenten op 4 maart 2004 tijdens een bewonersavond voor de Noordwesttangent wegdeel A58-Bredasweg door de gemeente Tilburg aan reclamant zijn overhandigd. De gemeente heeft hieromtrent aangegeven, dat dit niet eerder heeft kunnen gebeuren door de onzekerheid die er tot voor kort was ten aanzien van de verkeersfunctie van de Langenbergseweg en de consequenties daarvan voor het ontwerp van de Noordwesttangent.
Gelet op het voorgaande kom ik wederom tot de conclusie dat met het geen doorgang vinden van het nader horen van reclamant sub 3 als bedoeld in artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet in het onderhavige geval geen onzorgvuldige toepassing is gegeven aan de onteigeningswet.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat