Voorstel van wet houdende wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de vraagfinanciering voor schoolbegeleiding en de bekostiging van het onderwijs aan zieke leerlingen, met memorie van toelichting.
- Kenmerk
- W05.04.0278/III
- Datum advies
- 4 oktober 2004
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2004/05, 29 875, nr 4
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet houdende wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de vraagfinanciering voor schoolbegeleiding en de bekostiging van het onderwijs aan zieke leerlingen, met memorie van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 5 juli 2004, no.04.002656, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet, houdende wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de vraagfinanciering voor schoolbegeleiding en de bekostiging van het onderwijs aan zieke leerlingen, met memorie van toelichting.
Het voorstel strekt tot een gefaseerde wijziging van de bekostiging van de schoolbegeleidingsdiensten, die op 1 januari 2008 zal zijn voltooid. Daarmee wordt overgegaan van aanbod- op vraagfinanciering. Niet langer worden de financiële middelen voor schoolbegeleiding aan de gemeenten uitgekeerd, maar aan de schoolbesturen. Het staat deze schoolbesturen daarbij vrij om te bepalen waaraan deze gelden zullen worden besteed.
De Raad van State kan zich vinden in de voorgestelde wijziging van de bekostiging en de daarmee samenhangende keuze- en bestedingsvrijheid voor de scholen. De Raad maakt onder andere opmerkingen over de mogelijke gevolgen van deze wijziging voor de schoolbegeleidingsdiensten en over de gemeentelijke subsidies voor schoolbegeleiding. In verband hiermee is enige aanvulling en aanpassing van de toelichting wenselijk.
1. Vraagfinanciering en de schoolbegeleidingsdienst
In het huidige stelsel ontvangen gemeenten bekostiging van het Rijk voor het in stand houden van een (regionale) schoolbegeleidingsdienst. Een schoolbestuur is verplicht om schoolbegeleidingsactiviteiten af te nemen van de schoolbegeleidingsdienst waaronder de school ressorteert.
Het voorstel beoogt schoolbesturen meer keuzevrijheid te geven ten aanzien van de besteding van de middelen, en meer in het bijzonder hen de keuze te laten of deze middelen worden besteed aan schoolbegeleiding en zo ja, aan welke activiteiten en waar deze worden besteed. Omdat als gevolg van de vraagsturing de aansturing van de schoolbegeleidingsdienst zal veranderen, wordt verwacht dat de bureaucratie daaromheen zal verminderen.
Om schoolbesturen en schoolbegeleidingsdiensten aan de nieuwe situatie te laten wennen wordt de beoogde marktwerking op het gebied van schoolbegeleiding in drie etappes ingevoerd. De eerste stap strekt zich uit over het schooljaar 2005-2006 (vrij te besteden 25% van het budget), de tweede stap betreft de periode 1 augustus 2006 tot 1 januari 2008 (vrij te besteden 50% van het budget) en de derde periode loopt vanaf 1 januari 2008 (budget volledig vrij te besteden). Bij de invoering van de lumpsumbekostiging zullen de middelen voor de schoolbegeleiding daarvan onderdeel uitmaken.
De Raad merkt op dat de lumpsumbekostiging voor het primair onderwijs wordt ingevoerd per 1 augustus 2006. Onduidelijk is of, en zo ja, hoe de voorgestelde stapsgewijze invoering van marktwerking op het gebied van de schoolbegeleiding zich verhoudt tot de beoogde invoering van de lumpsumbekostiging. De Raad adviseert in de toelichting daaraan aandacht te besteden.
Samenhangend met de wijziging van de bekostiging zijn gemeenten niet langer verplicht om een schoolbegeleidingsdienst in stand te houden en zijn schoolbegeleidingsdiensten niet langer verplicht om over alle vereiste deskundigheid te beschikken. De bekostiging van de ondersteuning van het onderwijs aan zieke leerlingen die thuis dan wel in een ziekenhuis, niet zijnde een academisch ziekenhuis, verblijven, wordt structureel toegekend aan een beperkt aantal schoolbegeleidingsdiensten.(zie noot 1) De Raad wijst erop dat in het huidige stelsel de schoolbegeleidingsdienst alle benodigde deskundigheid in huis heeft en in het algemeen een goed overzicht zal hebben van de onderwijsontwikkelingen in haar gemeente of regio. Invoering van vraagfinanciering zal ertoe kunnen leiden dat de opdracht voor schoolbegeleiding wordt gegund aan de aanbieder met de gunstigste prijs/kwaliteitverhouding. Om te kunnen concurreren zullen schoolbegeleidingsdiensten de deskundigheden waar minder vraag naar is en die daardoor voor een organisatie minder rendabel zijn, afstoten en zich richten op activiteiten waar voldoende vraag naar is en die zij tegen een gunstige prijs kunnen aanbieden. Dit kan betekenen dat bepaalde deskundigheden verloren gaan en ook dat scholen in de toekomst voor de verschillende activiteiten gebruik zullen maken van de diensten van diverse schoolbegeleidingsdiensten. Dit laatste hoeft geen bezwaar te zijn als het gaat om activiteiten ten behoeve van de schoolorganisatie of het onderwijs, maar kan anders liggen bij activiteiten tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen, omdat daarbij meer samenhang in de ondersteuning van deskundigen noodzakelijk kan zijn.
Omdat in een gemeente of regio meer dan één schoolbegeleidingsdienst op verschillende terreinen werkzaam kan zijn, wordt het bovendien moeilijker een goed overzicht van de ontwikkelingen in de onderwijsproblemen in een gemeente of regio te krijgen en van de betrokkenheid van de diensten daarbij. Het is de vraag of deze ontwikkelingen de kwaliteit van de begeleiding ten goede komt en, indien dit niet het geval zou zijn, of de veronderstelde vergroting van keuzevrijheid en vermindering van bureaucratie daar tegen opwegen.
De Raad adviseert in de toelichting op deze aspecten in te gaan.
2. Marktwerking en schoolbegeleidingsdiensten
Vraagfinanciering zoals voorgesteld, veronderstelt concurrentie tussen de verschillende aanbieders en vrije keuze voor de scholen die begeleiding willen inkopen. Daarbij gaat het niet alleen om bestaande aanbieders, maar ook om nieuwe aanbieders. Wijziging van de bekostiging betekent niet per definitie dat de vraag naar schoolbegeleiding zal toenemen.
Zoals onder punt 1 is aangegeven, moet er dan ook rekening mee worden gehouden dat er naar bepaalde deskundigheden geen vraag meer is, maar ook dat als gevolg van de concurrentie bij bestaande schoolbegeleidingsdiensten medewerkers zullen moeten worden ontslagen. De schoolbegeleidingsdiensten zijn aangesloten bij het Participatiefonds. Uitkeringen aan ontslagen medewerkers worden ten dele omgeslagen over alle deelnemende schoolbegeleidingsdiensten en komen voor het andere deel ten laste van de dienst die deze werknemers heeft ontslagen. Een nieuwkomer op de markt van schoolbegeleidingsdiensten wordt hiermee niet geconfronteerd, omdat deze geen deelnemer van het Participatiefonds zal worden.
Bij de invoering van de vraagfinanciering verkeren de bestaande schoolbegeleidingsdiensten reeds daardoor in een nadeliger uitgangspositie. In de toelichting wordt wel vermeld dat er geen ruimte is voor flankerend beleid en dat de diensten zich al enige jaren instellen op de omslag naar vraagfinanciering, maar geen aandacht wordt besteed aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre er voor de bestaande diensten bij de invoering sprake is van gelijke omstandigheden en of zij op basis van concurrerende tarieven zullen kunnen werken. Als een dienst zich in de beginfase van de omslag naar vraagfinanciering als gevolg van niet-concurrerende tarieven – ten gevolge om omstandigheden waarop de dienst geen invloed heeft - “uit de markt prijst”, kan dat van invloed zijn op het voortbestaan van die dienst. De Raad adviseert in de toelichting hierop in te gaan.
3. Positie van de gemeenten
Bij invoering van vraagfinanciering behouden gemeenten de mogelijkheid om uit eigen middelen subsidies te verstrekken aan schoolbegeleidingsdiensten. De gemeenteraad stelt niet langer vast welk deel van de totale middelen wordt besteed aan door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten die aansluiten bij doelstellingen van lokaal onderwijsbeleid, noch aan welke criteria een school moet voldoen om voor deze middelen in aanmerking te komen, zoals thans bijvoorbeeld in artikel 179 van de Wet op het primair onderwijs is geregeld. In de toelichting wordt er terecht op gewezen dat de gemeente beschikt over het instrument van de verordening om sturend op te treden. De toelichting besteedt geen aandacht aan de mogelijkheid dat als gevolg van vraagfinanciering de scholen in een gemeente niet langer door één schoolbegeleidingsdienst worden bereikt. Daardoor kunnen de middelen voor lokaal onderwijsbeleid over meer dan één dienst worden verdeeld, met als gevolg dat de schoolbegeleidingsdiensten voor een gemeente minder aantrekkelijk worden als instrument voor het lokaal onderwijsbeleid Niet ondenkbaar is dat gemeenteraden bij afwezigheid van een herkenbare en deskundige schoolbegeleidingsdienst zullen besluiten de middelen bestemd voor lokaal onderwijsbeleid anders te besteden.
De Raad adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan.
4. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W05.04.0278/III met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
De inwerkingtredingbepaling in artikel VIII vereenvoudigen door deze te redigeren naar het model van aanwijzing 180, onder E, van de Aanwijzingen voor
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 november 2004
Ik volg de nummering zoals in het advies van de Raad is gehanteerd.
1. De memorie van toelichting is overeenkomstig het advies van de Raad op dit punt aangepast.
2. Omdat scholen over het geheel genomen, tevreden zijn over de dienstverlening van schoolbegeleidingsdiensten, wordt niet verwacht dat de vraagfinanciering tot plotselinge, grootschalige herbesteding van budgetten zal leiden en daarom ook niet tot ontslagen in de sector. Niettemin ontstaat door invoering van de vraagfinanciering met betrekking tot de ontslaguitkeringsproblematiek een ongelijkheid tussen de huidige schoolbegeleidingsdiensten en nieuwe aanbieders op de markt. Dat komt omdat de huidige schoolbegeleidingsdiensten als overheidswerkgever worden aangemerkt in de zin van de Wet privatisering ABP en daardoor verantwoordelijk blijven voor hun eigen werkloosheidsuitkeringen. Nieuwe aanbieders op de markt betalen premie op grond van de Werkloosheidswet, waarmee zij de kosten van mogelijke ontslaguitkeringskosten hebben verzekerd. Zoals aan de Tweede Kamer gemeld per brief van 12 juli 2004, betreffende de stand van zaken vraagfinanciering schoolbegeleiding (Kamerstukken II, 2003/04, 29 200 VIII, nr. 158, p. 2), heb ik aan de Minister van BZK verzocht een wijziging van de Wet privatisering ABP voor te bereiden, waardoor schoolbegeleidingsdiensten zich in de markt kunnen verzekeren tegen risico’s van werkloosheid.
Omdat in dit stadium nog geen uitspraken over de voortgang en inhoud van dit wetstraject kunnen worden gedaan, is de memorie van toelichting niet aangepast op dit punt.
3. Gemeenten hebben en houden een eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor de inzet van de gemeentelijke middelen. Invoering van vraagfinanciering heeft geen directie relatie met de inzet van de gemeentelijke middelen. Gemeenten kunnen er nu en straks voor kiezen hun eigen middelen in te zetten bij één schoolbegeleidingsdienst. Dit staat los van de mogelijkheid dat de scholen in die gemeente hun middelen mogelijk niet volledig besteden bij die ene schoolbegeleidingsdienst. De dienstverlening die worden gevraagd zal ook niet identiek zijn. Zo sprake zou zijn van sterk aan elkaar gekoppelde wenselijke dienstverlening dan zal vanuit een oogpunt van efficiency in goed overleg tussen gemeente en school/scholen worden gekozen voor de beste oplossing op lokaal niveau.
De redactionele kanttekening van de Raad is overgenomen.
Tenslotte merk ik het volgende op.
In de toelichting stond vermeld dat de scholen zich bij te nemen beslissingen betreffende schoolbegeleiding moeten verantwoorden aan de inspectie. Dit betreft echter een indirecte verantwoording via het kwaliteitsbeleid van de scholen. Directe verantwoording vindt plaats via schoolplan en schoolgids en meer actief via de oudergeleding van de medezeggenschapsraad. De memorie van toelichting is hierop aangepast.
In verband met aanwijzing 30 van de aanwijzingen voor de regelgeving is in de artikelen I, onderdeel H, II, onderdeel G, III, onderdeel B en IV de zinsnede “Onze minister kan nadere regels stellen”, telkens vervangen door “Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden”.
Tenslotte is er nog een technische wijziging aangebracht (artikelen VIII en IX) in verband met het voorstel van wet houdende wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs (Kamerstukken II, 2002/03, 28 925, nrs. 1-2).
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(1) Zie artikel I, onder H, wijziging van artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs, artikel II, onder G, wijziging van artikel 166 van de Wet op de expertisecentra, artikel III, onder B, wijziging van artikel 18 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel IV, wijziging van artikel 7.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Het voorstel strekt tot een gefaseerde wijziging van de bekostiging van de schoolbegeleidingsdiensten, die op 1 januari 2008 zal zijn voltooid. Daarmee wordt overgegaan van aanbod- op vraagfinanciering. Niet langer worden de financiële middelen voor schoolbegeleiding aan de gemeenten uitgekeerd, maar aan de schoolbesturen. Het staat deze schoolbesturen daarbij vrij om te bepalen waaraan deze gelden zullen worden besteed.
De Raad van State kan zich vinden in de voorgestelde wijziging van de bekostiging en de daarmee samenhangende keuze- en bestedingsvrijheid voor de scholen. De Raad maakt onder andere opmerkingen over de mogelijke gevolgen van deze wijziging voor de schoolbegeleidingsdiensten en over de gemeentelijke subsidies voor schoolbegeleiding. In verband hiermee is enige aanvulling en aanpassing van de toelichting wenselijk.
1. Vraagfinanciering en de schoolbegeleidingsdienst
In het huidige stelsel ontvangen gemeenten bekostiging van het Rijk voor het in stand houden van een (regionale) schoolbegeleidingsdienst. Een schoolbestuur is verplicht om schoolbegeleidingsactiviteiten af te nemen van de schoolbegeleidingsdienst waaronder de school ressorteert.
Het voorstel beoogt schoolbesturen meer keuzevrijheid te geven ten aanzien van de besteding van de middelen, en meer in het bijzonder hen de keuze te laten of deze middelen worden besteed aan schoolbegeleiding en zo ja, aan welke activiteiten en waar deze worden besteed. Omdat als gevolg van de vraagsturing de aansturing van de schoolbegeleidingsdienst zal veranderen, wordt verwacht dat de bureaucratie daaromheen zal verminderen.
Om schoolbesturen en schoolbegeleidingsdiensten aan de nieuwe situatie te laten wennen wordt de beoogde marktwerking op het gebied van schoolbegeleiding in drie etappes ingevoerd. De eerste stap strekt zich uit over het schooljaar 2005-2006 (vrij te besteden 25% van het budget), de tweede stap betreft de periode 1 augustus 2006 tot 1 januari 2008 (vrij te besteden 50% van het budget) en de derde periode loopt vanaf 1 januari 2008 (budget volledig vrij te besteden). Bij de invoering van de lumpsumbekostiging zullen de middelen voor de schoolbegeleiding daarvan onderdeel uitmaken.
De Raad merkt op dat de lumpsumbekostiging voor het primair onderwijs wordt ingevoerd per 1 augustus 2006. Onduidelijk is of, en zo ja, hoe de voorgestelde stapsgewijze invoering van marktwerking op het gebied van de schoolbegeleiding zich verhoudt tot de beoogde invoering van de lumpsumbekostiging. De Raad adviseert in de toelichting daaraan aandacht te besteden.
Samenhangend met de wijziging van de bekostiging zijn gemeenten niet langer verplicht om een schoolbegeleidingsdienst in stand te houden en zijn schoolbegeleidingsdiensten niet langer verplicht om over alle vereiste deskundigheid te beschikken. De bekostiging van de ondersteuning van het onderwijs aan zieke leerlingen die thuis dan wel in een ziekenhuis, niet zijnde een academisch ziekenhuis, verblijven, wordt structureel toegekend aan een beperkt aantal schoolbegeleidingsdiensten.(zie noot 1) De Raad wijst erop dat in het huidige stelsel de schoolbegeleidingsdienst alle benodigde deskundigheid in huis heeft en in het algemeen een goed overzicht zal hebben van de onderwijsontwikkelingen in haar gemeente of regio. Invoering van vraagfinanciering zal ertoe kunnen leiden dat de opdracht voor schoolbegeleiding wordt gegund aan de aanbieder met de gunstigste prijs/kwaliteitverhouding. Om te kunnen concurreren zullen schoolbegeleidingsdiensten de deskundigheden waar minder vraag naar is en die daardoor voor een organisatie minder rendabel zijn, afstoten en zich richten op activiteiten waar voldoende vraag naar is en die zij tegen een gunstige prijs kunnen aanbieden. Dit kan betekenen dat bepaalde deskundigheden verloren gaan en ook dat scholen in de toekomst voor de verschillende activiteiten gebruik zullen maken van de diensten van diverse schoolbegeleidingsdiensten. Dit laatste hoeft geen bezwaar te zijn als het gaat om activiteiten ten behoeve van de schoolorganisatie of het onderwijs, maar kan anders liggen bij activiteiten tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen, omdat daarbij meer samenhang in de ondersteuning van deskundigen noodzakelijk kan zijn.
Omdat in een gemeente of regio meer dan één schoolbegeleidingsdienst op verschillende terreinen werkzaam kan zijn, wordt het bovendien moeilijker een goed overzicht van de ontwikkelingen in de onderwijsproblemen in een gemeente of regio te krijgen en van de betrokkenheid van de diensten daarbij. Het is de vraag of deze ontwikkelingen de kwaliteit van de begeleiding ten goede komt en, indien dit niet het geval zou zijn, of de veronderstelde vergroting van keuzevrijheid en vermindering van bureaucratie daar tegen opwegen.
De Raad adviseert in de toelichting op deze aspecten in te gaan.
2. Marktwerking en schoolbegeleidingsdiensten
Vraagfinanciering zoals voorgesteld, veronderstelt concurrentie tussen de verschillende aanbieders en vrije keuze voor de scholen die begeleiding willen inkopen. Daarbij gaat het niet alleen om bestaande aanbieders, maar ook om nieuwe aanbieders. Wijziging van de bekostiging betekent niet per definitie dat de vraag naar schoolbegeleiding zal toenemen.
Zoals onder punt 1 is aangegeven, moet er dan ook rekening mee worden gehouden dat er naar bepaalde deskundigheden geen vraag meer is, maar ook dat als gevolg van de concurrentie bij bestaande schoolbegeleidingsdiensten medewerkers zullen moeten worden ontslagen. De schoolbegeleidingsdiensten zijn aangesloten bij het Participatiefonds. Uitkeringen aan ontslagen medewerkers worden ten dele omgeslagen over alle deelnemende schoolbegeleidingsdiensten en komen voor het andere deel ten laste van de dienst die deze werknemers heeft ontslagen. Een nieuwkomer op de markt van schoolbegeleidingsdiensten wordt hiermee niet geconfronteerd, omdat deze geen deelnemer van het Participatiefonds zal worden.
Bij de invoering van de vraagfinanciering verkeren de bestaande schoolbegeleidingsdiensten reeds daardoor in een nadeliger uitgangspositie. In de toelichting wordt wel vermeld dat er geen ruimte is voor flankerend beleid en dat de diensten zich al enige jaren instellen op de omslag naar vraagfinanciering, maar geen aandacht wordt besteed aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre er voor de bestaande diensten bij de invoering sprake is van gelijke omstandigheden en of zij op basis van concurrerende tarieven zullen kunnen werken. Als een dienst zich in de beginfase van de omslag naar vraagfinanciering als gevolg van niet-concurrerende tarieven – ten gevolge om omstandigheden waarop de dienst geen invloed heeft - “uit de markt prijst”, kan dat van invloed zijn op het voortbestaan van die dienst. De Raad adviseert in de toelichting hierop in te gaan.
3. Positie van de gemeenten
Bij invoering van vraagfinanciering behouden gemeenten de mogelijkheid om uit eigen middelen subsidies te verstrekken aan schoolbegeleidingsdiensten. De gemeenteraad stelt niet langer vast welk deel van de totale middelen wordt besteed aan door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten die aansluiten bij doelstellingen van lokaal onderwijsbeleid, noch aan welke criteria een school moet voldoen om voor deze middelen in aanmerking te komen, zoals thans bijvoorbeeld in artikel 179 van de Wet op het primair onderwijs is geregeld. In de toelichting wordt er terecht op gewezen dat de gemeente beschikt over het instrument van de verordening om sturend op te treden. De toelichting besteedt geen aandacht aan de mogelijkheid dat als gevolg van vraagfinanciering de scholen in een gemeente niet langer door één schoolbegeleidingsdienst worden bereikt. Daardoor kunnen de middelen voor lokaal onderwijsbeleid over meer dan één dienst worden verdeeld, met als gevolg dat de schoolbegeleidingsdiensten voor een gemeente minder aantrekkelijk worden als instrument voor het lokaal onderwijsbeleid Niet ondenkbaar is dat gemeenteraden bij afwezigheid van een herkenbare en deskundige schoolbegeleidingsdienst zullen besluiten de middelen bestemd voor lokaal onderwijsbeleid anders te besteden.
De Raad adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan.
4. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W05.04.0278/III met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
De inwerkingtredingbepaling in artikel VIII vereenvoudigen door deze te redigeren naar het model van aanwijzing 180, onder E, van de Aanwijzingen voor
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 november 2004
Ik volg de nummering zoals in het advies van de Raad is gehanteerd.
1. De memorie van toelichting is overeenkomstig het advies van de Raad op dit punt aangepast.
2. Omdat scholen over het geheel genomen, tevreden zijn over de dienstverlening van schoolbegeleidingsdiensten, wordt niet verwacht dat de vraagfinanciering tot plotselinge, grootschalige herbesteding van budgetten zal leiden en daarom ook niet tot ontslagen in de sector. Niettemin ontstaat door invoering van de vraagfinanciering met betrekking tot de ontslaguitkeringsproblematiek een ongelijkheid tussen de huidige schoolbegeleidingsdiensten en nieuwe aanbieders op de markt. Dat komt omdat de huidige schoolbegeleidingsdiensten als overheidswerkgever worden aangemerkt in de zin van de Wet privatisering ABP en daardoor verantwoordelijk blijven voor hun eigen werkloosheidsuitkeringen. Nieuwe aanbieders op de markt betalen premie op grond van de Werkloosheidswet, waarmee zij de kosten van mogelijke ontslaguitkeringskosten hebben verzekerd. Zoals aan de Tweede Kamer gemeld per brief van 12 juli 2004, betreffende de stand van zaken vraagfinanciering schoolbegeleiding (Kamerstukken II, 2003/04, 29 200 VIII, nr. 158, p. 2), heb ik aan de Minister van BZK verzocht een wijziging van de Wet privatisering ABP voor te bereiden, waardoor schoolbegeleidingsdiensten zich in de markt kunnen verzekeren tegen risico’s van werkloosheid.
Omdat in dit stadium nog geen uitspraken over de voortgang en inhoud van dit wetstraject kunnen worden gedaan, is de memorie van toelichting niet aangepast op dit punt.
3. Gemeenten hebben en houden een eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor de inzet van de gemeentelijke middelen. Invoering van vraagfinanciering heeft geen directie relatie met de inzet van de gemeentelijke middelen. Gemeenten kunnen er nu en straks voor kiezen hun eigen middelen in te zetten bij één schoolbegeleidingsdienst. Dit staat los van de mogelijkheid dat de scholen in die gemeente hun middelen mogelijk niet volledig besteden bij die ene schoolbegeleidingsdienst. De dienstverlening die worden gevraagd zal ook niet identiek zijn. Zo sprake zou zijn van sterk aan elkaar gekoppelde wenselijke dienstverlening dan zal vanuit een oogpunt van efficiency in goed overleg tussen gemeente en school/scholen worden gekozen voor de beste oplossing op lokaal niveau.
De redactionele kanttekening van de Raad is overgenomen.
Tenslotte merk ik het volgende op.
In de toelichting stond vermeld dat de scholen zich bij te nemen beslissingen betreffende schoolbegeleiding moeten verantwoorden aan de inspectie. Dit betreft echter een indirecte verantwoording via het kwaliteitsbeleid van de scholen. Directe verantwoording vindt plaats via schoolplan en schoolgids en meer actief via de oudergeleding van de medezeggenschapsraad. De memorie van toelichting is hierop aangepast.
In verband met aanwijzing 30 van de aanwijzingen voor de regelgeving is in de artikelen I, onderdeel H, II, onderdeel G, III, onderdeel B en IV de zinsnede “Onze minister kan nadere regels stellen”, telkens vervangen door “Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden”.
Tenslotte is er nog een technische wijziging aangebracht (artikelen VIII en IX) in verband met het voorstel van wet houdende wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs (Kamerstukken II, 2002/03, 28 925, nrs. 1-2).
Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(1) Zie artikel I, onder H, wijziging van artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs, artikel II, onder G, wijziging van artikel 166 van de Wet op de expertisecentra, artikel III, onder B, wijziging van artikel 18 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel IV, wijziging van artikel 7.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.