Ontwerpbesluit tot wijziging van enige besluiten ter zake van bezoldiging tijdens schorsing of vrijheidsontneming van militairen en ambtenaren van de sector Defensie, in het kader van het openstellen van flexibilisering van de arbeidsduur voor militairen met deeltijdverlof alsmede voor ambtenaren die zijn aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 38 uur per week alsmede een technische wijziging, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W07.04.0117/II
- Datum advies
- 16 april 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 13 juli 2004, nr 131
- Defensie
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit tot wijziging van enige besluiten ter zake van bezoldiging tijdens schorsing of vrijheidsontneming van militairen en ambtenaren van de sector Defensie, in het kader van het openstellen van flexibilisering van de arbeidsduur voor militairen met deeltijdverlof alsmede voor ambtenaren die zijn aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 38 uur per week alsmede een technische wijziging, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 18 maart 2004, no.04.001126, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van enige besluiten ter zake van bezoldiging tijdens schorsing of vrijheidsontneming van militairen en ambtenaren van de sector Defensie, in het kader van het openstellen van flexibilisering van de arbeidsduur voor militairen met deeltijdverlof alsmede voor ambtenaren die zijn aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 38 uur per week alsmede een technische wijziging, met nota van toelichting.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarbij de volgende kanttekening over de opheffing van de schorsing.
1. Volgens artikel 90 van het Algemeen rijksambtenarenreglement (Arar) is de duur van een schorsing van rechtswege gerelateerd aan een bepaalde geobjectiveerde feitelijke situatie, namelijk aan de periode waarin de ambtenaar krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd. Gelet op die bepaling in het Arar adviseert de Raad in de voorgestelde artikelen 36, eerste lid, van het AMAR, en 111, eerste lid, van het BARD, de verwijzing naar artikel 34, eerste lid, AMAR, onderscheidenlijk artikel 109, eerste lid, BARD, achterwege te laten.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 16 april 2004, no.W07.04.0117/II, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In het opschrift niet door middel van de woorden “in het kader van” de indruk wekken dat er een verband bestaat tussen enerzijds (de bezoldiging tijdens) de schorsing of vrijheidsontneming van militairen en ambtenaren van de sector Defensie en anderzijds het openstellen van flexibilisering van de arbeidsduur voor militairen met deeltijdverlof alsmede voor ambtenaren die zijn aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 38 uur per week.
- De opschriften van de voorgestelde artikelen 34 en 35 van het AMAR (artikel I, onderdeel B) als volgt wijzigen: 34. Gevallen waarin schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Schorsing”); 35. Wijze waarop schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Het schorsen”).
- Daar niet in alle gevallen sprake behoeft te zijn van het zich actief “onttrekken” aan het ter kennis brengen van het schorsingsbesluit dient de formulering van de artikelen 35, derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), en 110, derde lid, Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) geobjectiveerd te worden. Op die manier gaat - ongeacht de instelling van de betrokkene - de schorsing in op de zevende dag na die van dagtekening van het schorsingsbesluit, indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is betrokkene van het schorsingsbesluit op de hoogte te stellen.
- De opschriften van de voorgestelde artikelen 109 en 110 van het BARD (artikel III, onderdeel E) als volgt wijzigen: 109. Gevallen waarin schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Schorsing”); 110. Wijze waarop schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Het schorsen”).
Nota van toelichting
In de toelichting op artikel II de derde alinea aldus wijzigen:
Tevens wordt er geregeld dat de ingevolge artikel 34, tweede lid, onder a of b, van het AMAR ingehouden inkomsten alsnog worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Wordt een andere straf door de rechter opgelegd (bijv. een geldboete), dan kan de bevelhebber bepalen de ingehouden inkomsten alsnog geheel of gedeeltelijk aan de militair uit te betalen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 mei 2004
1. Naar aanleiding van het advies van de Raad bericht ik U, dat de genoemde verwijzingen in zowel het AMAR als het BARD zijn verwijderd, waaroor aan de suggestie van de Raad gevolg is gegeven.
2. Naar aanleiding van de redactionele kanttekeningen bericht ik U, dat deze in het besluit en de nota van toelichting zijn aangebracht.
De Raad kan zich voor het overige met het ontwerp verenigen.
De Staatssecretaris van Defensie
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarbij de volgende kanttekening over de opheffing van de schorsing.
1. Volgens artikel 90 van het Algemeen rijksambtenarenreglement (Arar) is de duur van een schorsing van rechtswege gerelateerd aan een bepaalde geobjectiveerde feitelijke situatie, namelijk aan de periode waarin de ambtenaar krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd. Gelet op die bepaling in het Arar adviseert de Raad in de voorgestelde artikelen 36, eerste lid, van het AMAR, en 111, eerste lid, van het BARD, de verwijzing naar artikel 34, eerste lid, AMAR, onderscheidenlijk artikel 109, eerste lid, BARD, achterwege te laten.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 16 april 2004, no.W07.04.0117/II, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In het opschrift niet door middel van de woorden “in het kader van” de indruk wekken dat er een verband bestaat tussen enerzijds (de bezoldiging tijdens) de schorsing of vrijheidsontneming van militairen en ambtenaren van de sector Defensie en anderzijds het openstellen van flexibilisering van de arbeidsduur voor militairen met deeltijdverlof alsmede voor ambtenaren die zijn aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 38 uur per week.
- De opschriften van de voorgestelde artikelen 34 en 35 van het AMAR (artikel I, onderdeel B) als volgt wijzigen: 34. Gevallen waarin schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Schorsing”); 35. Wijze waarop schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Het schorsen”).
- Daar niet in alle gevallen sprake behoeft te zijn van het zich actief “onttrekken” aan het ter kennis brengen van het schorsingsbesluit dient de formulering van de artikelen 35, derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), en 110, derde lid, Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) geobjectiveerd te worden. Op die manier gaat - ongeacht de instelling van de betrokkene - de schorsing in op de zevende dag na die van dagtekening van het schorsingsbesluit, indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is betrokkene van het schorsingsbesluit op de hoogte te stellen.
- De opschriften van de voorgestelde artikelen 109 en 110 van het BARD (artikel III, onderdeel E) als volgt wijzigen: 109. Gevallen waarin schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Schorsing”); 110. Wijze waarop schorsing plaatsvindt (in plaats van: “Het schorsen”).
Nota van toelichting
In de toelichting op artikel II de derde alinea aldus wijzigen:
Tevens wordt er geregeld dat de ingevolge artikel 34, tweede lid, onder a of b, van het AMAR ingehouden inkomsten alsnog worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Wordt een andere straf door de rechter opgelegd (bijv. een geldboete), dan kan de bevelhebber bepalen de ingehouden inkomsten alsnog geheel of gedeeltelijk aan de militair uit te betalen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 mei 2004
1. Naar aanleiding van het advies van de Raad bericht ik U, dat de genoemde verwijzingen in zowel het AMAR als het BARD zijn verwijderd, waaroor aan de suggestie van de Raad gevolg is gegeven.
2. Naar aanleiding van de redactionele kanttekeningen bericht ik U, dat deze in het besluit en de nota van toelichting zijn aangebracht.
De Raad kan zich voor het overige met het ontwerp verenigen.
De Staatssecretaris van Defensie