Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W09.03.0391/V

Ontwerpbesluit houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen), met nota van toelichting.

Kenmerk
W09.03.0391/V
Datum advies
19 december 2003
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 11 januari 2005, nr 7
  • Infrastructuur en Waterstaat
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen), met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 24 september 2003, no.03.003897, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit bevat nadere regels ten aanzien van de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest. Het vergunningstelsel is gebaseerd op Europese regelgeving en is opgezet om, voordat begonnen wordt met de activiteiten op de hoofdspoorwegen, te kunnen beoordelen of een spoorwegonderneming naar behoren kan functioneren en kan voldoen aan de verplichtingen die zijn verbonden aan het verrichten van deze activiteiten.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt enkele opmerkingen over de tekst van het ontwerpbesluit. Hij is van oordeel dat het ontwerpbesluit in verband daarmee enige aanpassing behoeft.

1. Vergoeding bij aanvragen bedrijfsvergunning
Artikel 91, eerste lid, van de Spoorwegwet (hierna: de wet) geeft de Minister van Verkeer en Waterstaat de bevoegdheid leges vast te stellen terzake van het overeenkomstig de wet aanvragen of verstrekken van een bij of krachtens de wet te nemen besluit, te verstrekken certificaat of ander document. Het voorgestelde artikel 2 eist dat de vergoeding wegens het aanvragen van een bedrijfsvergunning, bedoeld in artikel 91 van de wet, wordt betaald bij indiening van de aanvraag.
Aangezien in de wet op dit punt is gekozen voor rechtstreekse delegatie aan de minister en artikel 31 van de wet niet zonder meer een grondslag biedt voor deze bepaling, is de Raad van mening dat ook de regeling van het tijdstip waarop de betaling van die vergoeding dient plaats te vinden zal moeten worden opgenomen in de ministeriële regeling op basis van artikel 91 van de wet. In verband daarmee adviseert de Raad artikel 2 te laten vervallen.

2. Bedrijfsvergunning: overzicht deelnemende (rechts)personen
Volgens de nota van toelichting is het doel van artikel 3 te garanderen dat steeds duidelijk is aan wie de bedrijfsvergunning wordt verleend. Deze bepaling is in zoverre duidelijk dat de bedrijfsvergunning wordt gesteld op naam van spoorwegonderneming. Onduidelijk is echter of de aanvragende spoorwegonderneming in alle gevallen een overzicht dient te verstrekken van de deelnemende natuurlijke dan wel rechtspersonen of dat het alleen dient te geschieden ingeval de spoor-
wegonderneming een vennootschap onder firma (vof) is, waar de nota van toelichting van spreekt. Zodra eenmaal melding van de namen heeft plaatsgevonden moet op grond van artikel 11, tweede lid, ook van latere mutaties op dat punt melding worden gemaakt.
Indien bedoeld is de vermelding van deelnemende natuurlijke en rechtspersonen alleen te laten plaatsvinden ingeval de spoorwegonderneming een vof is dan dient dat expliciet tot uitdrukking te worden gebracht. De Raad adviseert zulks dan op te nemen in het voorgestelde artikel 10 waarin is geregeld welke overige gegevens een aanvraag tot verlening van een bedrijfsvergunning dient te bevatten. In dat geval kan het voorgestelde artikel 3 zich beperken tot de tenaamstelling van de bedrijfsvergunning.

3. Het vereiste van een goede naam
Artikel 4 regelt in welke gevallen een spoorwegonderneming niet meer voldoet aan het vereiste van een goede naam. Doet die situatie zich voor dan kan de verleende bedrijfsvergunning worden ingetrokken volgens de daartoe strekkende regels die worden opgenomen in de ministeriele regeling gebaseerd op artikel 13 van het ontwerpbesluit.

a. De uitleg in de nota van toelichting dat eerst door het herhaaldelijk niet nakomen van verplichtingen een ernstige mate van niet-nakomen ontstaat die aanleiding kan zijn de goede naam te laten ontvallen, strookt niet met de bewoordingen van artikel 6 van richtlijn nr.95/18/EG(zie noot 1) waar wordt gesproken over “ernstige of herhaalde” inbreuken. Volgens richtlijn 95/18/EG kan de goede naam ook al ontvallen wegens één “ernstige” inbreuk en niet alleen na een reeks inbreuken die tezamen een ernstige mate van niet-nakomen vormen. De Raad adviseert de nota van toelichting op dit punt aan te passen.

b. De Raad mist in de opsomming van artikel 4 inbreuken op fiscale bepalingen en op bepalingen strekkende tot afdracht van (sociale) premies en adviseert na te gaan of de opsomming daarmee dient te worden uitgebreid.

4. Omvang dekkingsgebied
De Raad adviseert toe te lichten waarom een spoorwegonderneming die beschikt over een bedrijfsvergunning in de zin van richtlijn 95/18/EG die geldig is voor heel Europa haar uit de wettelijke aansprakelijkheid voortvloeiende financiële risico’s dient te dekken door middel van “een verzekering die Nederland als dekkingsgebied heeft” (artikel 8), terwijl een spoorwegonderneming met een beperkte bedrijfsvergunning dient te beschikken over “een (dergelijke) verzekering die ten minste Nederland” als dekkingsgebied heeft (artikel 9, derde lid).

5. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 december 2003, no.W09.03.0391/V met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.

In artikel 4, onderdeel b, onder 30, artikel 49 van de Douanewet opnemen in de doorlopende opsomming van bepalingen van die wet.



Nader rapport (reactie op het advies) van 29 november 2004

1. Het advies van de Raad is opgevolgd. In de ministeriële regeling op basis van artikel 91 van de wet wordt het tijdstip van betaling geregeld.

2. De spoorwegonderneming dient in alle gevallen een overzicht te verstrekken van de deelnemende natuurlijke dan wel rechtspersonen. De toelichting is verduidelijkt.

3a. De teksten van het artikel en de toelichting zijn naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad aangepast.

b. De richtlijn schrijft niet voor dat bepalingen strekkende tot afdracht van (sociale) premies in het kader van de goede naam worden getoetst, derhalve is er voor gekozen deze bepalingen niet in de opsomming van artikel 4 op te nemen. Wat betreft fiscale bepalingen: hiervoor is evenmin voorgeschreven dat deze relevant zijn in het kader van de goede naam. Wel is in artikel 13 van richtlijn 95/18/EG opgenomen dat spoorwegondernemingen de ter zake dienende douane- en belastingbepalingen in acht nemen. Dit maakt echter geen deel uit van de toets op de goede naam en een overtreding hiervan vormt dan ook geen intrekkingsgrond. Niettemin bevatten enkele in artikel 3 genoemde artikelen uit de Douanewet fiscale bepalingen.

4. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is aan de artikelen een lid toegevoegd waarin is opgenomen dat aan de bedrijfsvergunning het voorschrift wordt verbonden dat indien de spoorwegonderneming ook spoorvervoer buiten Nederland wil verrichten, zij zich voor de betreffende landen aanvullend moet verzekeren.
Om de inconsistentie in terminologie in de twee artikelen op te heffen zijn in het nieuwe artikel 8, derde lid, de woorden ‘ten minste’ geschrapt.

5. Aan de redactionele kanttekening van de Raad is gevolg gegeven.

6. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt enkele andere wijzigingen in het ontwerpbesluit aan te brengen. Naast een aantal redactionele aanpassingen en aanvullingen in de toelichting betreft het de volgende wijzigingen:
- In artikel 8 (het voormalige artikel 9), tweede lid, onderdeel a, is de zinsnede ‘een binnen een station gelegen gedeelte van de hoofdspoorweg’ vervangen door: uitsluitend binnen de begrenzing van een spoorwegemplacement. Met deze wijziging wordt duidelijker aangegeven welk soort gebruik van de hoofdspoorweg het betreft.
- Het voormalige artikel 13 is geschrapt aangezien de inhoud hiervan in de betrokken ministeriële regeling wordt neergelegd.
- De redactie van de artikelen 15, 16 en 19 (de voormalige artikelen 14, 15 en 18) is aldus gewijzigd dat expliciet duidelijk wordt dat de in deze artikelen neergelegde verplichtingen gelden als voorschriften bij het veiligheidsattest.
Voorts is in artikel 20 een overgangsregeling opgenomen voor bedrijven die hun werkzaamheden aan het spoor thans uitoefenen met een veiligheidscertificaat voor aannemers. Een dergelijk certificaat wordt aangemerkt als een proefattest met een geldigheidsduur van drie maanden.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Verkeer en Waterstaat



(1) Richtlijn nr.95/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PbEG L 143).


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon